ECLI:NL:RBDHA:2026:3348

ECLI:NL:RBDHA:2026:3348

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 20-02-2026
Datum publicatie 20-02-2026
Zaaknummer C/09/697695 / KG ZA 26-36
Rechtsgebied Civiel recht; Verbintenissenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Den Haag

Samenvatting

vordering tbs-passant om onmiddellijke opname in een tbs-kliniek; afwijzing van het gevorderde.

Uitspraak

RECHTBANK Den Haag

Team handel - voorzieningenrechter

Zaaknummer: C/09/697695 / KG ZA 26-36

Vonnis in kort geding van 20 februari 2026

in de zaak van

[eiser] verblijvende in het PPC van JC [plaats 1] ,

eiser,

advocaten: mrs. J.J. Lieftink en P.M. Breukink,

tegen

STAAT DER NEDERLANDEN (ministerie van Justitie en Veiligheid) te Den Haag,

gedaagde,

advocaat: mr. M. Beekes.

Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘ [eiser] ’ en ‘de Staat’.

1. De procedure

De voorzieningenrechter heeft kennisgenomen van de ten tijde van de mondelinge behandeling door partijen ingediende stukken, te weten:

- de dagvaarding van 28 januari 2026, met producties 1 tot en met 29;

- de aanvullende productie 30 van de zijde van [eiser] ;

- de conclusie van antwoord, met productie 1;

- de aanvullende producties 2 en 3 van de zijde van de Staat.

De zaak is mondeling behandeld ter zitting van 6 februari 2026. Partijen hebben hun standpunten nader toegelicht aan de hand van een pleitnota. Van hetgeen aan de orde is gekomen heeft de griffier zakelijke aantekeningen gemaakt. Aan het slot van de behandeling heeft de voorzieningenrechter vonnis bepaald op heden.

2. De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

[eiser] heeft vier mensen gegijzeld in [horecagelegenheid] te [plaats 2] en daarbij gedreigd met explosieven. Hij is daarvoor op [datum 1] 2024 aangehouden. Bij vonnis van 24 december 2024 (parketnummer 05.110118.24) heeft de rechtbank Gelderland [eiser] hiervoor veroordeeld tot tbs met dwangverpleging. De rechtbank heeft [eiser] niet volledig ontoerekeningsvatbaar en dus deels strafbaar geacht en hem tevens veroordeeld tot een gevangenisstraf van 270 dagen. De rechtbank heeft daarbij overwogen het van groot belang te achten dat [eiser] zo snel mogelijk kan worden behandeld voor zijn problematiek. In hetzelfde vonnis heeft de rechtbank ook beslist op een vordering van de officier van justitie tot tenuitvoerlegging van een op 7 december 2023 opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf van 103 dagen. De rechtbank heeft deze vordering afgewezen omdat de rechtbank het van belang acht dat [eiser] zo snel mogelijk behandeld wordt. [eiser] , noch het Openbaar Ministerie heeft tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld. Op 8 januari 2025 is het vonnis onherroepelijk geworden.

In het kader van deze strafzaak heeft forensisch psycholoog [naam 1] op 30 november 2024 en forensisch psychiater [naam 2] op 24 november 2024 een rapport over [eiser] uitgebracht. Kort gezegd concluderen zij dat er bij [eiser] sprake is van een autismespectrumstoornis, een posttraumatische stressstoornis en van antisociale en borderline trekken in zijn persoonlijkheid. In het rapport van [naam 1] valt onder meer te lezen:

Gezien het hoge risico op geweld naar zichzelf en anderen en de complexe problematiek is een intensieve, langdurige klinische behandeling aangewezen, waarbij met name de agressieregulatie voorliggend is. Gezien het risico op overprikkeling vanuit beide stoornissen is het van belang dat een instelling voldoende kennis heeft van autisme, PTSS en persoonlijkheidsproblematiek.”

Ten behoeve van de plaatsing in een tbs-kliniek is op 26 maart 2025 een indicatiestelling forensische zorg opgemaakt. Daarin is geconcludeerd dat plaatsing in

een Forensisch Psychiatrisch Centrum (FPC), op het hoogste beveiligingsniveau (FG4) met expertise in autisme is geïndiceerd. [eiser] is met inachtneming van deze indicatie op de wachtlijst van FPC [kliniek] geplaatst.

Op [datum 2] 2024, de dag na zijn aanhouding, is [eiser] in de politiecel volledig ontregeld. Hij is hierna overgeplaatst naar het Penitentiair Psychiatrisch Centrum (PPC) in Penitentiaire Inrichting (PI) [plaats 3] .

Tijdens de voorlopige hechtenis heeft een fors aantal incidenten plaatsgevonden en is [eiser] overgeplaatst naar een andere PPC:

op 17 april 2024 heeft [eiser] een antenne in zijn zij gestoken, waarop hij naar het ziekenhuis is gebracht;

in de nacht van 4 op 5 mei 2024 heeft [eiser] brand gesticht op zijn cel en zichzelf gegijzeld, waarna hij in een isoleercel is geplaatst. Na de plaatsing in de isoleercel is [eiser] in een boeienregime geplaatst en nam zijn zelfdestructieve gedrag toe. Op 20 mei 2024 is [eiser] overgeplaatst naar het PPC in PI [plaats 4] ;

in het PPC in PI [plaats 4] is [eiser] in een boeienregime geplaatst. Er hebben vier incidenten plaatsgevonden. Op 27 juni 2024 is het boeienregime beëindigd;

op 16 juli 2024 heeft [eiser] een tijdschrift in brand gestoken en vernielingen in de recreatieruimte aangericht;

op 26 juli 2025 heeft [eiser] laten weten dat hij een scheermesje had ingeslikt. Hierna is [eiser] weer in een boeienregime geplaatst tot 30 juli 2025;

op 1 augustus 2024 heeft [eiser] een medewerker fysiek aangevallen, waarna het boeienregime is toegepast tot 8 oktober 2024;

op 23 oktober 2024 is het boeienregime opnieuw toegepast. Op 2 november 2024 heeft [eiser] brand gesticht in zijn cel en op 9 november 2024 de recreatieruimte vernield.

Na de veroordeling van 24 december 2024 is het aantal incidenten afgenomen. [eiser] heeft op 14 mei 2025 een brandwond aan zijn been veroorzaakt en op 30 juli 2025 een antenne in zijn buik gestoken. Naar aanleiding hiervan heeft mr. Breukink de Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI) verzocht om [eiser] met spoed en voorrang te plaatsen in een tbs-kliniek. Aan dit verzoek is niet voldaan.

Op 5 december 2025 heeft [eiser] drie inrichtingsmedewerkers van het PPC van PI [plaats 4] gegijzeld. Hierna heeft mr. Lieftink bij e-mail van 9 december 2025 aan de DJI verzocht om [eiser] met spoed in een tbs-kliniek te plaatsen. Ook aan dat verzoek is niet voldaan. In reactie op deze e-mail heeft mr. Beekes aangegeven dat [eiser] vanwege recente ontwikkelingen zal worden aangeboden voor herselectie en dat met die beoordeling zal worden gestart zodra er een vervolgingsbeslissing is genomen door het OM.

[eiser] is op 11 december 2025 overgeplaatst naar het PPC van Justitieel Complex [plaats 1] , waar hij thans verblijft. Er is geen informatie overgelegd waaruit blijkt dat zich tijdens dat verblijf incidenten hebben voorgedaan.

Het PPC [plaats 1] heeft op 22 december 2025 een behandelplan voor [eiser] opgesteld. Daarin staat onder meer het volgende:

Reden van aanmelding

(…) In dit contact, enkele dagen na dit incident [de gijzeling in PI [plaats 4] ] zijn er geen aanwijzingen voor een op de voorgrond staande floride psychotisch toestandbeeld echter geeft patiënt geen inzicht in zijn emotionele belevingswereld. Over de aanleiding voor het incident wil patiënt in dit gesprek niets vertellen anders dan dat hij ontkent dat er sprake was van akoestische hallucinaties en dat hij bevestigt dat er bij hem altijd wel sprake is van achterdocht. In dit gesprek wordt niet duidelijk in hoeverre en op welke manier life events als ziekte van (…) [ een familielid] en onduidelijkheid rondom tbs-traject in een periode van verminderde compliance aan medicatie hebben bijgedragen aan ontregeling. Wel is bekend dat patiënt een zeer beperkte draagkracht heeft waarbij hij bij oplopende stress beperkt in staat is zijn emoties, cognities en impulsen te reguleren hetgeen gepaard gaat met een ernstig verhoogd risico op incidenten met gevaar voor anderen en hemzelf. (…)

Beschrijvende diagnose

(…) Hij heeft een uitgebreide psychiatrische voorgeschiedenis en is bekend met diagnose ASS, PTSS en psychose gevoeligheid. (…)

Probleemomschrijving

(…) Patiënt is vanuit zijn stoornis in het autismespectrum moeilijk leesbaar en ook zijn stemming is moeilijk te duiden. (…) Hij heeft meer tijd nodig om informatie te verwerken dan anderen. Bij oplopende stress treden er plotselinge innerlijke blokkades op in denken en voelen. Betrokkene is er dan op gericht om zichzelf te beschadigen. Er zou sprake zijn van chronische suïcidaliteit, waarbij hij aangeeft dat dit geen duidelijke aanloop heeft vanuit zijn perspectief. Vanuit zijn PTSS geeft hij aan dagelijkse klachten te ervaren waaronder herbelevingen en triggergevoeligheid. (…)

Begeleiding

-Betrokkenen krijgt structuur geboden middels deelname aan het dagprogramma: op basis van beeld is dit het standaardprogramma

-Bejegening met aandacht voor duidelijkheid en transparantie;

Betrokkene meenemen in veranderingen in behandelbeleid en dit toelichten en checken of hij het begrijpt

Bij signalen van toenemende stress dit met betrokkene bespreken en signaleringsplan daarbij pakken

Betrokkene is bekend met chronische suïcidaliteit, daarin is het voor hem belangrijk om laagdrempelig in contact te blijven en dit niet direct te escaleren

Bejegening volgens het signaleringsplan.

Het Openbaar Ministerie heeft nog niet beslist of [eiser] zal worden vervolgd voor de gijzeling in PI [plaats 4] . [eiser] is onlangs gehoord over deze zaak.

In aanloop naar dit kort geding heeft [eiser] aan forensisch psycholoog [naam 3] opdracht gegeven een rapportage op te stellen over zijn detentiegeschiktheid. In zijn rapport van 25 januari 2026 concludeert [naam 3] onder meer het volgende:

Beantwoording vraagstelling

- Is er voldoende aanleiding om aan te nemen dat de behandeling in het PPC betrokkene schade berokkent?

Ja. De conclusie is dat betrokkene steeds verder verslechtert in detentie en daarmee het gevaar voor nieuwe escalatie onverminderd aanwezig blijft, waarbij er zowel ernstig gevaar voor zichzelf, maar ook voor anderen is. Er is vanuit de ernstige pathologie van betrokkene gezien geen veiligheid, geen voorspelbaarheid, noch duidelijkheid. Er is vooral sprake van machteloosheid en uitzichtloosheid als gevolg van de onduidelijkheid over wanneer de noodzakelijke behandeling en begeleiding zal starten. Onderliggend stapelen gevoelens van onzekerheid, angst en in het kielzog hiervan wantrouwen, achterdocht en gevoelens van boosheid en frustratie zich steeds meer op. Betrokkene noch de omgeving hebben hier nauwelijks zicht op en daarmee controle over. Hierdoor ontregelt hij steeds meer en neemt het risico op onvoorspelbaar en oninvoelbaar agressief gedrag alleen maar toe, terwijl dat van buiten volstrekt onvoldoende zichtbaar is. De enige behandeling die er momenteel is, is de medicamenteuze behandeling. Dit kon tot op heden echter escalaties niet voorkomen. Van een daadwerkelijke behandeling van de onderliggende pathologie en dynamiek is daarenboven geen sprake. Het PPC blijkt tot op heden niet in staat een behandeling te bieden vanuit het juiste toekomstperspectief. Het is inmiddels vooral trachten betrokkene niet verder te laten verslechteren terwijl hij als het ware ‘in de wachtkamer’ zit, wachtend op de juiste behandeling, en helaas moet geconstateerd worden dat dit niet of in ieder geval volstrekt onvoldoende lukt.”

3. Het geschil

[eiser] vordert, na vermeerdering van eis ter zitting, dat de voorzieningenrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

I. de Staat beveelt om [eiser] onmiddellijk, althans binnen de kortst mogelijke termijn, te plaatsen in het FPC [kliniek] of een andere tbs-kliniek;

II. de Staat beveelt om [eiser] als eerste op de wachtlijst te plaatsen voor het FPC [kliniek] of een andere tbs-kliniek;

III. bepaalt dat [eiser] onmiddellijk, althans binnen een redelijke termijn, althans met voorrang, geplaatst moet worden, aansluitend op de beslissing tot herselectie;

IV. de Staat veroordeelt om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 3022,19, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 26 januari 2026 tot aan de dag der algehele voldoening;

V. de Staat veroordeelt in de proceskosten.

Daartoe voert [eiser] , samengevat, het volgende aan.

[eiser] wacht inmiddels al ruim dertien maanden op plaatsing in een tbs-kliniek, terwijl uit vaste rechtspraak volgt dat een wachttijd van meer dan vier maanden onrechtmatig is. De Staat voldoet al jarenlang niet aan zijn zorgplicht om voor tbs-passanten binnen een redelijke termijn adequate behandeling te realiseren, terwijl hij – mede gelet op de jarenlange waarschuwingen van deskundigen – voldoende gelegenheid heeft gehad om passende verbetermaatregelen te treffen. Uit uitlatingen van bewindspersonen blijkt bovendien dat de capaciteitsproblematiek ernstig wordt onderschat en dat deze ook in de komende jaren, in ieder geval tot 2030, niet zal zijn opgelost. Dit brengt mee dat sprake is van een zodanig ernstige en opzettelijke schending van de zorgplicht jegens [eiser] , dat hij om die reden met voorrang in een tbs-kliniek dient te worden geplaatst.

Voorts is sprake van bijzondere, zwaarwegende omstandigheden die meebrengen dat het in redelijkheid onaanvaardbaar is om [eiser] langer in een PPC te laten verblijven. Uit recente informatie van de familie van [eiser] en de bevindingen van rapporteur [naam 3] blijkt dat [eiser] voortdurend last heeft van stemmen in zijn hoofd en er sprake is van een psychotische belevingswereld waarin ook medewerkers van PPC [plaats 4] en [plaats 1] een rol spelen. Zeer recent is vanwege de stemmen de medicatie van [eiser] opgehoogd en toenemende onrust. Duidelijk is dat het personeel van de PPC [plaats 1] onvoldoende in staat is [eiser] te behandelen en zorg te bieden voor zijn complexe problematiek. [eiser] heeft een zeer beperkte draagkracht en is bij oplopende stress beperkt in staat zijn emoties en impulsen te reguleren, hetgeen gepaard gaat met een ernstig verhoogd risico op incidenten, met gevaar voor anderen en zichzelf. Van een daadwerkelijke behandeling van de onderliggende problematiek is in de PPC geen sprake. Er wordt vooral getracht [eiser] niet verder te laten verslechteren terwijl hij wacht op de juiste behandeling. Geconstateerd moet worden dat dit niet of in ieder geval onvoldoende lukt. [eiser] heeft behoefte aan duidelijkheid en structuur en de huidige onduidelijkheid en onzekerheid binnen een detentie- en niet primaire behandelsetting doen hem geen goed. Wanneer de periode van onzekerheid en onduidelijkheid nog langer voortduurt, zal dit voor een verdere verslechtering zorgen en het zal daardoor alleen maar moeilijker zijn om [eiser] de behandeling te bieden die hij oorspronkelijk nodig had. Dit alles brengt mee dat [eiser] een spoedeisend heeft om met spoed of voorrang in een tbs-kliniek geplaatst te worden.

[eiser] vordert voorts vergoeding van de kosten die hij heeft gemaakt voor het opmaken van het rapport door forensisch psycholoog [naam 3] op grond van artikel 6:96 lid 2 BW.

De Staat voert verweer tegen de vorderingen van [eiser] . De Staat heeft uiteengezet dat de passantenproblematiek zeer ernstig is maar dat er geen snelle oplossing is voor de tbs-passanten die in afwachting zijn van plaatsing in een tbs-kliniek. Zowel het creëren van nieuwe, fysieke plekken als het bemensen van die plekken kent grote uitdagingen, aldus de Staat. De Staat voert in de kern aan dat het zeer te betreuren is dat [eiser] nog niet is geplaatst en dat er nog geen concreet zicht is op een datum voor plaatsing, maar dat hij een zorgplicht heeft jegens alle tbs-passanten, zodat [eiser] niet met een beroep op schending van die zorgplicht voorrang kan afdwingen. Daarbij merkt de Staat op dat aan plaatsing van [eiser] in een tbs-kliniek op dit moment niet louter de capaciteitsproblematiek in de weg staat, maar dat deze plaatsing eveneens afhankelijk is van de vervolgingsbeslissing van het Openbaar Ministerie in verband met het gijzelingsincident in het PPC van de PI [plaats 4] en de vraag of [eiser] naar aanleiding daarvan naar een Extreem Vlucht- en Beheersgevaarlijk (EVBG) afdeling van een tbs-kliniek zou moeten. De Staat stelt verder dat geen sprake is van bijzondere omstandigheden die een afwijking rechtvaardigen van de volgorde in de wachtlijst voor plaatsing. Daartoe voert de Staat aan dat [eiser] in verband met zijn psychische problematiek de benodigde structuur en zorg wordt geboden door zijn plaatsing in het PPC van JC [plaats 1] . Zijn situatie is, zo meent de Staat, niet ernstiger of wezenlijk anders dan die van de gemiddelde tbs-passant. De Staat concludeert dat geen sprake is van een situatie waarin het in redelijkheid onaanvaardbaar is om [eiser] langer in een PPC te laten verblijven. De kosten voor het rapport van [naam 3] dienen volgens de Staat voor rekening van [eiser] te blijven omdat voor vergoeding van deze kosten geen grond bestaat.

4. De beoordeling

Dit kort geding draait om de vraag of [eiser] op grond van zijn persoonlijke situatie zo spoedig mogelijk, en dus met voorrang, in een tbs-kliniek moet worden geplaatst.

Deze vraag moet worden beantwoord tegen de achtergrond van de huidige situatie van het tbs-systeem.

Het tbs systeem in Nederland is volledig vastgelopen. Een oplopend aantal tot tbs veroordeelden staat op de wachtlijst voor een plek in een kliniek. Inmiddels gaat het daarbij om 273 personen. Alhoewel de Staat werkt aan oplossingen, ziet het er niet naar uit dat deze op afzienbare termijn zijn gerealiseerd. Er blijven voorlopig dus veel meer wachtenden dan beschikbare plekken. Deze wachtenden verblijven in detentie, totdat zij geplaatst zijn. Voor al deze wachtenden, die ook wel “(tbs-)passanten” worden genoemd, geldt dat zij recht hebben op en belang hebben bij plaatsing in een tbs-kliniek.

Het verblijf van een tbs-passant in een penitentiaire inrichting zolang plaatsing in een tbs-kliniek niet mogelijk is, berust op een wettelijke grondslag. De vrijheidsbeneming als zodanig is aldus niet onrechtmatig. Dit neemt niet weg dat een te lange passantentermijn ertoe kan leiden dat de tenuitvoerlegging van de tbs-maatregel onrechtmatig moet worden geacht. Met de inwerkingtreding van de Wet forensische zorg is in de wet neergelegd (art. 6.3 lid 1Wfz) dat plaatsing in een instelling binnen een termijn van vier maanden dient te geschieden. Deze termijn kan volgens deze bepaling telkens worden verlengd met vier maanden. Overschrijding van de termijn van vier maanden kan niet leiden tot invrijheidsstelling. Wel heeft een passant die langer dan vier maanden moet wachten recht op schadevergoeding.

Vanwege het capaciteitstekort wordt gebruik gemaakt van wachtlijsten. Deze wachtlijsten zijn gebaseerd op chronologie, dat wil zeggen dat de wachtlijsten uitgaan van de datum van onherroepelijk worden van de tbs-veroordeling, of, als naast tbs ook een gevangenisstraf is opgelegd (een zogeheten combinatievonnis) en die gevangenisstraf op het moment waarop de veroordeling onherroepelijk wordt nog niet volledig ten uitvoer is gelegd, van de (fictieve) datum van voorlopige of voorwaardelijke invrijheidsstelling. Ten aanzien van elke tot tbs veroordeelde persoon wordt een indicatiestelling forensische zorg opgesteld, waaruit een bepaald zorg- en beveiligingsniveau voortvloeit. Op grond van de indicatiestelling in combinatie met het uitgangspunt van regioplaatsing, worden passanten na een intake op de wachtlijst gezet van de specifieke, bij hem of haar passende afdeling van één van de tbs-klinieken. Er is dus geen sprake van één landelijke wachtlijst, maar van meerdere wachtlijsten behorende bij de verschillende soorten afdelingen van de afzonderlijke tbs-klinieken.

Daarnaast hanteert de Minister van Justitie en Veiligheid (hierna: de Minister) een voorrangsbeleid ten aanzien van drie algemene categorieën. Aan passanten die in één van deze drie categorieën vallen, de zogenoemde pre-passanten, komt voorrang toe ten opzichte van de passanten die alleen op basis van chronologie een positie op een wachtlijst hebben. Het gaat daarbij om i) tbs-gestelden met een gemaximeerde tbs, ii) tbs-gestelden die verblijven op de prepassanten-afdeling van PI [plaats 4] (veroordeelden met een combinatievonnis worden hier in de laatste 6 tot 12 maanden van hun gevangenisstraf geplaatst) en iii) personen aan wie tbs is opgelegd bij overname van de tenuitvoerlegging van de aan hen in het buitenland opgelegde straf op grond van de Wet wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging vrijheidsbenemende en voorwaardelijke sancties. [eiser] valt niet onder een van deze drie voorrangscategorieën.

Tussen partijen is niet in geschil dat de Staat onrechtmatig handelt jegens [eiser] door hem niet binnen de gestelde termijn van vier maanden in een tbs-kliniek te plaatsen. Het feit dat de Staat in verband met de overschrijding van de passantentermijn een schadevergoeding aan [eiser] betaalt zolang de wachttijd voortduurt, neemt die onrechtmatigheid niet weg. Het gaat in deze zaak echter om de vraag of de Staat gehouden is om af te wijken van het uitgangspunt van plaatsing op chronologische volgorde en [eiser] onmiddellijk, of binnen de kortst mogelijke termijn, in de tbs-kliniek FPC [kliniek] of in een andere (passende) kliniek te plaatsen, zodat zijn tbs-behandeling kan aanvangen. [eiser] stelt zich op het standpunt dat de Staat daartoe gehouden is en ter onderbouwing daarvan voert hij twee grondslagen aan die de voorzieningenrechter hierna zal beoordelen.

[eiser] stelt in de eerste plaats dat de Staat structureel zijn zorgplicht schendt, doordat hij er al jarenlang niet in slaagt tbs-passanten binnen de maximale termijn van vier maanden in een tbs-kliniek te plaatsen. Volgens [eiser] gaat de Staat er bovendien vanuit dat ook in de komende jaren geen verbetering in deze situatie zal worden gerealiseerd. De voorzieningenrechter onderschrijft het standpunt van [eiser] dat het onwenselijk en betreurenswaardig is dat niet te verwachten is dat de Staat op afzienbare termijn aan zijn verplichtingen jegens tbs-passanten zal kunnen voldoen. Deze schending van de zorgplicht vormt echter op zichzelf geen grond om de Staat te veroordelen [eiser] onmiddellijk of met voorrang in een tbs-kliniek te plaatsen. De tekortkoming raakt immers niet uitsluitend [eiser] , maar alle tbs-passanten, en in het bijzonder degenen die – net als [eiser] – niet tot een voorrangscategorie behoren. Aan de omstandigheid dat sprake is van een structurele schending van de zorgplicht door de Staat, kan [eiser] daarom niet het recht ontlenen om voorrang te krijgen boven andere tbs-passanten die zich, los van de specifieke omstandigheden van de betreffende persoon, in een vergelijkbare positie bevinden en al langer op de wachtlijst staan.

[eiser] stelt in de tweede plaats dat sprake is van bijzondere en zwaarwegende omstandigheden die het verlenen van voorrang aan hem rechtvaardigen en die maken dat een voortgezet verblijf in de PPC in redelijkheid onaanvaardbaar is.

Bij de beoordeling van deze grond wordt het volgende voorop gesteld. Het huidige voorrangsbeleid zoals hiervoor uiteengezet, is gebaseerd op een objectieve maatstaf, te weten chronologie. De keuze voor dit systeem is redelijk en begrijpelijk en onder de gegeven omstandigheden ook de meest rechtvaardige, nu ervan kan worden uitgegaan dat een groot deel van de passanten kampt met ernstige problematiek en behandeling behoeven en dat ieder van hen er belang bij heeft zo spoedig mogelijk daarmee aan te vangen. Toewijzing van de vordering zou een inbreuk maken op dit op zichzelf rechtvaardige systeem en dit ondergraven. Het zet de deur open voorZij zou de deur openen naar de feitelijk onuitvoerbare opgave om te bepalen wie bovenaan de wachtlijst dient te worden geplaatst op basis van een onderlinge vergelijking van veelal moeilijk of niet objectief meetbare factoren die betrekking hebben op de persoon van de betreffende passant, zoals de ervaren lijdensdruk, de ernst van het gepleegde delict, het recidiverisico, de leeftijd, de gezinssituatie, de verwachte duur van de behandeling en het te verwachten behandelresultaat. Daar komt bij dat een doorbreking van het huidige systeem het risico in zich heeft dat passanten die, in de woorden van [naam 3] , “beter kunnen wachten” uiteindelijk eindeloos op de wachtlijst blijven staan, doordat zij telkens worden gepasseerd door passanten die via een kort geding een hogere plaats op de wachtlijst weten af te dwingen. Dit brengt mee dat het een redelijk uitgangspunt is dat slechts is zeer uitzonderlijke situaties van het huidige plaatsingsbeleid kan worden afgeweken. Dat zich hier een dusdanige situatie voordoet, is naar voorshands oordeel niet aannemelijk geworden. Dit oordeel wordt hierna toegelicht.

Uit de door [eiser] aangehaalde stukken blijkt dat sprake is van ernstige en complexe problematiek waarvoor hij dringend behandeling nodig heeft. Met het oog daarop is hij ook in een PPC geplaatst waar hij behandeld wordt. Tussen partijen is niet in geschil dat de behandeling in een tbs-kliniek, mede gelet op de mogelijke duur en continuïteit van behandeling in een tbs-setting, beter aansluit bij de behoeftes van [eiser] dan de zorg die hem in het PPC kan worden geboden. Dat op zichzelf brengt echter nog niet mee dat een voortgezet verblijf in de PPC onaanvaardbaar is.

Uit de stukken waarop [eiser] zich beroept kan naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter ook niet worden afgeleid dat de zorg en behandeling die [eiser] thans in het PPC wordt geboden onvoldoende is voor zijn zeer complexe problematiek. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [naam 4] , psychiater en hoofd zorg en behandeling van JC [plaats 1] , toegelicht dat, anders dan [eiser] bij dagvaarding heeft betoogd, in PPC [plaats 1] niet uitsluitend een medicamenteuze behandeling wordt geboden maar daarnaast eveneens uiteenlopende therapieën. Ze heeft verder uitgelegd dat binnen het PPC (niet medicamenteuze) behandelmogelijkheden beschikbaar zijn die aansluiten bij de problematiek van [eiser] , ook voor wat betreft de stemmen die hij hoort, en voorts dat daar patiënten worden behandeld met een breed scala aan achtergronden, waaronder autisme, psychotische stoornissen en ernstige persoonlijkheidsproblematiek zoals die van [eiser] . Gevraagd naar een reactie op het rapport van [naam 3] heeft [naam 4] geantwoord ervan overtuigd te zijn dat aan [eiser] binnen de PPC de benodigde zorg kan worden geboden. Mede gelet daarop en het door de Staat overgelegde kwaliteitsstatuut kan de voorzieningenrechter voorshands niet aannemen dat het verblijf van [eiser] in PPC [plaats 1] hem zoveel schade toebrengt dat voortduring van zijn verblijf in deze PPC in redelijkheid onaanvaardbaar is en dat dit een reden is om [eiser] voorrang te verlenen boven andere passanten die langer op de wachtlijst staan.

Uit het verloop van de incidenten die zich hebben voorgedaan tijdens de detentie van [eiser] kan bovendien voorshands niet worden afgeleid dat zijn situatie in een PPC (aanzienlijk) verslechtert. Uit het dossier blijkt dat [eiser] al vanaf zijn tienerjaren kampt met ernstige psychische/en of psychiatrische problematiek gepaard gaand met een hoge lijdensdruk en diverse ernstige incidenten, waarvan het laatste de gijzeling in [plaats 2] was. In het beperkte bestek van dit kort geding is niet vast te stellen dat de toestand van [eiser] als gevolg van zijn verblijf in de PPC’s (nog verder) is verslechterd.

[eiser] heeft op de zitting te kennen gegeven dat zijn wens om zo snel mogelijk in een tbs-kliniek te worden geplaatst mede is ingegeven door zijn angst dat hij anderen opnieuw schade zal toebrengen, iets wat hij zegt absoluut niet te willen. Hij hoopt dat behandeling in een kliniek hem kan helpen om beter te worden. Hoe begrijpelijk en invoelbaar deze wens ook is, ook dit rechtvaardigt niet dat hij met voorrang in een tbs-kliniek wordt geplaatst. Een dergelijk veiligheidsrisico voor, naar de voorzieningenrechter begrijpt, justitie- en PPC-personeel en hulpverleners, levert geen bijzondere omstandigheid voor [eiser] op. En overigens heeft [naam 4] voornoemd ten aanzien van het risico op agressie jegens het PPC-/zorgpersoneel verklaard dat het personeel van het PPC van JC [plaats 1] juist is toegerust om met agressief gedrag om te gaan omdat binnen de PPC gewelddadig gedrag veel voorkomt.

[naam 3] beschrijft in zijn rapport gevoelens van machteloosheid en uitzichtloosheid bij [eiser] als gevolg van de onduidelijkheid over het moment waarop hij in een tbs-kliniek zal worden geplaatst. Hij geeft aan dat [eiser] behoefte heeft aan duidelijkheid en structuur en dat de huidige situatie leidt tot toenemende gevoelens van onzekerheid en angst, met in het verlengde daarvan wantrouwen, achterdocht, boosheid en frustratie. [eiser] heeft dit op de zitting ook bevestigd. De voorzieningenrechter begrijpt deze behoefte heel goed en is het volkomen met [eiser] eens dat zijn zonder meer schrijdende situatie zich niet zou mogen voordoen. Helaas is de harde realiteit dat aangenomen moet worden dat vele andere tbs-passanten zich in een min of meer vergelijkbare situatie bevinden en daarom kan ook aan deze omstandigheden aan de zijde van [eiser] geen voorrang op andere langer wachtende passanten op de wachtlijst worden ontleend.

Het voorgaande leidt tot de slotsom dat de vorderingen onder I tot en met III, die ertoe strekken dat [eiser] onmiddellijk, althans binnen de kortst mogelijke termijn, wordt geplaatst in het FPC [kliniek] of een andere tbs-kliniek, worden afgewezen. Bij deze stand van zaken behoeven de verweren van de Staat ten aanzien van de vervolgingsbeslissing van het Openbaar Ministerie en de mogelijke plaatsing van [eiser] op een EVBG-afdeling geen nadere bespreking.

[eiser] vordert verder veroordeling van de Staat tot betaling van een bedrag van € 3.022,19 ter zake van de kosten voor het laten opstellen van een rapportage door de forensisch psycholoog op grond van artikel 6:96 lid 2, onder b, BW. Dit artikel bepaalt dat als vermogensschade mede voor vergoeding in aanmerking komen redelijke kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid. Artikel 6:96 lid 2, onder b, BW biedt geen zelfstandige grondslag voor vergoeding van de kosten, zodat ook deze vordering moet worden afgewezen.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is een compensatie van de proceskosten in deze zaak gerechtvaardigd. Deze zaak gaat om een noodkreet van een tot tbs veroordeelde man met buitengewoon ernstige psychische en psychiatrische problematiek en een zware lijdensdruk. De rechtbank die de tbs heeft opgelegd oordeelde eind 2024 al het van groot belang te achten dat hij zo snel mogelijk wordt behandeld en dit wordt ook geadviseerd door alle psychologische en psychiatrische rapporteurs. [eiser] wacht inmiddels al ruim een jaar op die tbs-behandeling, waar hij recht op heeft, zonder enig zicht op wanneer hij geplaatst wordt. De Staat handelt onrechtmatig jegens hem door deze situatie te laten bestaan en voortduren. Onder die omstandigheden is het onredelijk dat [eiser] wordt veroordeeld in de proceskosten van de Staat.

5. De beslissing

De voorzieningenrechter:

wijst de vorderingen van [eiser] af,

compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. T.F. Hesselink en in het openbaar uitgesproken op 20 februari 2026.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?