Rechtbank DEN HAAG
Meervoudige kamer jeugdstrafzaken
Parketnummer: 09-058687-25
Datum uitspraak: 19 februari 2026
Tegenspraak
Vonnis van de rechtbank Den Haag in de zaak tegen de verdachte:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum 1] 2008 te [geboorteplaats 1] ( [geboorteland] ),
BRP-adres: [adres] .
1. Het onderzoek ter terechtzitting
De strafzaak tegen de verdachte is behandeld op de besloten terechtzittingen van 5 juni 2025, 14 augustus 2025 (beide pro forma) en 5 februari 2026 (inhoudelijke behandeling).
De officier van justitie in deze zaak is mr. R.H. Limburg en de raadsman van de verdachte is mr. T. Yilmaz. De verdachte is op de terechtzitting verschenen.
2. De tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 23 februari 2025, althans in of omstreeks de periode van 23februari 2025 tot en met 24 februari 2025, te Delftter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [aangever]opzettelijk van het leven te beroven, met een mes, althans een scherp en/of puntigvoorwerp, in een hand en/of een/de arm(en) en/of in het lichaam van die[aangever] heeft gestoken,terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zoukunnen leiden:
hij op of omstreeks 23 februari 2025, althans in of omstreeks de periode van 23februari 2025 tot en met 24 februari 2025, te Delft ter uitvoering van het doorverdachte voorgenomen misdrijf om aan [aangever] opzettelijkzwaar lichamelijk letsel toe te brengen met een mes, althans een scherp en/ofpuntig voorwerp, in een hand en/of een/de arm(en) en/of in het lichaam van die[aangever] heeft gestoken,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
3. De bewijsbeslissing
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde feit.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft namens de verdachte vrijspraak van het primair ten laste gelegde feit bepleit, omdat het (voorwaardelijk) opzet van de verdachte op de dood van de aangever heeft ontbroken. Met betrekking tot het subsidiair ten laste gelegde feit heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Op specifieke standpunten wordt hierna – voor zover van belang – nader ingegaan.
Gebruikte bewijsmiddelen
De rechtbank heeft in bijlage I de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden opgenomen.
Bewijsoverwegingen
De rechtbank stelt op basis van de bewijsmiddelen de volgende feiten vast. In de nacht van 23 op 24 februari 2025 heeft zich aan de Nieuwe Langendijk in Delft een gewelddadige confrontatie voorgedaan tussen de verdachte en de aangever. Tijdens deze confrontatie heeft de verdachte de aangever gestoken. De aangever heeft daardoor meerdere steekwonden opgelopen in zijn romp, de linkerhand en de armen. De messteek in de romp heeft een geperforeerde long veroorzaakt.
De rechtbank moet de vraag beantwoorden hoe het handelen van de verdachte moet worden gekwalificeerd.
(Voorwaardelijk) opzet?
De rechtbank moet beoordelen of de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een poging tot doodslag, zoals primair ten laste is gelegd. De rechtbank is van oordeel dat uit de bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid dat de verdachte vol opzet (opzet als bedoeling) heeft gehad op de dood van de aangever. Daarom dient de rechtbank te beoordelen of er sprake is geweest van voorwaardelijk opzet op de dood van de aangever.
De rechtbank stelt voorop dat voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg, zoals hier het overlijden van aangever, aanwezig is indien de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dit gevolg zal intreden. Voor de vaststelling dat de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan een dergelijke kans is niet alleen vereist dat verdachte de wetenschap heeft van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden, maar ook dat hij die kans ten tijde van de gedraging bewust heeft aanvaard (op de koop toe heeft genomen). De beantwoording van de vraag of de gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedragingen en de omstandigheden waaronder deze zijn verricht. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten. Bepaalde gedragingen kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zo zeer gericht op een bepaald gevolg dat het behoudens contra-indicaties niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg heeft aanvaard.
Op basis van de bewijsmiddelen is de rechtbank van oordeel dat het handelen van de verdachte had kunnen leiden tot de dood van de aangever. De verdachte heeft tijdens een vechtsituatie, waarbij de verdachte en de aangever over en weer probeerden elkaar te raken, de aangever met een mes op verschillende plekken gestoken, waaronder in de romp. Als gevolg hiervan is de rechterlong van de aangever geperforeerd, is er op de spoedeisende hulp een drain geplaatst en is de aangever op de IC-afdeling van het ziekenhuis opgenomen. Gelet op het type steekwond en het feit dat het mes zodanig diep in de borst van de aangever is gestoken dat het de rechterlong heeft doorboord, concludeert de rechtbank dat er geen sprake was van een oppervlakkige steekwond. Dat de verdediging heeft aangevoerd dat een relatief klein mes werd gebruikt en niet met kracht is gestoken, doet hier niet aan af. De verdachte heeft de aangever met voldoende kracht gestoken om diens long te perforeren en het mes was daarvoor kennelijk groot genoeg. Door de aangever in de romp te steken is er sprake van een aanmerkelijke kans dat hij daardoor zou komen te overlijden. Het is immers algemeen bekend dat zich in het bovenlichaam vitale organen bevinden, waaronder het hart, de longen en belangrijke bloedvaten.
De rechtbank is van oordeel dat de genoemde gedragingen, in het bijzonder de oncontroleerbare en chaotische situatie waarin het mes werd gebruikt en de wijze waarop de steekbewegingen werden uitgevoerd, naar hun uiterlijke verschijningsvorm zozeer op de dood van de aangever gericht waren, dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op de dood van de aangever bewust heeft aanvaard. De rechtbank ziet in dit verband geen contra-indicaties die tot een andere conclusie zouden moeten leiden. Het opzet van de verdachte was dan ook in voorwaardelijke zin gericht op de dood van de aangever.
Gelet op het voorgaande komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het primair ten laste gelegde feit, te weten: een poging tot doodslag.
De bewezenverklaring
De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:
hij in de periode van 23 februari 2025 tot en met 24 februari 2025 te Delft, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [aangever] opzettelijk van het leven te beroven, met een mes in een hand en de armen en in het lichaam van die [aangever] heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
4. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.
5. De strafbaarheid van de verdachte
De verdachte is strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.
6. De strafoplegging
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een jeugddetentie van 233 dagen, met aftrek van de tijd die hij in voorarrest heeft doorgebracht (173 dagen). Hiervan dient 60 dagen voorwaardelijk te worden opgelegd, met een proeftijd van twee jaar, onder de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) en een contactverbod met het slachtoffer.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft verzocht om bij de strafoplegging rekening te houden met het feit dat de verdachte een first offender is. Daarnaast heeft de verdediging gewezen op de positieve ontwikkeling in het leven van de verdachte, evenals het lage tot matige risico op recidive.
Indien de rechtbank tot een bewezenverklaring komt, heeft de verdediging bepleit om geen langere onvoorwaardelijke vrijheidsstraf aan de verdachte op te leggen dan de tijd die hij reeds in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank houdt bij de strafoplegging rekening met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan uit de rapportages en tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
Ernst van het feit
In de nacht van 23 op 24 februari 2025 heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag. De verdachte heeft de aangever meerdere malen gestoken. Hierdoor heeft de aangever steekverwondingen en een geperforeerde rechterlong opgelopen. Hij heeft hiervoor een medische behandeling moeten ondergaan en is opgenomen geweest op de intensive care. Het handelen van de verdachte heeft dan ook een ernstige inbreuk op de lichamelijke integriteit van de aangever veroorzaakt. Het incident vond plaats in de binnenstad van Delft en veel mensen hebben dit zien gebeuren. Het is algemeen bekend dat slachtoffers van dergelijke geweldsfeiten, naast lichamelijk letsel, nog lange tijd de psychische gevolgen daarvan ondervinden. Uit de slachtofferverklaring, die ter zitting door de vertrouwenspersoon van de aangever werd voorgelezen, blijkt duidelijk welke impact dit voorval op hem heeft gehad. De aangever, die op 14-jarige leeftijd uit een oorlogsgebied naar Nederland is gekomen, had de hoop op een veilig en vredig bestaan. De aangever heeft als gevolg van de steekpartij nog steeds lichamelijke klachten. Ook is bij hem de diagnose PTSS vastgesteld. De rechtbank rekent dit alles de verdachte zwaar aan.
Strafblad
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte. De verdachte is niet eerder veroordeeld voor het plegen van een strafbaar feit. Dat weegt in de strafmaat verder niet mee omdat een blanco strafblad het uitgangspunt is.
Persoon van de verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van het Pro Justitia rapport van de GZ-psycholoog van 20 juni 2025. Uit dit rapport blijkt – samengevat – dat bij de verdachte sprake is van zwakbegaafdheid, wat ook het geval was ten tijde van het plegen van het ten laste gelegde feit. De psycholoog concludeert dat de zwakbegaafdheid geen rol van betekenis heeft gespeeld bij het ten laste gelegde feit en dat er geen argumenten zijn om de verdachte het feit verminderd toe te rekenen. Het recidiverisico wordt door de deskundige ingeschat als laag tot matig en er is sprake van een ondersteunend familienetwerk en enige positieve sociale contacten. De verdachte is gemotiveerd om mee te werken aan de ingezette hulpverlening en hij uit spijtgevoelens. De psycholoog geeft aan dat de verdachte kan profiteren van ondersteuning door een coach, die zich moet richten op onder andere het omgaan met emoties, het vergroten van sociale vaardigheden, het aanleren van gedragsalternatieven en het vermijden van risicovolle situaties. Ook kan een coach de verdachte ondersteunen in zijn scholingstraject en in het uitoefenen van gestructureerde vrijetijdsbesteding, bijvoorbeeld door een baantje of sport. De psycholoog benadrukt het belang van vertrouwen in de hulpverlener, waarbij het uiteindelijk ook mogelijk moet zijn dat de verdachte meer deelt over zijn vluchtelingenverleden. Er is al een coach van [instelling] betrokken die goed contact heeft met de verdachte en zijn familie en zijn begeleiding kan voortzetten. Gezien de ernst van het feit is het kader van toezicht en begeleiding door jeugdreclassering aangewezen. De geadviseerde begeleiding kan worden opgelegd als bijzondere voorwaarde bij een (deels) voorwaardelijke straf.
De rechtbank heeft eveneens kennisgenomen van het rapport van de Raad van 2 februari 2026 en de mondelinge toelichting van de deskundige ter terechtzitting. Uit het rapport blijkt – samengevat – dat de verdachte na een lange periode van jeugddetentie is teruggekeerd naar het huis van zijn ouders. Hier functioneert hij goed en zijn ouders hebben een positieve verandering in zijn gedrag opgemerkt. Momenteel blijft hij thuis wonen. De verdachte heeft een persoonlijke geschiedenis die wordt gekarakteriseerd door onrust, instabiliteit en onveiligheid in Syrië, wat leidde tot veel verhuizingen. In 2021 arriveerde het gezin in Nederland en hebben zij enige tijd in het AZC verbleven. Nu woont het gezin in Delft. De verdachte volgt een opleiding autotechniek mbo-1, waarbij hij scholing combineert met stage bij een autoschadebedrijf. Zowel op school als op zijn stageplaats is men tevreden over de motivatie, inzet en het leervermogen van de verdachte. De verdachte ziet zijn coach wekelijks. De coach besteedt aandacht aan risico’s en mogelijkheden met betrekking tot activiteiten en contacten. De Raad heeft geconcludeerd dat de kans op recidive laag is, mede door de tijd die de verdachte in jeugddetentie heeft doorgebracht, wat een preventieve werking heeft gehad. De Raad adviseert een onvoorwaardelijke jeugddetentie gelijk aan de periode van voorlopige hechtenis op te leggen. Daarnaast adviseert de Raad een voorwaardelijke jeugddetentie om de voortzetting van hulpverlening (jeugdreclassering en coach) mogelijk te maken. Gezien onder meer de leeftijd van de verdachte wordt een proeftijd van één jaar geadviseerd.
Ten slotte heeft een deskundige van Jeugdbescherming west (hierna: de jeugdreclassering) zich ter terechtzitting geschaard achter het advies van de Raad. Daarbij heeft de jeugdreclassering aangegeven dat de jeugdreclasseringsmaatregel voor de duur van één jaar voldoende is, gezien het lage risico op recidive.
Strafmodaliteit en strafmaat De rechtbank heeft bij de bepaling van de strafmodaliteit en de strafmaat de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals deze uit de rapportages en ter terechtzitting naar voren zijn gekomen, alsmede de straffen die in vergelijkbare zaken gewoonlijk worden opgelegd, in aanmerking genomen.
Gelet op de aard en de ernst van het bewezenverklaarde feit, kan naar het oordeel van de rechtbank niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een (deels voorwaardelijke) jeugddetentie. De rechtbank zal de verdachte dan ook een jeugddetentie voor de duur van 233 dagen opleggen, met aftrek van de tijd die hij vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht (173 dagen).
De rechtbank zal 60 dagen van deze straf voorwaardelijk opleggen. De verdachte hoeft derhalve niet meer terug in jeugddetentie. Het voorwaardelijke strafdeel dient een voldoende afschrikkende werking te hebben en de verdachte ervan te weerhouden nieuwe strafbare feiten te plegen. Aan het voorwaardelijk deel van de jeugddetentie zal een proeftijd van twee jaren worden verbonden. Aan het voorwaardelijke deel zal de rechtbank ook de bijzondere voorwaarden verbinden, zoals geadviseerd door de Raad. In aanvulling daarop zal de rechtbank een contactverbod met het slachtoffer opleggen als bijzondere voorwaarde.
7. De vordering van de benadeelde partij [aangever] en de schadevergoedingsmaatregel
[aangever] , ter terechtzitting bijgestaan door mr. A.C. Zonneveld, heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces. De benadeelde partij vordert ter vergoeding van de schade een bedrag van € 77.050,14, te vermeerderen met de wettelijke rente. De vordering ziet op € 21.050,14 aan materiële schade en € 56.000,- aan immateriële schade. Ook is oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Voor zover de rechtbank de vordering van de benadeelde partij toewijst, heeft de officier van justitie gevorderd ook de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft verweer gevoerd tegen een aantal van de door de benadeelde partij opgevoerde schadeposten. De rechtbank zal het verweer voor zover nodig in de beoordeling betrekken.
Het oordeel van de rechtbank
Het bewezenverklaarde levert een door de verdachte gepleegd strafbaar feit op. Het staat daarmee vast dat de verdachte onrechtmatig heeft gehandeld jegens de benadeelde partij. De schade die de benadeelde partij als rechtstreeks gevolg daarvan lijdt, moet de verdachte in beginsel vergoeden.
Reiskosten en kledingschade
De benadeelde partij heeft gesteld en onderbouwd dat zijn kleding is beschadigd en dat reiskosten zijn gemaakt als rechtstreeks gevolg van het handelen van de verdachte. De verdachte heeft dit niet betwist. De rechtbank zal de schadevergoeding dan ook toewijzen zoals gevorderd, te weten voor een bedrag van € 39,14 aan reiskosten en voor een bedrag van € 50,- aan kleding.
Eigen risico
De schadepost eigen risico van € 385,- zal de rechtbank ook toewijzen. Uit de overgelegde facturen blijkt dat de benadeelde partij € 352,30 aan medische kosten heeft gemaakt en dat hij nog in behandeling is voor zijn PTSS-klachten. Dat de totale (nog te verwachte) kosten € 385,- zullen bedragen, acht de rechtbank in dit geval dan ook voldoende onderbouwd. Het verweer van de verdediging dat een deel van de kosten nog niet is gemaakt, slaagt niet. Op grond van artikel 6:105 van het Burgerlijk Wetboek (BW) is ook de vordering tot vergoeding van toekomstige schade in dit geval toewijsbaar.
Studievertraging
De verdediging heeft aangevoerd dat niet zonder meer kan worden aangenomen dat de studievertraging van de benadeelde partij het gevolg is geweest van het bewezen verklaarde feit en dat de benadeelde partij in de betreffende periode wel drie mondelinge toetsen heeft kunnen afleggen. De benadeelde partij heeft ter onderbouwing van haar vordering echter een brief overgelegd van de schooldirectie, waaruit blijkt dat de benadeelde door medische omstandigheden voor de duur van een half jaar geen onderwijs heeft kunnen volgen. De rechtbank is dan ook van oordeel dat voldoende is onderbouwd dat de benadeelde partij een half jaar studievertraging heeft opgelopen. Dat de benadeelde partij wel enkele toetsen heeft kunnen maken, doet daar niet aan af.
Het gevorderde bedrag is gebaseerd op de Letselschade Richtlijn Studievertraging. De rechtbank zal de vergoeding dan ook toewijzen zoals gevorderd, voor een bedrag van € 10.800,-.
Kosten verbandmateriaal
De verdachte heeft gemotiveerd betwist dat de benadeelde partij daadwerkelijk kosten heeft gemaakt voor verbandmateriaal. De benadeelde partij heeft deze schadepost verder ook niet onderbouwd. Daarom zal de rechtbank de vordering voor dit gedeelte niet-ontvankelijk verklaren. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
Verlies arbeidsvermogen
Ten aanzien van de post verlies van arbeidsvermogen, door de benadeelde partij begroot op € 9.766,-, overweegt de rechtbank als volgt.
Uit de overgelegde stukken van de bedrijfsarts en het UWV blijkt dat de benadeelde partij vanaf 23 februari 2025 ziekgemeld is. De benadeelde partij werkte sinds 2022 en kreeg steeds contracten voor relatief korte duur. Zijn arbeidsverleden is in die zin constant geweest. Als gevolg van het misdrijf heeft de benadeelde partij arbeidsvermogen verloren, dat hij daarvoor wel had. Dat het contract van de benadeelde op 23 februari 2025 afliep, de dag van het misdrijf, doet aan het verlies van arbeidsvermogen op zichzelf niet af, nu de benadeelde partij als gevolg van het feit ziek was en daardoor niet in staat was om te werken.
Ondanks de betwisting namens de verdachte van het daadwerkelijke gemis aan inkomsten, acht de rechtbank voldoende aannemelijk geworden dat sprake is van gederfde inkomsten door verlies van arbeidsvermogen in de periode vanaf week 8 tot en met week 33 van 2025. Uit de overgelegde salarisstroken volgt dat de benadeelde partij een gemiddeld salaris van € 195,32 per week verdiende. De rechtbank zal de vergoeding voor het verlies van arbeidsvermogen dan ook toewijzen voor de periode vanaf week 8 tot en met week 33 van 2025, zoals gevorderd, tot een bedrag van € 4.883,-.
Voor de periode daarna zal de rechtbank de vordering van de benadeelde partij niet- ontvankelijk verklaren. Dit deel van de vordering is namens de verdachte (gemotiveerd) betwist en namens de benadeelde partij onvoldoende onderbouwd. De benadeelde partij de gelegenheid geven voor een nadere onderbouwing van dit deel van de vordering zou een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
Gedeeltelijke toewijzing immateriële schade
De benadeelde partij heeft volgens artikel 6:106 BW (onder meer) recht op vergoeding van smartengeld in het geval dat hij lichamelijk letsel heeft opgelopen of op andere wijze in de persoon is aangetast. Om te spreken van een aantasting in persoon op andere wijze moet sprake zijn van geestelijk letsel of een diepe inbreuk op de persoonlijke levenssfeer, persoonlijke integriteit of een fundamenteel recht.
Op basis van het procesdossier en van wat ter terechtzitting over de vordering is besproken, stelt de rechtbank vast dat de benadeelde partij door het bewezenverklaarde schade heeft geleden binnen de categorie ‘lichamelijk letsel’ (voor zover het betreft het letsel aan borst en de hand) en binnen de categorie ‘in andere wijze in zijn persoon is aangetast’ (voor zover het betreft geestelijk letsel dat verdachte als gevolg van het voorval heeft opgelopen (PTSS)).
Voor de begroting van de schade die hieruit voortvloeit heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij de bedragen zoals opgenomen in de Rotterdamse schaal. Hierbij heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op de bandbreedte van smartengeldbedragen in het geval dat bij de benadeelde partij borst- en handletsel is geconstateerd. Ook houdt de rechtbank rekening met het meervoudige letsel van de benadeelde partij en de mate van verwijtbaarheid van het handelen van de verdachte.
Lichamelijk letsel
Als gevolg van het bewezen verklaarde feit heeft de benadeelde een klaplong opgelopen, waardoor bloed in de borstkas terecht is gekomen. Hiervoor is hij behandeld op de spoedeisende hulp, er is een drain in de borstholte geplaatst en vervolgens is hij ter observatie op de IC-afdeling gehouden. Daarnaast heeft hij een opvallend en (mogelijk) blijvend litteken op de rug van zijn hand. Ter zitting is namens de benadeelde partij verklaard dat het gebruik van de hand langzaam verbetert, maar dat onduidelijk is of het tot volledig herstel zal komen.
Ten aanzien van het borstletsel heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij de categorie ‘minder ernstig’ van de Rotterdamse schaal, omdat zij geen actuele stukken van de benadeelde partij heeft ontvangen om zijn huidige situatie en het (vooruitzicht op) herstel volledig te kunnen beoordelen. De rechtbank acht een schadebedrag van € 2.675,- passend voor het borstletsel. Voor het letsel aan de hand heeft de rechtbank aangesloten bij de categorie ‘gering letsel’, en acht zij een bedrag van € 1.000,- passend.
Geestelijk letsel
De rechtbank is van oordeel dat door de benadeelde partij voldoende is onderbouwd dat sprake is van geestelijk letsel, nu hij heeft aangetoond dat bij hem PTSS is gediagnosticeerd. Hij is bijna een jaar na het misdrijf nog steeds in behandeling voor de bij hem vastgestelde PTSS. De benadeelde partij heeft zijn schade op dit onderdeel – na wijziging van eis en zo begrijpt de rechtbank, rekening houdend met aanbeveling 5 van de Rotterdamse schaal deze ‘bijkomende’ schadepost met 50% te verminderen – begroot op € 1.000,-. De verdachte heeft tegen de hoogte van het bedrag geen verweer gevoerd, zodat de rechtbank dit zal toewijzen zoals gevorderd.
Aanbevelingen bij Rotterdamse schaal
Gelet op aanbeveling 5 bij de Rotterdamse schaal, weegt de rechtbank het zwaarste letsel (borstletsel) te hoogte van € 2.675,- volledig mee en het tweede letsel (handletsel) voor 50% van het normbedrag (te weten 50% van € 1.000,-, derhalve € 500,-). In het gevorderde bedrag voor het geestelijk letsel ter hoogte van € 1.000,- heeft de benadeelde partij al rekening gehouden met de vermindering van 50%. De rechtbank zal dit bedrag dus niet nogmaals verminderen. De rechtbank ziet geen aanleiding aanbevelingen 2 en 4 van de Rotterdamse schaal toe te passen en het schadebedrag met 15% te verhogen, omdat niet duidelijk is in hoeverre van blijvend letsel sprake zal zijn. De rechtbank zal wel conform aanbeveling 3 bij de Rotterdamse schaal het toegewezen bedrag aan vergoeding van immateriële schade verhogen met 20%, gelet op de ernstige verwijtbaarheid van het handelen van de verdachte.
De rechtbank zal de vordering van de benadeelde partij voor wat betreft de immateriële schade aldus toewijzen tot een bedrag van € 5.010,-. Het overige deel van de vordering dat betrekking heeft op vergoeding van immateriële schade zal de rechtbank niet-ontvankelijk verklaren.
Totaal toegewezen
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank de vordering toewijzen tot een bedrag van
€ 21.167,14, bestaande uit € 16.157,14 aan materiële schadevergoeding en € 5.010,- aan immateriële schadevergoeding.
Wettelijke rente
De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 24 februari 2025, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan.
Proceskostenveroordeling verdachte
Nu de vordering gedeeltelijk wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Schadevergoedingsmaatregel
Nu de verdachte ten opzichte van het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde strafbare feit is toegebracht en de verdachte voor dit feit zal worden veroordeeld, zal de rechtbank aan de verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag € 21.167,14, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 24 februari 2025 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan, ten behoeve van het slachtoffer genaamd [aangever] . Gelet op de jeugdige leeftijd van de verdachte zal geen gijzeling worden toegepast.
8. De toepasselijke wetsartikelen
De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen:
36f, 45, 77a, 77g, 77i, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg en 287 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.
9. De beslissing
De rechtbank:
bewezenverklaring
verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde feit heeft begaan, zoals hierboven in paragraaf 3.5 bewezen is verklaard en kwalificeert dit als:
poging tot doodslag;
verklaart het bewezenverklaarde en de verdachte daarvoor strafbaar;
verklaart niet wettig en overtuigend bewezen wat aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd en spreekt hem daarvan vrij;
straf
veroordeelt de verdachte tot:
een jeugddetentie voor de duur van 233 (TWEEHONDERDDRIEËNDERTIG) DAGEN;
beveelt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht (173 dagen), bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van deze jeugddetentie geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
bepaalt dat een gedeelte van deze jeugddetentie, namelijk 60 (ZESTIG) DAGEN, niet ten uitvoer zal worden gelegd als de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op 2 (TWEE) jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
en onder de bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:
1. zich gedurende de proeftijd meldt bij Jeugdbescherming west op door de jeugdreclassering te bepalen tijdstippen, zo vaak en zo lang de jeugdreclassering dat noodzakelijk acht;
2. gedurende de proeftijd op geen enkele wijze – direct of indirect en ook niet via sociale media – contact zal opnemen, zoeken of hebben met:
- [aangever] , geboren op [geboortedatum 2] 2007 te [geboorteplaats 2] in [geboorteland] ;
zolang de jeugdreclassering dit noodzakelijk acht;
3. gedurende de proeftijd meewerkt aan de begeleiding vanuit [instelling] of een soortgelijke instelling, te bepalen door de jeugdreclassering, en zich houdt aan de afspraken die daarbij met hem worden gemaakt;
4. gedurende de proeftijd onderwijs volgt volgens rooster of andere zinvolle en door de jeugdreclassering goedgekeurde dagbesteding heeft;
geeft opdracht aan Jeugdbescherming west, een gecertificeerde instelling die jeugdreclassering uitvoert, om toezicht te houden op de naleving van voormelde voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;
voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:
- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen
aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld
in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
- zijn medewerking zal verlenen aan het door de jeugdreclassering te houden
toezicht, bedoeld in artikel 77aa, eerste tot en met het vierde lid, van het Wetboek
van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de
jeugdreclassering, zo vaak en zo lang als de jeugdreclassering dit noodzakelijk acht,
daaronder begrepen;
de vordering van de benadeelde partij [aangever] en de schadevergoedingsmaatregel
wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij gedeeltelijk toe ten laste van de verdachte tot een bedrag van € 21.167,14 en veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij een bedrag van
€ 21.167,14, bestaande uit € 16.157,14 aan materiële schade en € 5.010,- aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 24 februari 2025 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan;
verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering en bepaalt dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;
veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;
legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij te betalen € 21.167,14, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 24 februari 2025 tot aan de dag van de algehele voldoening, en bepaalt daarbij de duur van de gijzeling op 0 (nul) dagen;
verstaat dat betaling aan de benadeelde partij tevens geldt als betaling aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd;
het bevel tot voorlopige hechtenis
heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de veroordeelde.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. A.P. Pereira Horta, kinderrechter, voorzitter,
mr. N.B. Haverhoek, kinderrechter,
en mr. T.P. Sarneel, kinderrechter,
in tegenwoordigheid van mr. E.P.M. van der Hoorn, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 19 februari 2026.