ECLI:NL:RBDHA:2026:3258

ECLI:NL:RBDHA:2026:3258

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 19-02-2026
Datum publicatie 19-02-2026
Zaaknummer 09-299673-24
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Den Haag

Samenvatting

Jeugdstrafrecht. Korte overschrijding redelijke termijn; er wordt volstaan met een constatering hiervan. Openlijke geweldpleging (art. 141 Sr), waarbij aangevers zijn gestoken. Bijdrage verdachte bestond uit slaan en schoppen. Beroep op noodweer(exces) verworpen. Tul; gedeeltelijke tenuitvoerlegging jeugddetentie en omzetting in een taakstraf.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Meervoudige kamer jeugdstrafzaken

Parketnummers: 09-299673-24 en 09-338171-22 (tul)

Datum uitspraak: 19 februari 2026

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Den Haag in de zaak tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum 1] 2007 te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ),

BPR-adres: [adres] ,

1. Het onderzoek ter terechtzitting

De strafzaak tegen de verdachte is behandeld op de besloten terechtzitting van 5 februari 2026.

De officier van justitie in deze zaak is mr. S. van Dongen en de raadsman van de verdachte is mr. C. Peters te Zaandam. De verdachte is op de terechtzitting verschenen.

2. De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

hij op 11 september 2024 te 's-Gravenhage, althans in Nederland, openlijk, te weten, ter hoogte van de tramhalte aan de Zuidwoldestraat, in elk geval op of aan de openbare weg en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een of meer personen, te weten [aangever 1] , [aangever 2] en/of [aangever 3] , door- die [aangever 1] op/tegen het lichaam te slaan/stompen,- die [aangever 2] met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp in te arm te steken,- die [aangever 3] meermalen met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp in derug en/of in de arm, althans in het bovenlichaam te steken en/of- die [aangever 3] meermalen tegen het lichaam te slaan/stompen en/of op/tegen het lichaam te slaan/schoppen.

3. De bewijsbeslissing

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft namens de verdachte vrijspraak bepleit.

Gebruikte bewijsmiddelen

De rechtbank heeft in de bijlage de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden opgenomen.

Bewijsoverwegingen

De rechtbank stelt voorop dat van het "in vereniging plegen van geweld” sprake is, indien de betrokkene een voldoende significante of wezenlijke bijdrage levert aan het geweld. Deze bijdrage hoeft zelf niet van gewelddadige aard te zijn. De enkele omstandigheid dat iemand aanwezig is in een groep die openlijk geweld pleegt is niet zonder meer voldoende om hem te kunnen aanmerken als iemand die in vereniging geweld pleegt. De rechtbank moet beoordelen of de door de verdachte geleverde – intellectuele en/of materiële – bijdrage aan het delict van voldoende gewicht is.

De rechtbank stelt op basis van de gebruikte bewijsmiddelen vast dat de verdachte en de medeverdachten zich bij de tramhalte bevonden. Op het moment dat de tram tot stilstand kwam en de deuren opengingen, ontstond er direct een gevecht tussen de groep uit de tram en de verdachte en de medeverdachten. Door getuige [getuige] is verklaard dat de verdachte één van de drie personen is die hebben gevochten met de groep uit de tram. Zij heeft verklaard dat alle deelnemers van de vechtpartij elkaar hard hebben geslagen. Ter zitting heeft de verdachte ook zelf verklaard dat hij heeft geschopt en geslagen.

Tijdens de confrontatie zijn de aangevers [aangever 3] en [aangever 2] in de rug en armen gestoken. De verdachte heeft ter zitting verklaard dat de medeverdachte heeft gestoken. De rechtbank kan op basis van het dossier niet vaststellen dat de verdachte degene is geweest die de aangevers heeft gestoken. De verklaringen van de aangevers zijn daarvoor niet voldoende duidelijk en overtuigend, en datzelfde geldt voor het beeldmateriaal waarop de verdachte met een langwerpig voorwerp in zijn handen te zien is. Dat staat er echter niet aan in de weg dat het deelnemen aan de vechtpartij door te slaan en te schoppen op zichzelf al een voldoende significante en wezenlijke bijdrage aan het geweld oplevert, om tot bewezenverklaring van het plegen van openlijk geweld te komen. Dat dat openlijk, in vereniging gepleegde geweld ook het steken van de aangevers (door een medeverdachte) omvatte, volgt uit de bewijsmiddelen.

De rechtbank acht op basis van de gebruikte bewijsmiddelen het ten laste gelegde dan ook wettig en overtuigend bewezen. Ten aanzien van de hierna opgenomen bewijsmiddelen overweegt de rechtbank nog dat foto 6 (p. 220) en foto 7 (p. 221) waarop de verdachte zich herkent in zijn verklaring (p. 212) dezelfde foto’s zijn als afbeeldingen 4 en 5 (p. 313) waarop aangever in zijn verklaring (p. 308) een persoon herkent tegen wie gevochten is.

De bewezenverklaring

De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:

hij op 11 september 2024 te 's-Gravenhage, openlijk, te weten, ter hoogte van de tramhalte aan de Zuidwoldestraat, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen personen, te weten [aangever 1] , [aangever 2] en [aangever 3] , door

- die [aangever 1] op/tegen het lichaam te slaan/stompen,- die [aangever 2] met een mes in de arm te steken,- die [aangever 3] meermalen met een mes in de rug en in de arm te steken en- die [aangever 3] tegen het lichaam te slaan/stompen en op/tegen het lichaam te schoppen.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of typefouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd en gecursiveerd weergegeven, zonder dat de verdachte daardoor in de verdediging is geschaad.

4. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde en van de verdachte

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft subsidiair betoogd dat ontslag van alle rechtsvervolging dient te volgen, omdat de verdachte een geslaagd beroep op noodweer dan wel noodweerexces toekomt. De verdachte is aan zijn haren getrokken en op dat moment ontstond er een situatie waarin de verdachte mocht proberen los te komen door slaande en schoppende bewegingen te maken. De raadsman heeft gesteld dat de handelingen van de verdachte daarmee defensief van aard waren.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat er geen sprake was van een noodweersituatie. Uit de getuigenverklaring volgt dat op het moment dat de tramdeuren opengingen beide groepen met elkaar begonnen te vechten. Gelet daarop is er geen aanleiding om aan te nemen dat er sprake was van een situatie waarin het voor de verdachte nodig was om zichzelf te verdedigen. Het beroep op noodweer(exces) moet daarom worden verworpen.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank stelt voorop dat voor een geslaagd beroep op noodweer vereist is dat sprake is

van een noodzakelijke verdediging tegen een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding van eigen of andermans lijf, eerbaarheid of goed.

De rechtbank is van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat zich een noodweersituatie heeft voorgedaan. Dat zich een situatie heeft voorgedaan waarin voor de verdachte de noodzaak ontstond om zich te verdedigen is door de verdachte pas kort voor de zitting in gesprek met de Raad voor de Kinderbescherming voor het eerst aangevoerd. In het dossier is hier geen steun voor te vinden. De vechtpartij tussen enerzijds de verdachte en medeverdachten, die bij de tramhalte stonden te wachten, en anderzijds de groep in de tram, is direct begonnen toen de deuren van de tram werden geopend. Uit de verklaringen van de getuigen blijkt dat er door alle deelnemers aan de vechtpartij over en weer hard werd geslagen. Nu het feitelijk bestaan van een noodweersituatie niet aannemelijk is geworden, kan het beroep op noodweer dan wel noodweerexces niet slagen. Het verweer van de raadsman wordt verworpen.

Nu geen feiten en omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van het

feit of de verdachte uitsluiten, zijn het feit en de verdachte strafbaar.

5. De op te leggen straf

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte, rekening houdend met een beperkte overschrijding van de redelijke termijn, wordt veroordeeld tot een jeugddetentie voor de duur van 90 dagen, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht. De officier van justitie heeft gevorderd een gedeelte van 70 dagen voorwaardelijk op te leggen met een proeftijd van twee jaren met bijzondere voorwaarden zoals deze door de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) zijn geadviseerd.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft bepleit dat bij de strafoplegging rekening moet worden gehouden met de beperkte overschrijding van de redelijke termijn. Daarnaast wordt verzocht rekening te houden met het feit dat de voorlopige hechtenis van de verdachte in oktober 2024 is geschorst onder voorwaarden en hij zich al die tijd aan de voorwaarden heeft gehouden. Ook wordt verzocht rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte; hij heeft heftige gebeurtenissen meegemaakt en er wordt veel druk op hem wordt gelegd vanuit zijn gezin. Gelet op de volle weekplanning van de verdachte en zijn positieve ontwikkeling in het afgelopen anderhalf jaar, is het opleggen van bijzondere voorwaarden volgens de verdediging niet passend. Gezien de beperkte bijdrage van de verdachte aan het gepleegde geweld wordt verzocht om geen (voorwaardelijke) jeugddetentie op te leggen, maar te volstaan met een (voorwaardelijke) werkstraf.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank houdt bij de strafoplegging rekening met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan uit het rapport van de Raad en tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.

Ernst van het feit De verdachte heeft zich met zijn mededaders schuldig gemaakt aan openlijke geweldpleging. De bijdrage van de verdachte aan het ernstige geweld dat is gepleegd, heeft bestaan uit het slaan en schoppen Door zijn handelen heeft de verdachte op grove wijze inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van de aangevers, waarbij zij pijn en letsel hebben opgelopen. Bij de openlijke geweldpleging zijn messen gebruikt en zijn twee aangevers gestoken, waardoor zij verwondingen hebben opgelopen. Hoewel de verdachte niet degene is geweest die de aangevers heeft gestoken, heeft hij door te slaan en te schoppen een fysieke bijdrage geleverd aan het ernstige geweld dat heeft plaatsgevonden. Daar komt bij dat de openlijke geweldpleging heeft plaatsgevonden op klaarlichte dag bij een tramhalte, waardoor verschillende personen hiervan getuige zijn geweest. Geweld in het openbaar draagt bij aan gevoelens van angst en onveiligheid in de samenleving.

Strafblad

De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 24 december 2025. In het nadeel van de verdachte weegt de rechtbank mee dat hij in maart 2024 is veroordeeld voor soortgelijke feiten. Daarnaast is artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing.

Persoon van de verdachte

De rechtbank heeft kennisgenomen van het rapport van de Raad van 28 januari 2026 en de mondelinge toelichting die daarop door de deskundige ter zitting is gegeven. Daaruit volgt – kort samengevat – dat het zorgelijk is dat de verdachte binnen een half jaar na zijn eerdere veroordeling, opnieuw wordt verdacht van een geweldsfeit. Ingeval van een veroordeling is het belangrijk dat er een delictsanalyse wordt gemaakt om zicht te krijgen op de motieven en de gedachtegang van de verdachte en is het van belang dat er behandeling gericht op emotieregulatie wordt ingezet om soortgelijke situaties in de toekomst te voorkomen. Vanuit het gezin wordt van de verdachte verwacht dat hij zowel de fysieke zorg voor zijn zieke broer draagt als het gezin financieel ondersteunt. De verdachte lijkt hierdoor overvraagd te worden. Daar komt bij dat de verdachte zelfstandig een balans dient te vinden in zijn dagindeling, maar hem dat op dit moment niet lukt. Er is sprake van een hoog (ongeoorloofd) schoolverzuim. Het afgelopen anderhalf jaar is er ook sprake van een positieve ontwikkeling. De verdachte heeft een meer open en transparante houding en heeft in september 2025 de leerstraf So Cool positief afgerond. Gelet daarop zijn de aanvankelijke zorgen die er waren ten tijde van de voorgeleiding bij de raadkamer in september 2024 sterk afgenomen. De verdachte krijgt ook begeleiding vanuit een coach en daar heeft hij een goede band mee. De verdachte heeft baat bij de hulp die door een jeugdreclasseringskader en de coach worden geboden. Het is daarom van belang dat dit wordt voortgezet. Ook is het van belang dat de verdachte wordt ondersteund bij het maken van een weekplanning om meer balans te krijgen in zijn daginvulling. Gelet op de ernst van het ten laste gelegde feit en het feit dat de verdachte binnen een half jaar na zijn veroordeling is gerecidiveerd, wordt een deels voorwaardelijke jeugddetentie geadviseerd, waarbij het onvoorwaardelijke gedeelte gelijk is aan de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. Daarbij wordt geadviseerd om aan het voorwaardelijke deel bijzondere voorwaarden te koppelen, te weten een meldplicht bij de jeugdreclassering, het volgen van onderwijs of een andere goedgekeurde dagbesteding, begeleiding van een coach, meewerken aan een weekplanning, behandeling bij de Waag en een contactverbod met de medeverdachten.

Redelijke termijn

De redelijke termijn waarbinnen een jeugdstrafzaak moet zijn afgedaan is zestien maanden. In deze zaak is die termijn met een aantal weken overschreden. De rechtbank volstaat met deze constatering en past geen strafvermindering toe, omdat er slechts sprake is van een korte overschrijding van de redelijke termijn, die niet zodanig is dat dit vertaald moet worden in een matiging van de straf.

Strafmodaliteit en strafmaat De rechtbank heeft, naast het hiervoor genoemde, ook gekeken naar straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd en de LOVS-oriëntatiepunten voor de straftoemeting voor minderjarigen. Daarin is als uitgangspunt voor openlijke geweldpleging tegen personen opgenomen een taakstraf van 40 uren, dan wel (dienovereenkomstige) jeugddetentie. In dit geval acht de rechtbank strafverhogend dat de verdachte is gerecidiveerd binnen een lopende proeftijd voor soortgelijke feiten en dat de openlijke geweldpleging heeft plaatsgevonden op klaarlichte dag bij een tramhalte, waardoor verschillende personen hiervan getuige zijn geweest. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafoplegging rekening met het feit dat de bijdrage van de verdachte beperkt is gebleven tot het slaan en schoppen en de verdachte niet degene is geweest die de aangevers heeft gestoken. Ook houdt de rechtbank rekening met het feit dat er sprake is van een positieve ontwikkeling en de verdachte al geruime tijd meewerkt aan de schorsingsvoorwaarden. Daarnaast heeft de verdachte veel verantwoordelijkheden vanuit zijn thuissituatie en moet worden voorkomen dat hij wordt overvraagd.

Alles afwegende acht de rechtbank een jeugddetentie voor de duur van 50 dagen, met aftrek van het voorarrest (20 dagen), en waarvan 30 dagen voorwaardelijk, passend en geboden. De voorwaardelijke jeugddetentie zal worden opgelegd, omdat de rechtbank het van belang vindt dat de straf bijdraagt aan voorkoming van nieuwe strafbare feiten. Aan het voorwaardelijke deel van de jeugddetentie zal de rechtbank een proeftijd van twee jaren verbinden en daarbij de bijzondere voorwaarden opleggen die de Raad adviseert.

6. De vordering tot tenuitvoerlegging

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de bij parketnummer 09-338171-22 door de meervoudige kamer van de rechtbank Den Haag op 28 maart 2024 voorwaardelijke opgelegde straf, te weten een jeugddetentie voor de duur van 110 dagen, ten uitvoer wordt gelegd wegens het niet naleven van de algemene voorwaarde. De officier van justitie heeft ter zitting gevorderd dat de voorwaardelijk opgelegde straf voor een deel, te weten 60 dagen jeugddetentie, ten uitvoer wordt gelegd en deze wordt omgezet in een taakstraf in de vorm van een werkstraf voor de duur van 120 uren.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht om de vordering af te wijzen dan wel de proeftijd te verlengen.

Het oordeel van de rechtbank

De verdachte werd bij onherroepelijk geworden vonnis van de meervoudige kamer in deze rechtbank van 28 maart 2024 veroordeeld tot een jeugddetentie. Daarvan werd een gedeelte voorwaardelijk opgelegd. Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de verdachte de algemene voorwaarde niet heeft nageleefd. Hij heeft zich voor het einde van de proeftijd immers wederom schuldig gemaakt aan een soortgelijk feit als waarvoor hij veroordeeld was. De rechtbank zal de vordering van de officier van justitie dan ook gedeeltelijk toewijzen en bepalen dat de voorwaardelijk opgelegde straf voor de duur van 35 dagen jeugddetentie ten uitvoer wordt gelegd en wordt omgezet in een taakstraf in de vorm van een werkstraf van 70 uren.

7. De toepasselijke wetsartikelen

8. De beslissing

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen:

63, 77a, 77g, 77i, 77x, 77y, 77z, 77aa en 141 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.

De rechtbank:

bewezenverklaring

verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, zoals hierboven in paragraaf 3.5 bewezen is verklaard en kwalificeert dit als:

openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen;

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen wat aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd en spreekt hem daarvan vrij;

verklaart het bewezenverklaarde en de verdachte daarvoor strafbaar;

straf

veroordeelt de verdachte tot:

een jeugddetentie voor de duur van 50 (VIJFTIG) DAGEN;

beveelt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht (20 dagen), bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van deze jeugddetentie geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

bepaalt dat een gedeelte van deze jeugddetentie, groot 30 (DERTIG) DAGEN niet ten uitvoer zal worden gelegd als de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op twee jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

en onder de bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:

3. gedurende de proeftijd meewerkt aan de begeleiding/behandeling door (een coach van) E25 of een soortgelijke instelling en zich houdt aan de afspraken die daarbij met hem worden gemaakt;

4. meewerkt aan het maken van een weekplanning en zich houdt aan de afspraken die daarbij met hem worden gemaakt;

5. zich gedurende de proeftijd onder behandeling zal stellen van de Waag of een soortgelijke instelling en zijn medewerking verleent aan de daaruit voortvloeiende afspraken, voor zover de jeugdreclassering dit noodzakelijk acht;

6. gedurende de proeftijd op geen enkele wijze – direct of indirect en ook niet via sociale media – contact zal opnemen, zoeken of hebben met

- [naam 1] , geboren op [geboortedatum 2] 2008;

- [naam 2] , geboren op [geboortedatum 3] 2006;

zolang de jeugdreclassering dit noodzakelijk acht;

geeft opdracht aan William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering te Amsterdam, een gecertificeerde instelling die jeugdreclassering uitvoert om toezicht te houden op de naleving van voormelde voorwaarde(n) en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;

voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:

- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen

aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld

in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

- zijn medewerking zal verlenen aan het door de jeugdreclassering te houden

toezicht, bedoeld in artikel 77aa, eerste tot en met het vierde lid, van het Wetboek

van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de

jeugdreclassering, zo vaak en zo lang als de jeugdreclassering dit noodzakelijk acht,

daaronder begrepen.

de vordering tenuitvoerlegging

gelast de gedeeltelijke tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde jeugddetentie voor de duur van 35 dagen, opgelegd bij voormeld vonnis van 28 maart 2024 in de zaak met parketnummer 09-338171-22, in die zin dat van die straf een gedeelte, te weten 35 dagen jeugddetentie, ten uitvoer wordt gelegd en wordt omgezet in een taakstraf in de vorm van een werkstraf van 70 (ZEVENTIG) uren;

wijst de vordering tot tenuitvoerlegging voor het overige af;

het bevel tot voorlopige hechtenis

heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de veroordeelde.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. T.P. Sarneel, kinderrechter, voorzitter,

mr. A.P. Pereira Horta, kinderrechter,

en mr. N.B. Haverhoek, kinderrechter,

in tegenwoordigheid van mr. L.B.M.A. Roozen, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 19 februari 2026.

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. L.B.M.A. Roozen

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?