RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer 17 februari 2026 in de zaak tussen
[eiser], v-nummer: [nummer], eiser
de minister van Asiel en Migratie,
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.5288
(gemachtigde: mr. D. Matadien),
en
(gemachtigde: mr. A.N. Sap).
Procesverloop
Bij besluit van 22 januari 2026 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd.
Deze maatregel is op 29 januari 2026 opgeheven in verband met de overdracht van eiser.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 10 februari 2026 op zitting behandeld. Verschenen zijn: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.
Overwegingen
1. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van de Vw 2000 kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.
Is de staandehouding rechtmatig?
2. Eiser voert aan dat de staandehouding onrechtmatig is gebeurd. Eiser betoogt dat uit het informatie- en vertrekdossier van Dienst Terugkeer en Vertrek (DT&V) niet blijkt dat er sprake zou zijn van een vermoeden van illegaal verblijf. Verder was de buiten behandelingstelling van de asielaanvraag niet bekend voor eiser, waardoor hij ook niet wist dat hij terug moest keren naar Duitsland. Eiser heeft bovendien aangegeven dat hij wil meewerken aan zijn overdracht. De motivering van de staandehouding kan geen stand houden.
Deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank ziet geen aanleiding om te oordelen dat de staandehouding onrechtmatig is gebeurd. Uit het proces-verbaal van staandehouding volgt dat eiser op 22 januari 2026 om 07:10 uur staande is gehouden op grond van artikel 50a, eerste lid, van de Vw 2000. De staandehouding had een vreemdelingrechtelijke aanleiding. Uit het proces-verbaal volgt dat uit het vertrekdossier van DT&V bleek dat eiser rechtmatig in Nederland verbleef, maar onvoldoende medewerking had verleend aan de overdracht naar Duitsland. Verder staat in het vertrekdossier een foto van eiser. Het vertrekdossier is niet opgenomen in het bewaringsdossier. De rechtbank ziet geen aanleiding om aan het op ambtseed opgemaakte proces-verbaal te twijfelen. Eiser heeft ook geen concrete aanknopingspunten aangedragen op grond waarvan getwijfeld zou moeten worden aan de inhoud van het proces-verbaal, dan wel de inhoud van het vertrekdossier. Ook uit het gehoor van eiser blijkt op geen enkele wijze dat de in het proces-verbaal neergelegde informatie uit het vertrekdossier onjuist zou zijn. Verder is enkel het stellen mee te willen werken onvoldoende. Niet is gebleken dat eiser daadwerkelijk acties heeft ondernomen om een overdracht aan Duitsland mogelijk te maken. In het gehoor verklaart eiser bovendien ook dat hij liever niet terug wil keren naar Duitsland.
Kunnen de gronden van de maatregel dragen?
3. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de maatregel nodig is, omdat een concreet aanknopingspunt bestaat voor een overdracht als bedoeld in de Dublinverordening en een significant risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. De minister heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, tweede, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb 2000), als zware gronden vermeld dat eiser:3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;3e. in verband met zijn aanvraag om toelating onjuiste of tegenstrijdige gegevens heeft verstrekt over zijn identiteit, nationaliteit of de reis naar Nederland of een andere lidstaat;3k. een overdrachtsbesluit heeft ontvangen en geen medewerking verleent aan de overdracht aan de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielverzoek;en als lichte gronden vermeld dat eiser:4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb 2000 heeft gehouden;4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
Eiser heeft alle gronden betwist. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister de zware grond 3a terecht tegengeworpen, omdat deze feitelijk juist is. Zoals de minister stelt heeft eiser geen reisdocumenten overgelegd waaruit blijkt dat hij legaal Nederland is ingereisd. In het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling heeft eiser bevestigd dat hij zonder geldige reisdocumenten Nederland is ingereisd. Dat eiser – zoals hij aanvoert – in Nederland is in de hoedanigheid van een asielzoeker doet daaraan niet af. Eiser dient zich immers beschikbaar te houden in Duitsland voor de behandeling van zijn asielverzoek. Ook de zware grond 3e is feitelijk juist en mocht daarom worden tegengeworpen. Uit informatie van de Duitse autoriteiten blijkt dat eiser in Duitsland geregistreerd staat onder andere gegevens dan in Nederland. Eiser heeft verder geen documenten overgelegd waarmee hij zijn identiteit en nationaliteit kan aantonen. Voor de zware gronden 3a en 3e is voldoende dat zij feitelijk juist zijn. Deze gronden kunnen de maatregel van bewaring samen dragen. De feitelijk juistheid van deze gronden, maakt dat het risico op onttrekking kan worden aangenomen. Daarom slaagt het beroep op het arrest Jawo niet. Wat eiser verder heeft aangevoerd kan daar niet aan afdoen en behoeft daarom geen bespreking.
Heeft de minister voortvarend gehandeld?
4. Eiser voert aan dat de minister onvoldoende voortvarend heeft gehandeld. Aangezien het een geplande overdracht was, heeft de maatregel te lang geduurd.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister voldoende voortvarend gehandeld. De maximumtermijn van een maatregel op grond van artikel 59a van de Vw 2000 is vastgesteld op zes weken waarbinnen de overdracht van een in bewaring gehouden persoon moet worden uitgevoerd. De minister heeft hieraan ruimschoots voldaan. Eiser is op 22 januari 2026 in bewaring gesteld en is op 29 januari 2026 overgedragen aan Duitsland. Verder heeft de minister op 26januari 2026 akkoord gekregen van het Openbaar Ministerie om eiser over te dragen en heeft de minister op 28 januari 2026 een vertrekgesprek gevoerd met eiser.
Ontbreekt het lichter middel?
5. Eiser voert aan dat de minister een lichter middel had kunnen opleggen. Eiser verbleef namelijk in een asielzoekerscentrum (AZC) en wilde meewerken aan zijn overdracht. De minister had eiser dus vanaf het AZC kunnen overdragen aan de Duitse autoriteiten. Door eiser in bewaring te stellen is onvoldoende rekening gehouden met zijn medische omstandigheden. Bovendien is de keuze om eiser in bewaring te stellen onvoldoende gemotiveerd. Hierbij verwijst eiser naar het arrest van het Hof van Justitie van 5 juni 2014.
Deze beroepsgrond slaagt niet. De minister stelt zich, gelet op de onbetwiste gronden die aan de maatregel van bewaring ten grondslag zijn gelegd, terecht op het standpunt dat sprake is van een onttrekkingsrisico. Verder ziet de rechtbank in wat eiser aanvoert geen reden te oordelen dat andere afdoende, maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. De stelling van eiser dat een lichter middel opgelegd had moeten worden, doet niet af aan het onttrekkingsrisico. Hierbij heeft de minister mogen betrekken dat eiser nadat hij het overdrachtsbesluit had ontvangen onvoldoende medewerking heeft verleend aan de feitelijke overdracht. Zo heeft eiser geen concrete handelingen verricht om zijn overdracht te bewerkstelligen. Ook heeft eiser in het vertrekgesprek van 15 januari 2026 verklaard dat hij niet naar Duitsland wil gaan. Dat de minister onvoldoende rekening heeft gehouden met eisers medische omstandigheden, wordt niet gevolgd. In de maatregel van bewaring heeft de minister voldoende gemotiveerd dat er geen medische omstandigheden aanwezig zijn die de inbewaringstelling kunnen belemmeren. Bovendien kan worden gesteld dat de medische zorgverlening binnen detentie- en uitzetcentra gelijkwaardig is aan de gezondheidszorg in de vrije maatschappij. Dat is gehandeld in strijd met het arrest Mahdi volgt de rechtbank daarom niet. De minister heeft immers de feitelijke elementen van het concrete geval bekeken en terecht gemotiveerd dat er geen lichter middel opgelegd had hoeven worden.
Leidt ambtshalve toetsing tot onrechtmatigheid van de maatregel van bewaring?
6. De rechtbank ziet in de door de minister en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M.C. Schuurman-Kleijberg, rechter, in aanwezigheid van mr. N. El-Amrani, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.