RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser],
de minister van Asiel en Migratie, verweerder,
Zittingsplaats Roermond
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.62751
geboren op [geboortedatum] 1990, Marokkaanse nationaliteit,
V-nummer: [V-nummer],
eiser,
(gemachtigde: mr. N. den Ouden),
en
(gemachtigde: mr. S.H.F. Pols).
Procesverloop
Verweerder heeft eiser op 21 december 2025 in bewaring gesteld op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
Eiser heeft beroep ingesteld tegen de oplegging van de bewaringsmaatregel en verzocht om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 30 december 2025 op zitting behandeld. Eiser heeft door middel van een door hem ondertekende afstandsverklaring afstand gedaan van het recht om in persoon over zijn vrijheidsontnemende maatregel gehoord te worden. De gemachtigde van eiser is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
79 Volgens de rechtspraak van het Hof verplicht artikel 8, lid 1, van richtlijn 2008/115 de lidstaten ertoe om, wanneer een terugkeerbesluit is uitgevaardigd tegen een onderdaan van een derde land maar deze niet aan de terugkeerverplichting heeft voldaan, ongeacht of dat het geval is binnen de voor vrijwillig vertrek toegestane termijn dan wel of geen termijn daarvoor is toegekend, teneinde de doeltreffendheid van de terugkeerprocedures te verzekeren, de nodige maatregelen te nemen voor de verwijdering van de betrokkene, namelijk diens fysieke verwijdering uit die lidstaat volgens artikel 3, punt 5, van die richtlijn (arrest van 23 april 2015, Zaizoune, C‑38/14, EU:C:2015:260, punt 33).
80 Voorts zij eraan herinnerd dat de lidstaten, zoals volgt uit zowel hun loyaliteitsplicht als de vereisten van doeltreffendheid die met name in overweging 4 van richtlijn 2008/115 in herinnering worden gebracht, zo spoedig mogelijk moeten voldoen aan de hun bij artikel 8 van die richtlijn opgelegde verplichting om bedoelde onderdaan in de in lid 1 van dat artikel genoemde gevallen te verwijderen (arrest van 23 april 2015, Zaizoune, C‑38/14, EU:C:2015:260, punt 34).
1. Eiser is in Nederland geboren, heeft de Marokkaanse nationaliteit en is thans 35 jaar. Eiser had vanaf zijn geboorte rechtmatig verblijf. Bij beschikking van 1 december 2017 heeft verweerder de verblijfsvergunning van eiser met ingang van 10 december 2013 ingetrokken vanwege -kort gezegd- veroordelingen voor door eiser gepleegde misdrijven. Deze meeromvattende beschikking omvat een terugkeerbesluit dat gepaard gaat met een inreisverbod met een duur van twee jaar.
2. Eiser heeft in maart 2021 om uitstel van vertrek op grond van artikel 64 Vw verzocht, welk verzoek door verweerder is afgewezen op 27 september 2021. De rechtbank, zittingsplaats Den Haag, heeft bij uitspraak van 8 oktober 2024 het beroep tegen het besluit van 29 februari 2024, waarin verweerder de afwijzing van 27 september 2021 heeft gehandhaafd, ongegrond verklaard. Het besluit van 29 februari 2024 omvat de mededeling dat het eerder vastgestelde terugkeerbesluit en inreisverbod van kracht blijven. Deze uitspraak staat in rechte vast.
3. Eiser heeft op 29 februari 2024 een aanvraag voor een vergunning voor verblijf bij familie en gezin gedaan. Deze aanvraag is bij besluit van 26 april 2024 niet in behandeling genomen en in dit besluit is ook gewezen op de terugkeerbesluit dat is vastgesteld op 1 december 2017 en het daarbij gepaard gaande inreisverbod met een duur van twee jaar. Eiser heeft geen bezwaar gemaakt tegen dit besluit, zodat dit besluit in rechte vast staat.
4. Eiser is op 24 oktober 2025 in strafrechtelijke detentie geplaatst in verband met de voorlopige hechtenis en verdere tenuitvoerlegging van een door de politierechter Den Haag op 14 november 2025 opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf van twee maanden. De M122, waarin is vermeld dat eiser na zijn ontslag uit strafrechtelijke detentie wordt overgedragen aan de vreemdelingenketen, is gedateerd op 30 oktober 2025. De einddatum van de strafrechtelijke detentie was op dat moment bepaald op 23 december 2025 en bekend bij verweerder en bij eiser. Uiteindelijk is eiser twee dagen voor deze einddatum van de strafrechtelijke detentie overgedragen aan de vreemdelingenketen. Eiser heeft in een vertrekgesprek bij herhaling gevraagd waarom hij eerder aan de vreemdelingenketen werd overgedragen maar heeft geen antwoord gekregen, ondanks dat eiser deze vraag terecht heeft gesteld en ook recht heeft op deze informatie omdat het in zijn belang is om te weten of alle gevangenisstraffen volledig zijn ‘getuld’ en om te weten wat de grondslag van zijn vrijheidsontneming is.
5. Eiser is op 21 december 2025, na overname uit de strafrechtketen, opgehouden en aansluitend in bewaring gesteld om de terugkeer naar Marokko voor te bereiden en uit te voeren.
6. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.
Verweerder heeft als zware gronden vermeld dat eiser:3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer;en als lichte gronden vermeld dat eiser:4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
7. Uit de zogenoemde aanbiedingsbrief van verweerder van 28 december 2025 blijkt dat op 24 december 2025 een vertrekgesprek heeft plaatsgevonden. Tevens is op 24 december 2025 de LP-aanvraag ingevuld en verzonden naar de DIA. Niet is vermeld wanneer de DIA de LP-aanvraag zal verzenden of heeft verzonden aan de Marokkaanse autoriteiten. Ten tijde van de aanbiedingsbrief was dit nog niet geschied. Verweerder heeft daags voor de behandeling van het beroep ter zitting stukken aan het dossier toegevoegd waaruit blijkt dat op 27 november 2025, 19 december 2025 en 25 december 2025 ook vertrekgesprekken hebben plaatsgevonden.
8. In het verslag van het vertrekgesprek dat op 27 november 2025 heeft plaatsgevonden is onder meer vermeld dat met eiser is gesproken in het kader van zijn terugkeer, dat DT&V het terugkeerbesluit moet uitvoeren en dat eiser weet dat hij niet in Nederland kan blijven en naar Marokko moet vertrekken. Tevens heeft de regievoerder blijkens dit verslag aan eiser medegedeeld dat er nog geen LP-procedure voor Marokko loopt en dat de regievoerder die wel zal gaan opstarten na dit gesprek. Aan eiser is uitgelegd dat “de einddatum niet heel ver in de toekomst ligt” en “dat een LP-aanvraag meestal iets langer duurt en hij/zij daarom verwacht dat het over de einddatum van eiser zal gaan”.
9. Eiser stelt zich op het standpunt dat de maatregel moet worden opgeheven. Verweerder heeft zijn inspanningsplicht gedurende de strafrechtelijke detentie geschonden en de daarom te verrichten belangenafweging moet in het belang van eiser uitvallen. Eiser betwist tevens zware grond 3d en lichte gronden 4c en 4d. Eiser stelt tevens dat verweerder onvoldoende grondig heeft onderzocht en gemotiveerd waarom niet kon worden volstaan met de oplegging van een lichter middel. Eiser heeft daarbij gewezen op de omstandigheid dat hij in Nederland is geboren, met psychische problematiek kampt en in het DTC onvoldoende ondersteuning hiervoor zal ontvangen. Eiser heeft op 24 december 2025 om uitstel van vertrek op grond van artikel 64 Vw verzocht en heeft zijn patiëntendossier uit de PI Ter Apel en het DTC aan die aanvraag ten grondslag gelegd en tevens in de onderhavige bewaringsprocedure overgelegd. Eiser heeft tevens gesteld dat hij, indien een lichter middel wordt opgelegd, kan verblijven bij een vriend. Eiser heeft in beroep een mail van deze vriend overgelegd waaruit dit blijkt en heeft ook de adresgegevens en het BSN-nummer van deze vriend kenbaar gemaakt. Ter zitting is op vragen van de rechtbank door gemachtigde van eiser uitdrukkelijk en zonder enig voorbehoud medegedeeld dat eiser toestemming geeft aan verweerder en aan BMA om contact op te nemen met de inrichtingartsen van PI Ter Apel en het DTC Rotterdam om zodoende zo spoedig mogelijk een besluit op de aanvraag om uitstel van vertrek kan worden genomen.
10. De rechtbank zal de maatregel opheffen en eiser in vrijheid stellen en motiveert dit als volgt.
11. Verweerder heeft ter zitting verwezen naar de vaste Afdelingsjurisprudentie over “de inspanningsplicht”. De rechtbank is bekend met deze Afdelingsjurisprudentie waaruit -kort gezegd- volgt dat indien verweerder de inspanningsplicht tijdens de strafrechtelijke detentie schendt, hieraan geen zelfstandige betekenis toekomt maar een belangenafweging moet worden verricht. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat verweerder deze inspanningsverplichting heeft geschonden en dat er gelet op de concrete feiten en omstandigheden van deze procedure geen ruimte is om een belangenafweging te verrichten maar deze schending de opgelegde maatregel direct onrechtmatig maakt en de maatregel dus moet worden opgeheven.
12. In paragraaf A5/6.12 Vc is bepaald dat het moet worden voorkomen dat vreemdelingen na hun strafrechtelijke detentie in bewaring worden gesteld.
13. De rechtbank overweegt dat “de Vc” niet het toetsingskader is voor de rechtmatigheid van de bewaringsmaatregel. Dit nationale beleid waarin is bepaald dat voorkomen moet worden dat een vreemdeling na strafrechtelijke detentie in vreemdelingenbewaring wordt gesteld, is bovendien onvoldoende waarborg dat wordt voldaan aan het Unierechtelijke vereiste dat de bewaring zo kort mogelijk duurt. Eiser is in bewaring gesteld om de terugkeer naar Marokko voor te bereiden en/of uit te voeren. De grondslag voor deze maatregel is artikel 15 van richtlijn 2008/115. De bewaringsmaatregel en de rechtmatigheidsvereisten hiervan zijn dus neergelegd in het Unierecht en voor zover het nationaalrechtelijke beleid en/of de rechtspraak hiermee in strijd, dan wel niet geheel te verenigen zijn, dient de rechtbank het Unierecht toe te passen en de nationale regelgeving, beleid en rechtspraak buiten toepassing te laten.
14. De Afdeling heeft aan haar rechtspraak over de inspanningsplicht en de gevolgen als deze is geschonden, onder meer ten grondslag gelegd dat pas met het opleggen van een bewaringsmaatregel, verweerder ter voorkoming dat deze vrijheidsontneming onredelijk lang voortduurt, gehouden is voldoende voortvarend te handelen (zie bijvoorbeeld ECLI:NL:RVS:2008:BG9516, ECLI:NL:RVS:2008:BG9518, ECLI:NL:RVS:2009:BI1541). De Afdeling neemt verder blijkens haar uitspraak van bijvoorbeeld 23 januari 2009 tot uitgangspunt dat “indien de vreemdeling, die niet of niet langer rechtmatig verblijf heeft, niet heeft voldaan aan zijn vertrekplicht, ontstaat voor de staatssecretaris de bevoegdheid tot uitzetting van die vreemdeling. Met betrekking tot vreemdelingen die geen rechtmatig verblijf hebben en zich in strafrechtelijke detentie bevinden is aan deze bevoegdheid invulling gegeven in voormeld beleid neergelegd in paragraaf A6/5.3.7.1 van de Vc 2000 (rechtbank: inmiddels paragraaf A5/6.12 Vc). Bij het niet voldoen aan de in dat beleid neergelegde inspanningsverplichting is steeds ruimte voor een belangenafweging.”
(ECLI:NL:RVS:2009:BH1548). De Afdeling hanteert vooralsnog deze motivering (zie bijvoorbeeld ECLI:NL:RVS:2023:2631, ECLI:NL:RVS:2022:1322, ECLI:NL:RVS:2020:764, ECLI:NL:RVS:2019:3663).
15. De rechtbank is het met deze beide uitgangspunten niet eens en meent dat deze uitgangspunten onverenigbaar zijn met artikel 15, eerste lid, van richtlijn 2008/115, gelezen in samenhang met artikel 6 van het Handvest. De Afdeling heeft in haar jurisprudentie ook bij herhaling overwogen dat een inspanningsplicht alleen aan de orde is als er een einddatum van de vrijheidsontneming op strafrechtelijke titel is (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 14 mei 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2131). De rechtbank is het ook met dit uitgangspunt in de Afdelingsjurisprudentie niet eens.
16. De rechtbank overweegt allereerst dat het uitzetten van eiser geen bevoegdheid van verweerder is maar een Unierechtelijke verplichting. Dat voortvarend werken aan de voorbereiding en uitvoering van de verwijderingsprocedure een rechtmatigheidsvoorwaarde voor de bewaringsmaatregel is en deze maatregel onrechtmatig is indien na opleggen en tijdens het voortduren van de maatregel onvoldoende voortvarend wordt gewerkt, betekent niet dat verweerder tot aan het opleggen van een bewaringsmaatregel een afwachtende houding kan innemen en passief kan blijven totdat de betreffende vreemdeling in beeld komt door bijvoorbeeld vanuit de strafrechtketen te worden overgedragen. Het betekent evenmin dat verweerder gedurende de strafrechtelijke detentie van een vreemdeling kan volstaan met het verrichten van enige inspanningen om de terugkeerprocedure voor te bereiden en pas na oplegging van de maatregel voortvarend(er) aan de terugkeer moet werken.
16. De verplichting voor verweerder om eiser te verwijderen is namelijk reeds ontstaan op het moment dat de terugkeerverplichting in rechte vast is komen te staan en duidelijk is dat eiser niet uit eigen beweging terugkeert. Verweerder dient vanaf het moment dat voor verweerder de verplichting om een illegaal verblijvende vreemdeling te verwijderen ontstaat, deze gehele terugkeerprocedure voortvarend te werken aan het voorbereiden en uitvoeren van de verwijdering. De verplichting om voortvarend te handelen ontstaat dus niet pas op het moment dat de maatregel ter fine van de verwijdering wordt opgelegd, maar op het moment dat de terugkeerverplichting ontstaat. Dat het onvoldoende voortvarend handelen tijdens de bewaring onmiddellijk tot opheffing van de maatregel leidt, betekent dan ook niet dat de terugkeerprocedure totdat er een bewaringsmaatregel wordt opgelegd een bevoegdheid is die al dan niet kan worden aangewend met een intensiteit die op dat moment gelegen komt.
18. Dat het verwijderen van een illegaal op het grondgebied verblijvende vreemdeling een Unierechtelijke verplichting is en geen bevoegdheid en deze verwijdering bovendien voortvarend moet worden uitgevoerd volgt uit richtlijn 2008/115, zoals verduidelijkt in onder meer het arrest TQ van 14 januari 2021 (arrest van het Hof van 14 januari 2021 in de zaak TQ tegen de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, C-441/19, ECLI:EU:C:2021:9), waarin het Hof onder meer het navolgende heeft overwogen:
(…)
(…)
De rechtbank verwijst in dit verband naar de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 2 januari 2026 (ECLI:NL:RBDHA:2026:29), waarin de rechtbank ook heeft overwogen dat de verwijdering van een derdelander een verplichting en geen bevoegdheid voor verweerder is zodra de terugkeerverplichting in rechte is komen vast te staan en de derdelander niet vrijwillig voldoet aan zijn verplichting om het grondgebied van de Unie te verlaten.
19. Het moment dat de terugkeerverplichting in rechte vaststaat is het moment dat de verplichting voor verweerder om de vreemdeling te verwijderen ontstaat. Aan eiser is in het meest recente terugkeerbesluit van 26 april 2024 geen termijn voor vrijwillig vertrek verleend. De rechtbank, zittingsplaats Den Haag, heeft bij uitspraak van 8 oktober 2024 het beroep tegen het besluit van 29 februari 2024, ongegrond verklaard.
20. Verweerder is dus vanaf 8 oktober 2024 verplicht om eiser te verwijderen en daarbij voortvarend te handelen. Eiser beschikt niet over documenten die zijn vereist om te kunnen terugkeren naar Marokko. Verweerder wéét dus dat hij een vervangend reisdocument bij de Marokkaanse autoriteiten moet aanvragen om aan zijn Unierechtelijke verplichting om eiser voortvarend te verwijderen te kunnen voldoen. Verweerder gaat er doorgaans van uit dat het moment waarop een LP moet worden aangevraagd pas ontstaat als de betreffende vreemdeling in bewaring wordt gesteld. Dit uitgangspunt is onjuist.
21. Indien concrete feiten en omstandigheden in de weg staan aan het voorbereiden en uitvoeren van de verwijdering, dient hier vanzelfsprekend rekening mee te worden gehouden bij het bepalen van de gevolgen voor de uiteindelijk opgelegde bewaringsmaatregel. Indien de vreemdeling met onbekende bestemming is vertrokken en/of het bijvoorbeeld noodzakelijk is om de vreemdeling in persoon te presenteren, dan wel zijn vingerafdrukken te voegen bij een LP-aanvraag, kan van verweerder minder worden verwacht bij het verrichten van vertrekhandelingen in het geval de vreemdeling niet ter beschikking van verweerder staat om mee te werken aan zijn vertrek. Indien de vreemdeling echter in strafrechtelijke detentie is geplaatst en dus in de macht van de autoriteiten is, is de vreemdeling ook beschikbaar voor vertrekhandelingen en zelfs ook beschikbaar voor het feitelijk vertrek.
22. Op grond van de Afdelingsjurisprudentie heeft verweerder tijdens de direct aan de maatregel voorafgaande strafrechtelijke detentie een zogenoemde inspanningsplicht. Voor zover dit begrip wordt gehanteerd om duidelijk te maken dat minder inspanningen zijn vereist gedurende deze detentie of dat het niet voldoen aan dit vereiste in elke procedure ten aanzien van elke vreemdeling uitsluitend een belangenafweging hoeft te worden verricht, volgt de rechtbank dit niet. Verweerder dient in elke fase van de terugkeerprocedure voortvarend te handelen en – in beginsel- dezelfde mate van inspanningen te verrichten om de terugkeer voor te bereiden en uit te voeren. Het moment dat een vreemdeling in strafrechtelijke detentie wordt geplaatst is daarom evenmin het moment waarop verweerder pas hoeft te starten met het verrichten van inspanningen om de illegaal verblijvende vreemdeling te verwijderen.
23. In artikel 15, eerste lid, van richtlijn 2008/115 is bepaald dat de bewaring zo kort mogelijk duurt. De vereisten in richtlijn 2008/115 zien uitsluitend op illegaal verblijvende derdelanders en artikel 15, eerste lid, van deze richtlijn ziet uitsluitend op bewaring van illegaal verblijvende derdelanders en niet op bewaring op andere grondslagen of op strafrechtelijke detentie. Dat de vreemdelingenbewaring niet alleen een ultimum remedium is, maar steeds zo kort mogelijk moet duren zijn evenwel algemene uitgangspunten. De verplichtingen die uit deze algemene uitgangspunten voortvloeien strekken zich daarom ook uit over de fase die voorafgaat aan de bewaringsmaatregel die strekt ter uitvoering van een terugkeerbesluit.
24. Verweerder dient zich bij het uitvoeren van de terugkeerprocedure te realiseren dat, zoals het Hof onder meer in haar arrest C.B.X van 8 november 2022 (gevoegde zaken C‑704/20 en C‑39/21, ECLI:EU:C:2022:858) heeft benadrukt en in haar arresten Bouskoura van 4 oktober 2024 (C-378/24 PPU, ECLI:EU:C:2024:868) en Adrar van 4 september 2025 (C-313/25 PPU, ECLI:EU:C:2025:647), onder verwijzing naar het arrest C.B.X. heeft herhaald, elke bewaring van een onderdaan van een derde land krachtens richtlijn 2008/115 in het kader van een terugkeerprocedure ten gevolge van illegaal verblijf een ernstige inmenging vormt op het in artikel 6 van het Handvest neergelegde recht op vrijheid van de betrokkene (…) en dat gelet op de ernst van deze inmenging in het in artikel 6 van het Handvest vastgelegde recht op vrijheid en rekening houdend met het belang van dat recht, de bevoegdheid van de bevoegde nationale autoriteiten om een derdelander in bewaring te stellen strikt is afgebakend en een bewaringsmaatregel derhalve alleen kan worden bevolen of verlengd met inachtneming van algemene en abstracte regels waarin de voorwaarden en de wijze van toepassing ervan zijn vastgelegd. Indien verweerder kan voorkomen dat een bewaringsmaatregel moet worden opgelegd om het terugkeerbesluit te effectueren, dient verweerder daarvoor dan ook zorg te dragen.
25. Verweerder heeft enkele dagen nadat eiser in bewaring is gesteld een LP-aanvraag naar de DIA verzonden, waarna de DIA doorgaans ook nog enkele dagen gebruikt om deze LP-aanvraag naar de Marokkaanse autoriteiten te verzenden. Indien verweerder met het aanvragen van een LP wacht totdat verweerder een bewaringsmaatregel oplegt om de terugkeer te verzekeren, heeft dit onvermijdelijk gevolgen voor de duur van de terugkeerprocedure en voor de duur van de bewaring.
26. Indien verweerder vanaf het moment dat hij verplicht is om de vreemdeling te verwijderen, niet aan zijn Unierechtelijke verplichting om de verwijdering voortvarend ter hand te nemen voldoet, betekent dit niet dat dit zonder meer aan het opleggen en handhaven van de maatregel in de weg staat en betekent dit ook niet dat de vreemdeling nimmer meer in bewaring kan worden gesteld om het eerder vastgestelde terugkeerbesluit te effectueren. Verweerder zal wel moeten motiveren waarom het nog proportioneel is om een maatregel op te leggen als er sprake is van tijdsverloop tussen het ontstaan van de terugkeerverplichting en het opleggen van de maatregel en hij in die periode geen of weinig vertrekhandelingen heeft verricht.
27. De Afdeling heeft in haar uitspraak van 14 mei 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:2131) het navolgende overwogen:
(…)
1(…)Het is aan de minister om zich ervoor in te spannen dat de bewaring zo kort mogelijk duurt. De door appellant bestreden overweging van de rechtbank wekt ten onrechte de indruk dat niet de feitelijke invulling van die inspanningsverplichting, maar een vergelijking met het resultaat in de hypothetische situatie dat de minister wel aan haar inspanningsverplichting had voldaan, van belang is voor de uitkomst van de belangenafweging.(…)
De rechtbank leidt uit deze overweging af dat de Afdeling ook vindt dat de beoordeling of het onvoldoende voortvarend handelen voorafgaand aan opleggen van de maatregel de rechtmatigheid van de maatregel regardeert, maatwerk vereist.
28. Verweerder dient niet alleen de vertrekhandelingen die tijdens de strafrechtelijke detentie worden verricht maar ook het moment van het aanvragen van een LP dus te baseren op de feiten en omstandigheden van de concrete terugkeerprocedure. Verweerder heeft in de onderhavige procedure niet gemotiveerd waarom niet aanstonds na het komen vast te staan van de terugkeerverplichting een LP is aangevraagd. Verweerder heeft niet aangegeven dat een presentatie in persoon van eiser bij de Marokkaanse autoriteiten een voorwaarde is voor afgifte van een LP. Uit het dossier en de toelichting ter zitting blijkt evenmin dat eiser zich nadat de terugkeerplicht in rechte is komen vast te staan op 8 oktober 2024 aan het toezicht heeft onttrokken. Verweerder heeft ook niet gemotiveerd dat hij een meldplicht aan eiser heeft opgelegd en heeft dat dus kennelijk niet nodig geacht om toezicht op eiser uit te oefenen.
29. Het moment van het aanvragen van een LP is niet alleen ten onrechte gekoppeld aan de situatie van een inbewaringstelling, maar kan ook niet worden gekoppeld aan de aanvang van een strafrechtelijke detentie. Gelet op de concrete feiten en omstandigheden in deze procedure en al het voorgaande, is niet deugdelijk gemotiveerd waarom niet (véél) eerder een LP is aangevraagd. Op het moment dat de terugkeerverplichting is ontstaan, had verweerder een aanvang moeten maken met de terugkeerprocedure. Indien verweerder dit zou hebben gedaan, zou aanstonds duidelijk zijn dat eiser niet uit eigen beweging zal terugkeren, dat hij geen Marokkaans paspoort heeft en dat hij dat ook niet gaat aanvragen.
30. Voor het geval het dossier onvolledig is en eiser enige tijd niet beschikbaar zou zijn geweest voor de terugkeer, stelt de rechtbank vast dat verweerder door de gevangenisstraf die eiser heeft ondergaan direct voorafgaand aan oplegging van de maatregel, nagenoeg twee maanden beschikbaar is geweest om medewerking aan de terugkeerprocedure te verlenen. Voor het geval verweerder een vertrekgesprek wilde voeren voorafgaande aan het aanvragen van een LP of voor het geval verweerder afhankelijk is van de medewerking van eiser, wat verweerder overigens niet heeft onderbouwd, valt niet in te zien waarom verweerder niet aanstonds na aanvang van de strafrechtelijke detentie een LP heeft aangevraagd bij de Marokkaanse autoriteiten.
31. Verweerder heeft twee vertrekgesprekken met eiser gevoerd in de periode dat eiser strafrechtelijk was gedetineerd. De rechtbank kwalificeert deze twee gesprekken als ‘vertrekhandelingen’. Deze vertrekgesprekken kunnen evenwel op zich zelf bezien niet leiden tot het daadwerkelijk vertrek omdat daarvoor een LP nodig is. Daargelaten dat een LP bij aanvang van de terugkeerprocedure reeds had moeten worden verkregen, betekent het niet onmiddellijk aanvragen als eiser strafrechtelijk gedetineerd en dus beschikbaar voor zijn verwijdering is, dat dit nalaten onmiskenbaar zorgt voor een langere duur van de bewaring. Verweerder weet uit de andere procedures wat de gemiddelde duur van een LP-traject is en weet dus ook dat indien de rechtbank deze maatregel niet zou opheffen, de verkrijging van een LP de tenuitvoerlegging van de maatregel verlengt.
32. In de rechtspraak wordt doorgaans overwogen dat het aanvragen van een LP niet hoeft te geschieden tijdens de voorafgaande strafrechtelijke detentie en dat ook volstaan kan worden met het verrichten van ‘inspanningen’ omdat nog niet zeker is dat een maatregel zal worden opgelegd. De rechtbank overweegt echter dat ook indien na overname uit de strafrechtketen wordt besloten om geen maatregel op te leggen, een LP nodig zal zijn om een vreemdeling die niet uit eigen beweging voldoet aan zijn terugkeerverplichting en die niet over documenten voor grensoverschrijding beschikt te kunnen verwijderen. Niet valt dan ook in te zien waarom het moment van het aanvragen van een LP wordt gekoppeld aan een beslissing tot inbewaringstelling.
33. De rechtbank overweegt dat het verzoeken om afgifte van een LP daarentegen niet zonder meer kan plaatsvinden als een asielaanvraag is afgewezen of indien er een nadere refoulementbeoordeling op grond van artikel 5 van richtlijn 2008/115 moet plaatsvinden. De rechtbank is bekend met de Afdelingsuitspraken van 19 november 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:5547 en ECLI:NL:RVS:2025:5548). De rechtbank overweegt dat het aanvragen van een LP niet in alle gevallen als toelaatbaar kan worden geacht als er geen rechtelijke controle van het terugkeerbesluit of de uitvoerbaarheid daarvan heeft plaatsgevonden. Indien de Nederlandse autoriteiten een LP aanvragen zal namelijk voor de aangezochte autoriteiten van een derde land duidelijk zijn dat de terugkeer vanuit een gedwongen kader zal plaatsvinden. De betreffende onderdaan wendt zich in een dergelijke situatie immers niet zelf tot de autoriteiten om een paspoort of ander identiteitsdocument waarmee zelfstandig kan worden teruggekeerd te verkrijgen. Ook de beoordeling of een LP kan worden aangevraagd en of daartoe reeds persoonsgegevens kunnen worden verstrekt vereist dus maatwerk om te kunnen verzekeren dat het beginsel van non-refoulement te allen tijde wordt geëerbiedigd. De rechtbank acht het overigens opmerkelijk dat verweerder in die procedures zich op het standpunt heeft gesteld dat het niet kunnen aanvragen van een LP en het niet kunnen presenteren in de weg staan aan het voeren van een efficiënt terugkeerbesluit en dit daarom zou moeten worden toegestaan, terwijl in procedures als de onderhavige waarin de vreemdeling geen asielaanvraag heeft gedaan, geen vertrekhandelingen worden verricht vanaf het moment dat dit is verplicht en met het vragen van een LP wordt gewacht totdat de bewaringsmaatregel wordt opgelegd.
34. De rechtbank overweegt dat in de onderhavige procedure geen nadere beoordeling van het refoulementrisico nodig is en het beginsel van non-refoulement niet in de weg staat aan de uitvoering van het terugkeerbesluit. Eiser is in Nederland geboren en is dus niet op enig moment uit het land waarvan hij de nationaliteit heeft gevlucht. Uit de verklaringen die eiser heeft afgelegd en uit de beroepsgronden, de toelichting hierop ter zitting, de overige stukken uit het dossier en de algemene situatie in Marokko blijkens geen indicaties voor een refoulementrisico. Het beginsel van non-refoulement heeft ook niet in de weg gestaan aan het eerder kunnen aanvragen van een LP.
35. Verweerder zal voorts bij de uitvoering van het terugkeerbesluit en dus ook bij het in bewaring stellen om die uitvoering te verzekeren, moeten nagaan of de in artikel 5 van richtlijn 2008/115 genoemde belangen in de weg staan aan die uitvoering. De aanvraag om uitstel van vertrek op grond van artikel 64 Vw is ingediend na oplegging van de maatregel en levert geen rechtmatig verblijf op. De enkele aanvraag is dus geen reden om tot opheffing van de maatregel over te gaan. Verweerder heeft toegelicht dat deze aanvraag gelet op de inbewaringstelling met voorrang wordt behandeld en dit volgt ook zo uit het beleid. De medische situatie van eiser staat niet aan het aanvragen van een LP in de weg. De medische situatie is recent beoordeeld en indien sprake is van gewijzigde medische omstandigheden zal een actuele beoordeling moeten plaatsvinden of deze omstandigheden aan de feitelijke verwijdering in de weg staan. De rechtbank overweegt dat hier vooralsnog geen sprake van is. Uit de overgelegde medische stukken blijkt van dezelfde medische en psychische problematiek en hieruit voortvloeiende klachten die zijn beoordeeld en de recente “artikel 64 Vw-procedure”.
36. De rechtbank heeft verweerder ter zitting gevraagd waarom niet voorafgaand aan de strafrechtelijke detentie om afgifte van een LP is gevraagd en waarom niet meteen nadat een aanvang is gemaakt met de strafrechtelijke detentie een LP is aangevraagd omdat eiser in ieder geval vanaf dat moment beschikbaar is voor de voorbereiding van de terugkeer. Uit de M122 en de inhoud van de vertrekgesprekken die tijdens de strafrechtelijke detentie zijn gevoerd valt op te maken dat de terugkeerprocedure ter hand is genomen en de LP-aanvraag is de belangrijkste vertrekhandeling die verweerder moet verrichten in de terugkeerprocedure van eiser. Verweerder heeft in antwoord op vragen van de rechtbank niet alleen verwezen naar de vaste Afdelingsjurisprudentie, maar ook aangegeven dat er geen LP is aangevraagd tijdens de strafrechtelijke detentie omdat moet worden voorkomen dat een LP wordt verkregen voordat de einddatum van de detentie is bereikt. De rechtbank begrijpt dit niet en ziet hierin geen aanvaardbare verklaring om te wachten met de LP-aanvraag totdat de maatregel is opgelegd. Daargelaten dat verweerder ook weet dat de terugkeerprocedures naar Marokko en met name de afgifte van een LP doorgaans meer dan twee maanden tijd vergt, valt niet in te zien waarom niet ook verzocht zou kunnen worden om de afgifte van een LP waarvan de geldigheid aanvangt op de einddatum van de strafrechtelijke detentie. Een LP heeft doorgaans ook een zekere geldigheidsduur. Bovenal heeft te gelden dat een strafrechtelijke detentie niet in alle gevallen in de weg hoeft te staan aan de uitvoering van een terugkeerbesluit. In hoofdstuk 5a van de “Regeling tijdelijk verlaten van de inrichting” is de strafonderbreking van vreemdelingen zonder rechtmatig verblijf in Nederland geregeld en in artikel 40a zijn hiervoor de voorwaarden opgenomen. De gemachtigde van eiser heeft ter zitting terecht gewezen op de mogelijkheid om om strafonderbreking te verzoeken. In het weinig waarschijnlijke geval dat wanneer verweerder de LP van eiser aanstonds na aanvang van de strafrechtelijke detentie op 24 oktober 2025 had aangevraagd, de Marokkaanse autoriteiten deze voordat op 21 december 2025 de maatregel is opgelegd zouden hebben verstrekt, had eiser kunnen worden gewezen op de mogelijkheid om om strafonderbreking te verzoeken. In het geval dat eiser naar Marokko zou terugkeren voor 21 december 2025, zou verweerder meer in overeenstemming met zijn Unierechtelijke verplichting hebben gehandeld om het terugkeerbesluit spoedig uit te voeren en meer indachtig zijn eigen beleid hebben gehandeld om zoveel mogelijk te voorkomen dat een inbewaringstelling volgt op een strafrechtelijke detentie.
37. De rechtbank overweegt dat verweerder onvoldoende voortvarend aan de terugkeer van eiser heeft gewerkt voorafgaand aan oplegging van de maatregel en dat gelet op de concrete feiten en omstandigheden in deze procedure er geen ruimte is voor een belangenafweging. Verweerder is vanaf het moment dat de terugkeerverplichting in rechte is komen vast te staan op grond van het Unierecht verplicht om eiser zo spoedig mogelijk te verwijderen en gelet op de proceshouding van eiser is het noodzakelijk dat verweerder een LP van de Marokkaanse autoriteiten verkrijgt. Verweerder heeft geen feiten en omstandigheden aangedragen die rechtvaardigen dat de terugkeerprocedure niet ter hand is genomen voordat eiser in strafrechtelijke detentie is geplaatst en verweerder heeft geen feiten en omstandigheden aangedragen die rechtvaardigen dat verweerder voorafgaand aan de inbewaringstelling geen LP heeft aangevraagd, terwijl eiser 24/7 beschikbaar is geweest om mee te werken aan zijn vertrek.
38. Zoals hiervoor overwogen staat het onvoldoende voortvarend handelen aan de verwijdering voorafgaand aan de oplegging van de bewaringsmaatregel niet absoluut in de weg aan het in bewaring nemen om het eerder vastgestelde terugkeerbesluit uit te voeren. Verweerder zal dan wel goed moeten motiveren dat een bewaringsmaatregel proportioneel is als hij, zoals is in de onderhavige procedure, in de nagenoeg twee maanden dat eiser in strafrechtelijke detentie is geplaatst, zijn vertrekhandelingen heeft beperkt tot het voeren van twee vertrekgesprekken. Om het terugkeerbesluit uit te kunnen voeren is namelijk in het geval van eiser een LP van de Marokkaanse autoriteiten noodzakelijk. Indien om de afgifte van een LP was verzocht voordat eiser in bewaring was gesteld, zou dit de duur van de tenuitvoerlegging van de maatregel hebben verkort. De bewaring moet zo kort mogelijk duren. Dit is een algemene regeling en betekent niet dat de maatregel alleen onrechtmatig is als vanaf de oplegging van de maatregel onvoldoende voortvarend aan de verwijdering van eiser wordt gehandeld.
39. Indien na oplegging van de maatregel onvoldoende voortvarend aan de verwijdering wordt gewerkt, is de maatregel onrechtmatig en bestaat geen ruimte voor een belangenafweging. Indien voorafgaand aan de oplegging van de maatregel onvoldoende voortvarend aan de verwijdering is gewerkt, is maatwerk vereist en zal op basis van de concrete feiten en omstandigheden gedurende de gehele terugkeerprocedure die aanvangt op het moment dat de terugkeerplicht in rechte komt vast te staan, moeten worden beoordeeld of er ruimte is voor een belangenafweging of dat de maatregel direct als onrechtmatig moet worden gekwalificeerd.
40. Dit onderscheid is van belang omdat een belangenafweging wegens die wordt verricht vanwege schending van “de inspanningsplicht tijdens de strafrechtelijke detentie” doorgaans niet in voordeel van de vreemdeling uitvalt. Verweerder stelt zich bij dergelijke belangenafwegingen steevast op het standpunt dat indien de betreffende vreemdeling justitiële documentatie heeft, hierin een belang bestaat voor ‘de samenleving’ om de verwijdering uit te voeren en ter fine daarvan de vreemdeling in bewaring te kunnen houden. In procedures waarin de inspanningsplicht tijdens de strafrechtelijke vrijheidsontneming moet worden betrokken bij de rechtmatigheidsbeoordeling van de bewaringsmaatregel is echter altijd de situatie aan de orde dat sprake is van justitiële documentatie. Bij een dergelijke belangenafweging is er dus altijd een belang dat verweerder kan aandragen dat doorgaans bepalend is voor de uitkomst van die afweging.
41. De rechtbank overweegt derhalve – in afwijking van de Afdelingsjurisprudentie – dat in de onderhavige procedure geen ruimte is voor een belangenafweging. De bewaring is alleen rechtmatig als deze zo kort mogelijk duurt. Artikel 8 van richtlijn 2008/115 bepaalt dat de lidstaten gehouden zijn om het terugkeerbesluit uit te voeren en artikel 15 van richtlijn 2008/115 regelt specifiek de mogelijkheid tot het opleggen van de bewaringsmaatregel om de terugkeer voor te bereiden en uit te voeren en de voorwaarden hiervoor. In het onderhavige geval stelt de rechtbank vast dat verweerder onvoldoende voortvarend aan de verwijdering van eiser heeft gewerkt voordat hij de bewaringsmaatregel heeft opgelegd. Verweerder heeft niet gemotiveerd dat het opleggen van de maatregel gelet hierop proportioneel is. Omdat eiser nagenoeg twee maanden in strafrechtelijke detentie is gehouden en eiser al die tijd beschikbaar was voor medewerking aan zijn vertrek en het feitelijke vertrek vanuit strafrechtelijke detentie als de LP per ommegaande was verkregen met toepassing van de strafonderbrekingsregeling ook had kunnen plaatsvinden, had verweerder gedurende deze fase van vrijheidsontneming een LP moeten aanvragen. Nu verweerder dit niet heeft gedaan en verweerder hiervoor geen genoegzame verklaring geeft, is er geen ruimte voor een belangenafweging en is de opgelegde bewaringsmaatregel van aanvang af onrechtmatig omdat door het niet eerder dan na oplegging van de maatregel aanvragen van een LP de bewaring niet zo kort mogelijk duurt.
42. De gemachtigde van eiser heeft tevens aangegeven vernomen te hebben dat ten behoeve van gedwongen terugkeer van in Nederland geboren Marokkaanse onderdanen geen LP’s verstrekt worden. Verweerder heeft ter zitting aangegeven dit beeld niet te herkennen en geen gegevens hierover te kunnen verschaffen. Omdat de rechtbank reeds gelet op het bovenstaande tot de conclusie komt dat de maatregel moet worden opgeheven, zal de rechtbank verweerder niet opdragen om deze gegevens te verschaffen ten behoeve van de rechtmatigheidsbeoordeling van de in deze procedure te toetsen maatregel.
43. Omdat de maatregel reeds van aanvang af onrechtmatig is omdat verweerder voorafgaand aan de oplegging van de maatregel onvoldoende voortvarend aan de verwijdering heeft gewerkt en de bewaring daarom niet zo kort mogelijk duurt, acht de rechtbank het niet nodig om de andere beroepsgronden en overige, niet aan de orde gestelde, rechtmatigheidsvereisten te controleren en te beoordelen.
44. De rechtbank concludeert dat eiser zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de thans te toetsen maatregel onrechtmatig is. De rechtbank zal dan ook de opheffing van de maatregel bevel en de invrijheidstelling van eiser gelasten.
45. Eiser is op 21 december 2025 onrechtmatig in bewaring gesteld en tot heden onrechtmatig in bewaring gehouden en maakt daarom aanspraak op schadevergoeding. De rechtbank ziet geen aanleiding om af te wijken van de bedragen die doorgaans voor onrechtmatige vrijheidsontneming worden toegekend en zal daarom bepalen dat aan eiser een bedrag van €1.630,- toekomt.
46. De rechtbank zal ook een proceskostenveroordeling uitspreken en daarbij het per 1 januari 2026 geïndexeerde bedrag van € 934,- per punt van hanteren (Regeling van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid van 14 november 2025, nr. 6844486, tot indexering van bedragen in de Algemene wet bestuursrecht, het Besluit proceskosten bestuursrecht en de Wet griffierechten burgerlijke zaken, Staatscourant 2025, 39855).
47. Beslist wordt als volgt.
Beslissing
De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. S. van Lokven, rechter, in aanwezigheid van mr.M.M.M.F. Roijen, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 5 januari 2026.
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.