RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiseres] , eiseres,
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.28787
V-nummer: [V-nummer 1] ,
mede ten behoeve van haar minderjarige kind:
[kind] ,
V-nummer: [V-nummer 2] ,
(gemachtigde: mr. A.E. Martinez Linnemann),
en
de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder,
(gemachtigde: mr. N. Joseph).
Procesverloop
Bij besluit van 2 juni 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiseres in de verlengde procedure afgewezen als ongegrond.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 14 januari 2026 op zitting behandeld te Breda. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Als tolk is verschenen [tolk] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. Eiser is geboren op [geboortedag] 1993 en heeft de Venezolaanse nationaliteit. Zij heeft op 8 november 2023 een asielaanvraag ingediend in Nederland. Aan haar asielaanvraag heeft zij ten grondslag gelegd dat zij bij terugkeer naar Venezuela vreest te worden aangehouden en te verdwijnen vanwege haar politieke activiteiten en politieke overtuiging. Zij heeft verklaard in Venezuela betrokken te zijn geweest bij de oppositiebeweging JAVU en zij heeft deelgenomen aan protesten en een hongerstaking, waarbij zij geweld en intimidatie door de autoriteiten heeft ervaren. Eiseres vermoedt dat zij daarbij door de veiligheidsdienst SEBIN in de gaten werd gehouden. Zij is in 2016 naar Colombia vertrokken en stelt dat zij daar in 2022 dreigbrieven heeft ontvangen die zij in verband brengt met haar eerdere politieke activiteiten. In Nederland heeft zij verklaard deel te nemen aan demonstraties tegen het Venezolaanse regime.
2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de asielaanvraag van eiseres afgewezen als ongegrond. Verweerder acht de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiseres geloofwaardig, evenals haar politieke activiteiten in Venezuela en Nederland en de door haar ondervonden problemen in Venezuela tijdens protesten en een hongerstaking in de periode tot 2015. Verweerder stelt zich echter op het standpunt dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij vanwege deze activiteiten bij terugkeer in de negatieve belangstelling van de Venezolaanse autoriteiten staat. Daarbij acht verweerder van belang dat niet is gebleken dat eiseres tijdens de protesten en hongerstaking als individu is herkend of gezocht door de autoriteiten. Haar verklaringen over de gestelde observatie door de veiligheidsdienst SEBIN en een (dreigend) arrestatiebevel zijn onvoldoende geconcretiseerd en berusten grotendeels op vermoedens. Ook acht verweerder het niet aannemelijk dat de in Colombia ontvangen dreigbrieven toe te schrijven zijn aan de Venezolaanse autoriteiten of verband houden met haar eerdere politieke activiteiten. Ten aanzien van de politieke activiteiten van eiseres in Nederland stelt verweerder zich op het standpunt dat weliswaar is aangenomen dat zij heeft deelgenomen aan demonstraties, maar dat niet aannemelijk is gemaakt dat de Venezolaanse autoriteiten daarvan op de hoogte zijn geraakt of dat zij hierdoor bij terugkeer in de negatieve belangstelling zal komen te staan.
3. Eiseres kan zich niet verenigen met het bestreden besluit en voert daartegen aan dat het besluit onvoldoende zorgvuldig is voorbereid en ondeugdelijk is gemotiveerd. Verweerder heeft haar zienswijze en de daarin aangehaalde bronnen onvoldoende kenbaar bij de besluitvorming betrokken. Daarnaast heeft verweerder onvoldoende gewicht toegekend aan het geloofwaardig geachte geweld tijdens protesten en de hongerstaking en ten onrechte geoordeeld dat het geweld niet persoonlijk tegen haar was gericht. Ook heeft verweerder haar verklaringen over de observatie door de SEBIN , de dreigingen via haar familieleden, de dreigbrieven die zij in Colombia heeft ontvangen en haar politieke activiteiten in Nederland, onvoldoende meegewogen in de beoordeling. Ook meent eiseres dat verweerder ten onrechte betekenis heeft toegekend aan het tijdsverloop sinds haar vertrek uit Venezuela. Bij terugkeer loopt eiseres een reëel risico op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM.
De rechtbank oordeelt als volgt.
4. Anders dan eiseres stelt, mocht verweerder in het bestreden besluit verwijzen naar het eerder uitgebrachte voornemen, nu dit onderdeel uitmaakt van het bestreden besluit. Niet is gebleken dat verweerder daarmee heeft nagelaten om in te gaan op de door eiseres ingediende zienswijze. Uit het bestreden besluit blijkt dat verweerder de zienswijze kenbaar heeft betrokken bij de besluitvorming en gemotiveerd heeft uiteengezet waarom deze geen aanleiding heeft gegeven tot een ander oordeel. Dat verweerder daarbij heeft vermeld dat het voornemen onderdeel uitmaakt van het bestreden besluit, maakt het besluit niet onzorgvuldig of onvoldoende gemotiveerd. Eiseres heeft daarbij niet aangegeven op welke punten de zienswijze onvoldoende is betrokken bij het besluit. De beroepsgrond slaagt niet.
5. Verweerder heeft terecht geoordeeld dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij bij terugkeer persoonlijk in de negatieve belangstelling van de Venezolaanse autoriteiten staat. Daarbij heeft verweerder terecht gewezen op het tijdsverloop sinds de gebeurtenissen in Venezuela, die zich afspeelden in het tijdvak tot 2015, alsmede dat niet is gebleken dat eiseres tijdens de protesten of de hongerstaking is herkend of gezocht. Ook heeft verweerder er terecht op gewezen dat het tijdens de protesten toegepaste geweld niet specifiek op haar als persoon was gericht maar op de hele groep demonstranten. Verweerder heeft terecht tegengeworpen dat eiseres geen feiten of omstandigheden heeft aangedragen waaruit kan worden afgeleid dat de Venezolaanse autoriteiten tijdens die gebeurtenissen van haar identiteit op de hoogte waren of haar specifiek als opposant hebben aangemerkt. Het enkele feit dat eiseres deel uitmaakte van een groep demonstranten en daarbij is geraakt door rubberkogels, heeft verweerder terecht onvoldoende geacht.
6. Verweerder heeft zich op het standpunt kunnen stellen dat eiseres haar stelling dat zij door de veiligheidsdienst SEBIN werd geobserveerd onvoldoende heeft onderbouwd. De enkele stelling dat SEBIN gebruik maakt van verschillende voertuigen en dat deze kunnen verschillen van kleur, heeft verweerder onvoldoende mogen achten. Verweerder heeft niet ten onrechte overwogen dat de gestelde observatie berust op vermoedens.
7. Ten aanzien van de gestelde benadering van familieleden heeft verweerder terecht tegengeworpen dat eiseres niet consistent heeft verklaard. In het aanvullend gehoor heeft eiseres verklaard dat zij niet weet of zich na haar vertrek nog iets ten aanzien van haar ouders of schoonouders heeft voorgedaan en dat zij dit niet heeft nagevraagd. In de correcties en aanvullingen is vervolgens vermeld dat haar moeder nog een of twee keer een voertuig heeft gezien, terwijl in de zienswijze en beroepsgronden nadrukkelijk wordt gesproken over herhaalde bezoeken en intimidatie. Verweerder heeft deze verschuiving in de verklaringen terecht meegewogen bij de beoordeling van de geloofwaardigheid en de actualiteit van de gestelde dreiging.
8. Verder heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat de dreigbrieven afkomstig zijn van de Venezolaanse autoriteiten. Daarbij is van belang dat de door eiseres overgelegde dreigbrieven geen concrete, op eiseres toegespitste bedreigingen bevatten. Verweerder heeft er terecht op gewezen dat eiseres daarin niet bij naam wordt genoemd en dat niet wordt verwezen naar haar politieke activiteiten voor JAVU of haar functie binnen die beweging. Dat in de brief wordt verwezen naar ‘ [naam] ’, heeft verweerder onvoldoende mogen achten om aan te nemen dat de dreigbrieven afkomstig zijn van de Venezolaanse autoriteiten of daarmee gelieerde groeperingen. Eiseres heeft bovendien verklaard dat zij niet weet wie de brieven heeft opgesteld en kan de herkomst daarvan niet onderbouwen. De aangehaalde algemene bronnen over transnationale repressie kunnen dat individuele verband niet vervangen. Verweerder heeft daar ook bij mogen betrekken dat eiseres na ontvangst van de brieven in 2022 tot haar vertrek uit Colombia in oktober 2023 geen incidenten heeft ondervonden die een structurele, aanhoudende dreiging aannemelijk maken.
9. Verweerder heeft met betrekking tot de politieke activiteiten van eiseres in Nederland terecht overwogen dat deelname aan demonstraties en het doen van online uitingen op zichzelf onvoldoende is om aan te nemen dat de Venezolaanse autoriteiten daarvan kennis hebben genomen en eiseres daardoor bij terugkeer in de negatieve belangstelling zal komen te staan. Daarbij heeft verweerder terecht betrokken dat niet is gebleken van een prominente rol van eiseres bij de oppositie en dat concrete aanwijzingen voor monitoring door de autoriteiten ontbreken.
10. De rechtbank heeft voorts bij haar beoordeling betrokken wat ter zitting is besproken over de recente ontwikkelingen in Venezuela begin januari 2026. Verweerder heeft toegelicht dat uit beschikbare openbare bronnen niet volgt dat deze ontwikkelingen hebben geleid tot een zodanige verslechtering van de positie van (voormalige) oppositieactivisten dat eiseres daardoor alsnog een gegronde vrees heeft voor vervolging of een reëel risico loopt op ernstige schade. Eiseres heeft dit niet met concrete, verifieerbare stukken weerlegd. Verweerder heeft zich daarom terecht op het standpunt gesteld dat deze ontwikkelingen geen aanleiding geven voor een ander oordeel.
11. Gelet op het voorgaande heeft verweerder terecht het standpunt ingenomen dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij bij terugkeer naar Venezuela een gegronde vrees heeft voor vervolging, dan wel een reëel risico op ernstige schade loopt.
12. Voor zover het beroep is gericht tegen het terugkeerbesluit, overweegt de rechtbank dat verweerder bij het nemen daarvan de in artikel 5 van de Terugkeerrichtlijn genoemde belangen heeft betrokken. Uit het bestreden besluit blijkt dat verweerder het gezinsleven en het belang van het minderjarige kind heeft meegewogen en dat niet is gebleken van omstandigheden die het opleggen van een terugkeerbesluit in de weg zouden staan. Daarbij is van belang dat de vader, die zich ook in Nederland bevindt en wiens asielaanvraag ook is afgewezen, eveneens de Venezolaanse nationaliteit heeft. De rechtbank ziet daarom geen grond voor het oordeel dat verweerder deze belangen onvoldoende heeft betrokken.
13. Verweerder heeft de asielaanvraag van eiseres terecht afgewezen als ongegrond. Het beroep is ongegrond.
14. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan op 18 februari 2026 door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Mohandes, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak? Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdelingbestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eensbent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.