RECHTBANK DEN HAAG
[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser
de minister van Asiel en Migratie,
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.39074
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
(gemachtigde: mr. L.J. Meijering),
en
(gemachtigde: mr. W.M.A. van Hoof).
Procesverloop
Eiser heeft op 3 oktober 2018 een asielaanvraag ingediend. Deze aanvraag is afgewezen bij besluit van 12 maart 2020. Deze rechtbank, zittingsplaats Groningen, heeft het tegen dit besluit ingestelde beroep bij uitspraak van 9 april 2021 ongegrond verklaard. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) heeft het tegen de uitspraak ingestelde hoger beroep bij uitspraak van 2 juli 2021 ongegrond verklaard. Het besluit van 12 maart 2020 staat daarmee in rechte vast.
Eiser heeft op 6 oktober 2022 een opvolgende asielaanvraag ingediend. Deze aanvraag is afgewezen bij besluit van 12 augustus 2024. Deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, heeft het tegen dit besluit ingestelde beroep bij uitspraak van 28 oktober 2024 gegrond verklaard en de minister opgedragen een nieuw besluit te nemen op de aanvraag, waarbij rekening moet worden gehouden met de uitspraak.
Bij besluit van 14 augustus 2025 (het bestreden besluit) heeft de minister de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de algemene procedure afgewezen als kennelijk ongegrond en aan eiser een inreisverbod opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
Eiser heeft een reactie op het verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het beroep, samen met het verzoek om voorlopige voorziening NL25.39075, op 5 februari 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen S. Rezaie. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Na afloop van de behandeling van de zaak op de zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 14 augustus 2025;
- draagt de minister op binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag met inachtneming van deze uitspraak;
- veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868,00.
Overwegingen
De rechtbank geeft hiervoor de volgende motivering.
1. Eiser stelt van Iraanse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1993.
Eiser heeft aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd dat hij in het najaar van 2021 atheïst is geworden. Na de dood van Mahsa Amini heeft eiser deelgenomen aan meerdere demonstraties tegen het Iraanse regime. Eiser heeft berichten hierover geplaatst op sociale media. Eiser vreest hierdoor bij terugkeer naar Iran voor zijn leven.
2. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister één asielmotief: deelname aan demonstraties en geplaatste berichten daarover op sociale media.
De minister heeft zich ten aanzien van dit asielmotief op het standpunt gesteld dat dit motief geloofwaardig is, maar dat het niet aannemelijk is dat eiser hierdoor in de negatieve belangstelling van de Iraanse autoriteiten staat. Ook wordt niet aannemelijk geacht dat eiser zijn politieke opvatting bij terugkeer naar Iran zal uiten op een wijze waardoor hij problemen krijgt met de Iraanse autoriteiten. En eiser loopt bij terugkeer geen reëel risico op ernstige schade.
De minister stelt verder dat het asielmotief ‘bekering tot het atheïsme’ in de vorige beroepsprocedure niet ter discussie heeft gestaan en door de rechtbank niet ten onrechte ongeloofwaardig is bevonden. Daarom heeft de minister in het bestreden besluit alleen de geloofwaardig bevonden deelname aan demonstraties en geplaatste berichten op sociale media en de vraag of die leiden tot een gegronde vrees voor vervolging, beoordeeld.
De minister stelt verder ook nog dat eisers identiteit, nationaliteit en herkomst geloofwaardig zijn en niet ter discussie staan.
De minister concludeert dat de asielaanvraag kennelijk ongegrond is.
Gebruik van Case Matcher
3. Eiser betoogt dat de besluitvorming onzorgvuldig is, omdat niet is uitgesloten dat de minister daarbij gebruik heeft gemaakt van Case Matcher en de minister niet vanuit zichzelf transparant is geweest over het gebruik van dit algoritme in deze zaak.
4. De minister heeft in de beroepsprocedure een verklaring overgelegd. In die verklaring staat onder meer: “Ik heb de beschikking op ambtseed opgesteld waarin staat dat er geen AI/casematcher is gebruikt.” En “Ook van de casematcher is geen sprake in deze zaak. Het is niet eens in me opgekomen om überhaupt iets van AI of casematcher toe te passen.” Op zitting heeft de gemachtigde van de minister bevestigd dat de verklaring is opgesteld door de beslismedewerker wiens naam onder zowel het voornemen als het bestreden besluit staat.
5. Eiser heeft in een reactie en op de zitting hiertegen ingebracht dat de naam onder het voornemen en het bestreden besluit niet van de feitelijke beslisambtenaar hoeft te zijn, en dat besluiten door twee beslismedewerkers moeten worden genomen en dat dus niet is uit te sluiten dat Case Matcher door een andere medewerker gebruikt is. Ook staat in het bestreden besluit slechts dat er geen AI-tool is gebruikt en niet dat er geen Case Matcher is gebruikt.
6. De rechtbank ziet in dat wat eiser aanvoert geen reden om te twijfelen aan de duidelijke verklaring van de beslismedewerker, waarin hij of zij expliciet meedeelt geen AI of Case Matcher gebruikt te hebben, omdat de tegenwerpingen daarvoor niet concreet genoeg zijn. Het is daarom niet aannemelijk geworden dat in deze zaak gebruik is gemaakt van Case Matcher. Deze grond slaagt niet.
Bekering tot het atheïsme
7. Eiser voert aan dat de rechtbank in haar uitspraak van 28 oktober 2024 géén uitdrukkelijke overweging aan het asielmotief ‘bekering tot het atheïsme’ heeft gewijd en dit asielmotief daarom nog ter discussie stond.
8. De rechtbank stelt het volgende vast:
In de beschikking van 12 augustus 2024 zijn de volgende asielmotieven vastgesteld:
1. Identiteit, nationaliteit en herkomst zijn geloofwaardig
2. Uw bekering tot atheïsme is niet geloofwaardig
3. Uw deelname aan demonstraties en geplaatste berichten op sociale media
daarover zijn geloofwaardig
De minister heeft de politieke activiteiten van eiser gewogen onder asielmotief 3.
Eiser heeft in de beroepsgronden tegen het bestreden besluit van 12 augustus 2024 onder meer aangevoerd dat hij het niet eens is met de conclusie van de minister dat het asielmotief ‘bekering tot atheïsme’ ongeloofwaardig is. Eiser zegt hierover dat de minister een onjuist toetsingskader hanteert.
9. De rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, heeft in de al eerder genoemde uitspraak van 28 oktober 2024 in overweging 6.1 geoordeeld dat de minister het juiste toetsingskader heeft gebruikt voor de beoordeling van eisers politieke overtuiging. De minister heeft zich op de zitting op het standpunt gesteld dat deze overweging moet zien op de beroepsgrond over het onjuiste toetsingskader met betrekking tot atheïsme. In het beroepschrift was namelijk geen afzonderlijke grond aangevoerd over een onjuist toetsingskader met betrekking tot de politieke overtuiging. In de overweging staat echter politieke overtuiging en niet atheïsme, en uit de verdere tekst van de uitspraak blijkt niet dat het toch over atheïsme gaat. In de uitspraak wordt vervolgens een oordeel gegeven over asielmotief 3 en wordt een deel van de daartegen gerichte gronden gegrond verklaard. Vervolgens heeft de rechtbank geconcludeerd geen aanleiding te zien om de overige beroepsgronden te bespreken.
10. Gelet op het voorgaande oordeelt de rechtbank dat de rechtbank zittingsplaats Amsterdam in de uitspraak van 28 oktober 2024 geen uitdrukkelijk en zonder voorbehoud gegeven oordeel heeft gegeven over eisers asielmotief ‘bekering tot het atheïsme’, terwijl eiser daar wel een beroepsgrond tegen had gericht. De rechtbank ziet zich in dit oordeel gesterkt doordat de rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, het gehele besluit van 12 augustus 2024 heeft vernietigd en geen onderscheid heeft gemaakt tussen de in geschil zijnde asielmotieven.
11. De minister is er daarom ten onrechte van uitgegaan dat de ongeloofwaardig geachte bekering tot het atheïsme met de uitspraak van de rechtbank in rechte vaststond. Eiser heeft in de procedure van het nu ter beoordeling voorliggende bestreden besluit zowel in de zienswijze als in beroep gronden aangevoerd over de bekering tot het atheïsme. De minister heeft daar niet inhoudelijk op gereageerd. Deze beroepsgrond slaagt.
Conclusie en gevolgen
12. Het voorgaande betekent dat het beroep gegrond is. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit. De minister moet dus een nieuw besluit nemen, waarbij (naast asielmotief 3) ook asielmotief 2 als genoemd in de eerdere beschikking van 12 augustus 2024 inhoudelijk moet worden beoordeeld.
13. De rechtbank komt niet toe aan de bespreking van de beroepsgronden van eiser over asielmotief 3 en ook niet aan de beroepsgrond van eiser dat de minister ten onrechte niet is ingegaan op de verslechterde veiligheidssituatie in Iran. Eiser stelt vanwege die verslechtering een reëel risico te lopen om vervolgd te worden of in een met artikel 3 van het EVRM strijdige situatie te geraken. De minister zal in een nieuw te nemen besluit ook daarop nog moeten reageren.
14. Omdat het beroep gegrond is, veroordeelt de rechtbank de minister in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,00 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1). Als aan eiser een toevoeging is verleend, moet de minister de proceskostenvergoeding betalen aan de rechtsbijstandverlener.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 5 februari 2026 door mr. M. van der Knijff, rechter, in aanwezigheid van mr. L.M. Janssens - Kleijn, griffier.
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.
Dit proces-verbaal is bekend gemaakt op: