[eiser] , eiser
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. J.M. Bell),
en
de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: mr. R.E. Thijssen).
Inleiding
Verweerder heeft in het besluit van 3 juli 2025 (het bestreden besluit) bepaald dat eiser binnen vier weken na 4 september 2025 moet terugkeren naar zijn land van herkomst.
Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld en beroepsgronden ingediend.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het voornemen geuit om uitspraak te doen zonder een zitting te houden. Hierop hebben partijen niet binnen de gegeven termijn gereageerd. De rechtbank doet uitspraak buiten zitting op grond van artikel 8:57, eerste lid, van de Awb.
Beoordeling door de rechtbank
1. Eiser is geboren op [geboortedag] 1997 en heeft de Kameroense nationaliteit.
2. Ten tijde van de inval in Oekraïne door Rusland op 24 februari 2022 verbleef eiser rechtmatig in Oekraïne op basis van een tijdelijke verblijfsvergunning. Na zijn vlucht naar Nederland vanwege deze inval heeft hij tijdelijke bescherming gekregen op grond van de facultatieve bepaling van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming (RTB) als een zogenoemde ‘derdelander Oekraïne’.
3. Omdat er onduidelijkheid is ontstaan over de vraag of de tijdelijke bescherming van de ‘derdelanders Oekraïne’ eerder beëindigd mag worden dan die van ontheemden met de Oekraïense nationaliteit, heeft verweerder de gevolgen van de beëindiging van het recht op tijdelijke bescherming bevroren. Deze bevriezingsmaatregel is per 4 september 2025 gestopt. In het bestreden besluit heeft verweerder bepaald dat eiser moet terugkeren naar Kameroen en binnen vier weken na 4 september 2025 Nederland moet verlaten.
4. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit. Hij voert aan dat verweerder zijn tijdelijke bescherming niet mag beëindigen. Volgens eiser handelt verweerder in strijd met het vertrouwensbeginsel door terug te komen op de bevriezingsmaatregel, en handelt verweerder in strijd met het gelijkheidsbeginsel door de tijdelijke bescherming van ‘derdelanders Oekraïne’ wel en die van Oekraïners niet te beëindigen. Ook voert eiser aan dat hij niet kan terugkeren naar zijn land van herkomst vanwege zijn medische situatie. Eiser is momenteel onder behandeling van een psychiater. De behandelend arts heeft verklaard dat voor de stoornissen van eiser medicamenteuze behandeling strikt noodzakelijk is. De kans is immers groot dat het achterwege blijven van behandeling, binnen drie maanden zal leiden tot evidente verslechtering, te weten een recidief psychose met opname tot gevolg. Ook is om die reden uitstel van vertrek gevraagd, met een beroep op artikel 64 van de Vw. Tot slot is eiser van mening dat verweerder hem had moeten horen voorafgaand aan het uitvaardigen van het bestreden besluit.
5. Verweerder stelt zich op het standpunt dat het rechtmatig verblijf van eiser op 4 maart 2024 van rechtswege geëindigd is, zodat het terugkeerbesluit van 3 juli 2025 rechtmatig is. Eiser had op dat moment ook geen verblijfsvergunning of lopende verblijfsrechtelijke aanvraag. Dat eiser ten tijde van het uitbrengen van het terugkeerbesluit een lopende aanvraag had voor uitstel van vertrek op grond van artikel 64 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw), maakt niet dat aan eiser geen terugkeerbesluit had kunnen worden opgelegd. Immers, dat eiser in afwachting was van een beslissing op zijn aanvraag voor uitstel van vertrek, maakt niet dat eiser rechtmatig verblijf genoot in de zin van artikel 8 van de Vw. Slechts verleend uitstel van vertrek resulteert in rechtmatig verblijf. Dat eiser voorts op 11 november 2025, na het uitbrengen van het terugkeerbesluit, een herhaalde asielaanvraag heeft ingediend, maakt het voorgaande evenmin anders. Op het moment van het opleggen van het terugkeerbesluit was er geen sprake van enige lopende aanvraag. De bevriezingsmaatregel heeft niet te gelden als rechtmatig verblijf en staat dus niet aan het uitvaardigen van een terugkeerbesluit in de weg. Verweerder stelt zich voorts op het standpunt dat de hoorplicht niet is geschonden. Eiser heeft vier weken gekregen om zijn standpunt omtrent het voornemen tot het opleggen van een terugkeerbesluit kenbaar te maken. Niet valt in te zien waarom eiser in de zienswijze niet alle relevante informatie naar voren heeft kunnen brengen over enerzijds de vaststelling dat zijn verblijf in Nederland illegaal is geworden en anderzijds zijn persoonlijke omstandigheden. Deze persoonlijke omstandigheden die eiser in de zienswijze naar voren heeft gebracht, zijn reeds bij de besluitvorming betrokken en hebben niet tot de conclusie geleid dat aan eiser geen terugkeerbesluit kon worden opgelegd.
De rechtbank oordeelt als volgt.
6. In het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU) van 19 december 2024, ECLI:EU:C:2024:1038, in de zaak [naam 1] en [naam 2] en de daarop gevolgde einduitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) en de rechtbank Den Haag (ECLI:NL:RVS:2025:1827, ECLI:NL:RVS:2025:1829 en ECLI:NL:RVS:2025:1836 en ECLI:NL:RBAMS:2025:4843) is geoordeeld dat de tijdelijke bescherming van ‘derdelanders Oekraïne’ eerder dan die van Oekraïners mag worden beëindigd, zij het niet vóór 4 maart 2024. Met het bestreden besluit is de tijdelijke bescherming van eiser na die datum beëindigd. Niet gebleken is dat eiser op dat moment of sindsdien in het bezit is geweest van een verblijfsvergunning, dan wel dat hij op dat moment een aanvraag daartoe had lopen. Verweerder wordt dat aangaande ook gevolgd in zijn standpunt dat de enkele indiening van een aanvraag tot uitstel van vertrek niet leidt tot rechtmatig verblijf. Ook de indiening van een herhaalde asielaanvraag nadat al een terugkeerbesluit is uitgevaardigd, doet niet af aan de vaststelling dat eiser ten tijde van het uitvaardigen van het terugkeerbesluit onrechtmatig in Nederland verbleef. Het terugkeerbesluit vermeldt verder dat eiser binnen vier weken na 4 september 2025 moet terugkeren naar Kameroen. Daarmee voldoet het besluit aan de vereisten van de Richtlijn 2008/115/EG (Terugkeerrichtlijn).
7. Eiser kan in het verlengde hiervan niet worden gevolgd in zijn stelling dat het besluit in strijd is met het gelijkheidsbeginsel. Zijn tijdelijke bescherming was gebaseerd op de facultatieve bepaling van de RTB en hij heeft de mogelijkheid om terug te keren naar zijn land van herkomst. Dit geldt niet voor Oekraïners en daarmee is geen sprake van gelijke gevallen.
8. Omdat de bevriezingsmaatregel niet anders kan worden gekwalificeerd dan als een feitelijke opschorting, en daarmee dus niet als rechtmatig verblijf, is ook geen sprake van strijd met het vertrouwensbeginsel. Daarbij komt dat verweerder geen toezeggingen heeft gedaan waaruit de ‘derdelanders Oekraïne’ mochten afleiden dat zij altijd hetzelfde zouden worden behandeld als Oekraïners of dat hun tijdelijke bescherming pas zou eindigen als de maximale duur daarvan is bereikt. Dit volgt uit de uitspraken van de Afdeling van 23 april 2025 zoals hiervoor aangehaald, en van 17 januari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:32. Dergelijke toezeggingen zijn evenmin uit het dossier van eiser op te maken.
9. Eisers beroepsgrond dat hij niet is gehoord voordat een terugkeerbesluit is genomen slaagt ook niet. De rechtbank stelt vast dat verweerder op 4 juni 2025 een voornemen tot het nemen van een terugkeerbesluit heeft uitgebracht. Vervolgens heeft eiser op dit voornemen gereageerd met een zienswijze. Eiser is daarmee voldoende in de gelegenheid gesteld om feiten en omstandigheden naar voren te brengen voordat het terugkeerbesluit werd genomen, waardoor niet is gebleken van strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel.
10. Echter heeft eiser in de zienswijze gewezen op zijn medische situatie. Anders dan verweerder stelt in het verweerschrift is op deze door eiser in de zienswijze aangevoerde persoonlijke omstandigheden in het terugkeerbesluit niet ingegaan. Dat maakt dat het terugkeerbesluit berust op een ondeugdelijke motivering en de rechtbank zal om die reden het terugkeerbesluit vernietigen.
11. De rechtbank ziet echter aanleiding om te bepalen dat de rechtsgevolgen van het terugkeerbesluit in stand worden gelaten met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Awb. De reden daarvoor is dat verweerder, alsnog in het verweerschrift toereikend heeft gemotiveerd, dat de medische situatie geen aanleiding vormt tot het niet opleggen van een terugkeerbesluit. In het medisch advies van het Bureau Medische Advisering van 3 juli 2025 wordt geconcludeerd dat de voor eiser vereiste therapiemogelijkheden in Kameroen aanwezig zijn. Wat eiser heeft aangevoerd en het dossier bevatten geen aanknopingspunten die aan dit medisch advies doen twijfelen. In zoverre bestaat er geen aanleiding om te concluderen dat terugkeer naar Kameroen afbreuk zou kunnen doen aan het beginsel van non-refoulement. Ook overigens is er geen aanleiding om het terugkeerbesluit onrechtmatig te achten wegens strijd met het beginsel van non-refoulement. In het kader van eisers medische omstandigheden, weegt de rechtbank ook mee dat de aanvraag van eiser om hem uitstel van vertrek te verlenen om medische redenen met de beschikking van 26 september 2025 is afgewezen en eiser hiertegen geen bezwaar heeft ingediend.
12. Het beroep is gegrond, omdat het terugkeerbesluit een motiveringsgebrek bevat. De rechtbank vernietigt daarom het terugkeerbesluit, maar laat uit het oogpunt van definitieve geschilbeslechting de rechtsgevolgen van het terugkeerbesluit in stand.
13. Omdat het beroep gegrond is, bestaat er aanleiding om verweerder te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 934, bestaande uit een punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 934 en vermenigvuldigd met wegingsfactor 1 (gemiddeld).
Beslissing
De rechtbank:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het besluit van 3 juli 2025;
bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;
veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten ter hoogte van € 934 (negenhonderdvierendertig euro).
Deze uitspraak is gedaan op 18 februari 2026 door mr. M.L. Weerkamp, rechter, in aanwezigheid van mr. R. de Mul, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
Deze uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.