RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen
[naam 1], verzoekster,
de minister van Asiel en Migratie, de minister
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.57410
V-nummer: [nummer 1],
mede namens haar minderjarige kind:
[naam 2] ,
V-nummer: [nummer 2]
(gemachtigde: mr. C.T.W. van Dijk),
en
(gemachtigde: mr. R.M. Koning).
Procesverloop
1. Met het bestreden besluit van 18 november 2025 heeft de minister de opvolgende asielaanvraag van verzoekster afgewezen als kennelijk ongegrond. Daarbij is het eerder aan haar opgelegde terugkeerbesluit herhaald. Verzoekster heeft hiertegen beroep ingesteld en heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 11 februari 2026 op zitting behandeld, samen met het beroep. Hieraan hebben deelgenomen: verzoekster, mr. M.E. Buijsse als waarnemer van verzoeksters gemachtigde, een tolk en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
2. Bij uitspraak van vandaag heeft de rechtbank uitspraak gedaan op het samenhangende beroep van verzoekster, en dat beroep ongegrond verklaard. Een voorlopige voorziening is daarom niet meer nodig. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om die reden af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.D. Overmars, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van A.J. van Bruggen, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudononimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.