RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , eiser,
de minister van Asiel en Migratie, verweerder,
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.6292
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. S. Faber),
en
(gemachtigde: [gemachtigde] ).
Procesverloop
Verweerder heeft op 27 november 2025 aan eiser de maatregel van bewaring opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd.
Eiser heeft hierop gereageerd.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft en het onderzoek op 12 februari 2026 gesloten.
Overwegingen
1. Eiser stelt te zijn geboren op [datum] 1997 en de Egyptische nationaliteit te hebben.
2. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring en het voortduren daarvan al eerder heeft getoetst. Uit deze uitspraken van deze rechtbank en zittingsplaats volgt dat de maatregel van bewaring en het voortduren daarvan tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag heeft gelegen rechtmatig was. Daarom staat nu, voor zover dat in beroep wordt aangevochten, ter beoordeling of sinds 12 januari 2026 het voortduren van de maatregel van bewaring rechtmatig is.
4. Eiser voert aan dat het zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn naar Egypte ontbreekt. Hiertoe voert hij aan dat de Egyptische autoriteiten nog steeds niet hebben gereageerd op de LP-aanvraag, ondanks dat verweerder meermaals rappelleert. Eiser heeft eerder in vreemdelingenbewaring gezeten en toen was het ook niet gelukt om hem uit te zetten.
5. De rechtbank is van oordeel dat er geen aanknopingspunten zijn dat het zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn ten aanzien van Egypte in het algemeen, of in het bijzonder van eiser, is komen te ontbreken. Zoals in de uitspraak van het vorige vervolgberoep is opgemerkt, rust op eiser de verplichting om voldoende medewerking te verlenen aan zijn terugkeer. Uit het verslag van het vertrekgesprek van 3 februari 2026 blijkt dat eiser niet terug wil naar Egypte en zijn paspoort niet bij een vriend van hem wil opvragen die in Spanje verblijft. Hiermee frustreert eiser de voortgang van zijn uitzetting en kan daarom niet enkel worden gesteld dat de Egyptische autoriteiten geen medewerking willen verlenen. Een paspoort kan namelijk helpen om de uitzetting te bespoedigen. Gelet hierop is de duur van de LP-aanvraag en daarmee de huidige duur van zijn bewaring volledig aan eiser toe te rekenen.
6. Verder leidt ook de ambtshalve toetsing niet tot het oordeel dat het voortduren van de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was.
7. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
verklaart het beroep ongegrond; en
wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan op 19 februari 2026 door mr. M.L. Weerkamp, rechter, in aanwezigheid van R. Ben Sellam, griffier, en openbaar gemaakt door middel van een geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.