ECLI:NL:RBDHA:2026:3276

ECLI:NL:RBDHA:2026:3276

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 19-02-2026
Datum publicatie 19-02-2026
Zaaknummer 25/219
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Groningen

Samenvatting

Beroep tegen niet tijdig beslissen niet-ontvankelijk. Beroep tegen inhoudelijke besluit niet-ontvankelijk. Geen gunstiger rechtspositie. Chavez-Vilchez verblijfsrecht, verblijfsrecht op grond van artikel 8 EVRM. Verzoek om schadevergoeding.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 februari 2026 in de zaak tussen

[naam] , eiseres,

de minister van Asiel en Migratie

Samenvatting

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 25/219

V-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. R.A. Binnendijk),

en

(gemachtigde: mr. J.R. Sotthewes-de Jonge).

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiseres voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) voor verblijf als familie- of gezinslid van haar partner. Eiseres is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Zij vindt ook dat zij recht heeft op een schadevergoeding vanwege de lange duur van de procedure. Eiseres voert een aantal beroepsgronden aan. Volgens de minister heeft eiseres geen procesbelang bij de beoordeling van het beroep. Mede aan de hand van wat partijen hebben aangevoerd beoordeelt de rechtbank het beroep.

De rechtbank komt tot het oordeel dat het beroep niet-ontvankelijk is. Het verzoek om schadevergoeding wijst de rechtbank af. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiseres heeft op 11 juli 2023 een aanvraag ingediend voor een mvv, in de procedure Toegang en Verblijf (TEV), met als doel verblijf bij haar partner. De minister heeft deze aanvraag in het besluit van 24 mei 2024 afgewezen. Eiseres heeft op 18 juni 2024 bezwaar gemaakt tegen dit besluit.

3. Eiseres heeft de minister op 14 december 2024 in gebreke gesteld wegens het niet tijdig beslissen op haar bezwaar. Eiseres heeft vervolgens op 4 januari 2025 beroep ingesteld wegens het niet tijdig beslissen op het bezwaar. Zij heeft hierbij ook verzocht om schadevergoeding in verband met het niet tijdig beslissen. Dit beroep staat geregistreerd onder het nummer 25/219.

4. Op 18 februari 2025 heeft de minister alsnog op het bezwaar van eiseres beslist. De minister is in dit besluit bij de afwijzing van de aanvraag van eiseres gebleven.

5. Het beroep van 4 januari 2025 ziet, op grond van artikel 6:20, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), ook op het alsnog genomen besluit op bezwaar van 18 februari 2025.

6. De minister heeft op 15 mei 2025 een aanvullend besluit genomen.

7. De minister heeft een verweerschrift ingediend en eiseres heeft op het verweerschrift gereageerd.

8. De rechtbank heeft het beroep op 17 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van de minister. Ook de partner van eiseres is verschenen.

Beoordeling door de rechtbank

Het bestreden besluit

9. De minister heeft in het besluit op bezwaar van 18 februari 2025 de afwijzing van de mvv-aanvraag van eiseres voor een verblijfsvergunning voor verblijf bij partner gehandhaafd. Anders dan ten tijde van het besluit van 24 mei 2024 acht de minister de relatie tussen eiseres en haar partner nu voldoende aangetoond, maar volgens de minister voldoet eiseres niet aan het inburgeringsvereiste. Verder is de afwijzing van de mvv-aanvraag volgens de minister niet in strijd met het recht op familie- en gezinsleven als bedoeld in artikel 8 van het Verdrag ter bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

De minister heeft verder in het besluit op bezwaar van 18 februari 2025 aangegeven dat is gebleken dat eiseres de ouder is van een minderjarig kind met inmiddels de Nederlandse nationaliteit en dat hij heeft vastgesteld dat eiseres daarom rechtmatig in Nederland mag verblijven op grond van het arrest Chavez-Vilchez van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJEU).

Daarnaast heeft de minister in het besluit op bezwaar van 18 februari 2025 geconcludeerd dat eiseres een geldige ingebrekestelling heeft ingediend, omdat de minister niet tijdig heeft beslist op het bezwaar van eiseres, maar dat hij eiseres geen dwangsom hoeft te betalen.

In het aanvullende besluit van 15 mei 2025 heeft de minister geconcludeerd dat eiseres, anders dan in het besluit op bezwaar van 18 februari 2025 is aangegeven, wel recht heeft op een dwangsom.

Heeft eiseres procesbelang?

10. De minister heeft zich op het standpunt gesteld dat eiseres geen belang meer heeft bij haar beroep. De minister heeft inmiddels alsnog een besluit genomen. Ook bij een inhoudelijke beoordeling van het besluit op bezwaar van 18 februari 2025 heeft eiseres volgens de minister geen belang, omdat zij met de door haar gewenste verblijfsvergunning voor verblijf bij partner namelijk niet een duurzamer verblijfsrecht en een eerdere mogelijkheid tot naturalisatie kan krijgen dan met het verblijfsrecht dat zij op grond van het arrest Chavez-Vilchez al heeft. De minister verwijst in dit verband naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 7 februari 2025.

11. Eiseres betwist dat zij geen procesbelang heeft. Zij stelt dat zij belang heeft bij de vernietiging van het besluit 18 februari 2025, omdat zij een verblijfsvergunning met een duurzaam toekomstperspectief wenst. Een verblijfsrecht op grond van het arrest Chavez-Vilchez is een precair en afhankelijk verblijfsrecht. Verder stelt eiseres dat zij belang houdt bij statusherstel volgens het reguliere gezinsherenigingsbeleid. Toelating op grond van het arrest Chavez-Vilchez is volgens eiseres geen vorm van rechtsherstel in situaties waarin eerder in strijd met rechten op grond van het recht van de Europese Unie of het EVRM is gehandeld.

12. De rechtbank ziet zich geplaatst voor de vraag of er nog sprake is van procesbelang. De rechtbank is van oordeel dat eiseres geen belang meer heeft bij een beoordeling van haar beroep, voor zover dat is gericht tegen het niet tijdig beslissen op haar bezwaar tegen het besluit van 24 mei 2024. De minister heeft immers met het besluit op het bezwaar van 18 februari 2025 alsnog op het bezwaar beslist. Dit besluit is aangevuld op

15 mei 2025. Nu de minister eerst na het instellen van het beroep met het bestreden besluit en met het daaropvolgende aanvullend besluit tegemoetgekomen is aan het beroep tegen het niet tijdig beslissen en de beoordeling van de daaraan gekoppelde dwangsom bestaat er wel reden voor een proceskostenveroordeling.

13. Ten aanzien van de vraag of eiseres nog belang heeft bij de inhoudelijke beoordeling van haar aanvraag van een mvv op grond van artikel 8 EVRM overweegt de rechtbank als volgt. Uit vaste rechtspraak van de hoogste Nederlandse vreemdelingenrechter blijkt dat er in beginsel procesbelang bestaat als de te verlenen verblijfsvergunning andere rechtgevolgen heeft dan de al verleende verblijfsvergunning én de vreemdeling daardoor in een gunstigere rechtspositie zou kunnen komen. De rechtbank moet daarom beoordelen of eiseres op basis van een reguliere verblijfsvergunning op grond van artikel 8 van het EVRM in een voordeliger positie terecht komt dan op grond van het verblijfsrecht dat eiseres heeft op grond van artikel 20 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) naar aanleiding van het arrest Chavez-Vilchez.

Vaststaat dat, tegelijk met de afwijzing van de verblijfsvergunning regulier, door de minister in het bestreden besluit is erkend dat eiseres een afgeleid Chavez-Vilchez verblijfsrecht heeft. Eiseres heeft daarmee rechtmatig verblijf in Nederland. Op grond van dit rechtmatig verblijf kan zij hier haar familie- en gezinsleven uitoefenen, ook met haar partner. Een aparte of andere verblijfsvergunning is daarvoor niet nodig. De rechtbank is daarom van oordeel dat eiseres geen belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van de beroepsgronden gericht tegen de afwijzing van de reguliere verblijfsvergunning, omdat zij daarmee niet in een gunstigere rechtspositie kan komen dan waar zij zich vanaf het bestreden besluit in bevonden heeft. De door eiseres aangevoerde gronden leiden niet tot een ander oordeel.

Het Hof van Justitie heeft in het arrest E.K. tegen Nederlandoverwogen dat het afgeleide verblijfsrecht op grond van het arrest Chavez-Vilchez niet langer als ‘uitsluitend om redenen van tijdelijke aard’ in de zin van de Richtlijn langdurig ingezetenen heeft te gelden. Dit betekent dat een Chavez-Vilchez verblijfsrecht, net als een zelfstandig verblijfsrecht op grond van artikel 8 van het EVRM, kan meetellen voor het verkrijgen van duurzaam, voortgezet verblijf in Nederland op grond van de Verblijfsrichtlijn. De rechtbank overweegt dan ook dat een regulier verblijfsrecht op grond van artikel 8 van het EVRM niet langer als een sterker verblijfsrecht dan een Chavez-Vilchez verblijfsrecht kan worden aangemerkt en dat eiseres met een al dan niet ambtshalve omzetting naar een regulier verblijfsrecht niet in een gunstigere rechtspositie zal komen dan zij nu al heeft.

Voor zover eiseres op de zitting heeft gesteld dat zij nog belang heeft bij een oordeel over haar beroep, omdat zij met een verblijfsvergunning voor verblijf bij partner op grond van artikel 8 EVRM eerder in aanmerking komt voor naturalisatie, volgt de rechtbank haar niet. Uit artikel 8 van de Rijkswet op het Nederlanderschap volgt, voor zover hier van belang, dat de vraag wanneer eiseres, als partner dan wel als echtgenote van iemand met de Nederlandse nationaliteit, in aanmerking kan komen voor naturalisatie afhankelijk is van de duur van de rechtmatige samenwoning in Nederland met deze partner, dan wel echtgenoot, en niet van de vraag of eiseres een vergunning heeft die enkel en alleen bedoeld is voor verblijf bij die partner of echtgenoot. Een verblijfsvergunning specifiek voor verblijf bij de partner is niet vereist. Ook uit deze beroepsgrond volgt niet dat alsnog procesbelang aangenomen dient te worden.

Voor zover eiseres heeft gesteld dat zij belang houdt bij statusherstel volgens het reguliere gezinsherenigingsbeleid overweegt de rechtbank dat eiseres deze beroepsgrond niet heeft onderbouwd. Zij heeft desgevraagd op de zitting deze beroepsgrond ook niet nader toegelicht. De beroepsgrond slaagt daarom niet.

Eiseres heeft daarnaast verzocht om (immateriële) schadevergoeding, omdat de procedure zo lang heeft geduurd. Namens eiseres is aangevoerd dat er emotionele en psychische schade is ontstaan en dat de echtgenoot van eiseres (tijdelijk) is gestopt met werken. De rechtbank overweegt als volgt. Als een betrokkene stelt schade te hebben geleden ten gevolge van de bestuurlijke besluitvorming, kan er procesbelang bestaan. Daartoe is vereist dat tot op zekere hoogte aannemelijk wordt gemaakt dat de gestelde schade daadwerkelijk als gevolg van deze bestuurlijke besluitvorming is geleden. De rechtbank overweegt dat eiseres niet tot op zekere hoogte aannemelijk heeft gemaakt dat zij schade heeft geleden als gevolg van de aanvankelijke weigering van de minister om haar een mvv te verlenen. Eiseres heeft niet uitgelegd waar de gestelde emotionele en psychische schade uit bestaat. Ook zijn deze stellingen niet onderbouwd met stukken. Het verzoek om schadevergoeding leidt daarom niet tot de conclusie dat er sprake is van procesbelang.

De gronden van eiseres leiden niet tot de conclusie dat er sprake is van procesbelang. De rechtbank zal het inhoudelijke beroep daarom niet-ontvankelijk verklaren.

Overschrijding redelijke termijn

14. Voor zover eiseres heeft bedoeld te verzoeken om schadevergoeding in verband met overschrijding van de redelijke termijn overweegt de rechtbank als volgt. De behandeling van zaken als deze, waarin van een bezwaar- en beroepstermijn sprake is, mag maximaal twee jaar in beslag nemen. Daarbij is een termijn van zes maanden voor de behandeling van het bezwaar en een termijn van anderhalf jaar voor de behandeling van het beroep redelijk. De te beoordelen periode vangt aan met de datum waarop het bezwaarschrift is ingediend en loopt door tot de datum waarop de rechtbank in eerste aanleg uitspraak heeft gedaan. De minister heeft het bezwaarschrift op 18 juni 2024 ontvangen. Dat betekent dat de redelijke termijn vanaf dat moment is gaan lopen en dat daarmee de redelijke termijn niet is overschreden.

Conclusie en gevolgen

15. De rechtbank concludeert als volgt. Eiseres heeft geen belang meer bij een beoordeling van het beroep, voor zover dit is gericht tegen het niet tijdig beslissen op haar bezwaar. Het beroep is in zoverre niet-ontvankelijk. Ook het beroep van eiseres, voor zover gericht tegen het besluit op bezwaar van 18 februari 2025 en het aanvullend besluit van

15 mei 2025, is niet-ontvankelijk wegens het ontbreken van procesbelang. Dit betekent dat het beroep niet inhoudelijk wordt beoordeeld.

Het verzoek om schadevergoeding komt niet voor toewijzing in aanmerking. De rechtbank wijst dit verzoek af. Eiseres krijgt dus geen schadevergoeding.

Omdat eiseres wel terecht beroep heeft ingediend, zoals is overwogen onder punt 12, krijgt zij wel een vergoeding van haar proceskosten. Deze vergoeding bedraagt voor verleende rechtsbijstand € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt het verschijnen op de zitting, met een waarde per punt van € 934,-). Gelet op het voorgaande moet de minister ook het door eiseres betaalde griffierecht van

€ 187,- aan haar vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep, voor zover gericht tegen het niet tijdig beslissen op het bezwaar tegen het besluit van 24 mei 2024, niet-ontvankelijk;

- verklaart het beroep, voor zover gericht tegen het op bezwaar van 18 februari 2025 en het aanvullend besluit van 15 mei 2025, niet-ontvankelijk;

- veroordeelt de minister in de proceskosten van eiseres van € 1.868,-;

- bepaalt dat de minister het griffierecht van € 187,- aan eiseres vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H. Hanssen - Telman, in aanwezigheid van

mr. M.J.C. ten Hoopen, griffier, en openbaar gemaakt door gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.

De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?