ECLI:NL:RBDHA:2026:3357

ECLI:NL:RBDHA:2026:3357

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 19-02-2026
Datum publicatie 20-02-2026
Zaaknummer NL25.34272
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Utrecht

Samenvatting

Beroep asiel Senegal, lhbti. Problemen wegens seksuele geaardheid ongeloofwaardig wegens tegenstrijdigheden. Referentiekader. Beroep ongegrond

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser

de minister van Asiel en Migratie,

Samenvatting

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: NL25.34272

(gemachtigde: mr. H. Loth),

en

(gemachtigde: mr. R.P.G. van Bel).

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Hij stelt van Senegalese nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1992. De minister heeft met het bestreden besluit van 20 juli 2025 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als kennelijk ongegrond.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

De rechtbank heeft het beroep op 2 februari 2026 samen met het verzoek om een voorlopige voorziening hangende dit beroep, op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, V. Corcelle als tolk en de gemachtigde van de minister.

Bij sluiting van het onderzoek op zitting heeft de rechtbank meegedeeld binnen twee weken uitspraak te doen. De rechtbank heeft deze termijn niet gehaald en partijen bericht uiterlijk twee weken later uitspraak te doen.

Beoordeling door de rechtbank

Het asielrelaas

3. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiser realiseerde zich op 13 á 14-jarige leeftijd dat hij homoseksueel is. Op zijn achttiende kreeg eiser voor het eerst een relatie met een man ( [persoon1] ). Hij heeft eenmalig een relatie gehad met een vrouw, met wie hij een zoon heeft. Eiser ging deze relatie aan omdat hij niet wilde dat mensen vermoedens over zijn seksuele gerichtheid kregen. Eiser had ten tijde van zijn vertrek uit Senegal een relatie met [persoon2] , die ook uit Senegal is vertrokken, maar onbekend is waarheen. Een week voor zijn vertrek uit Senegal is hij door een vriend, genaamd [persoon3] , in een kamer in een appartement betrapt terwijl hij aan het vrijen was met [persoon2] . [persoon3] heeft dit doorverteld, waarna eiser meermaals is bedreigd door zijn familie en buurtgenoten en na zijn vertrek naar [plaats 1] daar is aangevallen door een groep van vier mannen. Van deze aanval heeft eiser aangifte gedaan, maar daar heeft de politie verder niets mee gedaan. Eiser heeft vervolgens Senegal verlaten.

Het bestreden besluit

4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende relevante elementen:1. Eisers identiteit, nationaliteit en herkomst;2. Eisers homoseksuele geaardheid en de daaruit voortvloeiende problemen.

5. De minister stelt zich hierover op het standpunt dat het eerste element geloofwaardig is en het tweede ongeloofwaardig, omdat eiser hierover summier en oppervlakkig heeft verklaard, met name over zijn gevoelsleven en zijn eerste homoseksuele relatie. Eiser heeft niet consistent verklaard over zijn gevoelens voor mannen en vrouwen; zo stelt hij gedurende één maand een relatie met een vrouw te hebben gehad waaruit een zoon is geboren. De minister gelooft eiser niet als hij stelt heel voorzichtig te zijn in zijn contacten, door het versturen van berichten in codetaal, maar dan vergeet de deur op slot te doen voordat hij met [persoon2] gaat vrijen, waarna hij betrapt is. Verder stelt eiser eerst in [plaats 2] te zijn aangevallen door onbekenden, later stelt hij dat er een bekende bij was die hem vanuit zijn woonplaats naar [plaats 2] was gevolgd. Eiser heeft volgens de minister tegenstrijdig verklaard over de aangifte, door eerst te verklaren dat hij bij de politie heeft vermeld dat hij is betrapt bij het vrijen, en later dat hij alleen heeft gezegd dat hij door de aanvallers is beschuldigd van homoseksualiteit. Daarnaast heeft de minister vastgesteld dat eiser de dreigberichten en de aangifte, waarvan eiser stelt dat die in zijn telefoon staan, nog niet heeft overgelegd. De minister concludeert daarom dat de asielaanvraag wordt afgewezen als kennelijk ongegrond.

6. Eiser heeft in beroep aangevoerd dat onduidelijk is met welk referentiekader rekening is gehouden bij de beoordeling van zijn asielrelaas. Eiser was nog jong tijdens zijn seksuele ontdekking en is door zijn achtergrond en cultuur niet gewend om met derden openlijk over zijn seksuele gerichtheid te praten. Eiser wijst op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 26 april 2023, waaruit volgens eiser blijkt dat de minister kenbaar moet motiveren dat rekening is gehouden met de culturele achtergrond of het opleidingsniveau van de vreemdeling. Het enkele noemen van feitelijkheden zoals dat er pauzes zijn ingelast, is wel zorgvuldig, maar laat niet zien dat rekening is gehouden met het referentiekader.

7. De rechtbank is van oordeel dat de minister in deze procedure voldoende rekening heeft gehouden met het referentiekader en de achtergrond van eiser. De minister erkent dat het in bepaalde culturele contexten lastig kan zijn om openlijk te praten over gevoelstermen met betrekking tot een bepaalde seksuele gerichtheid en dat Senegal voor LHBTI geen veilig land van herkomst is. De minister stelt niet ten onrechte dat desondanks van eiser verwacht worden dat hij een bepaalde mate van inzicht kan geven in zijn gevoelsleven en op welke wijze hij bepaalde aspecten van zijn geaardheid heeft ervaren waarbij hij kan toelichten hoe hij hier mee om is gegaan in een omgeving waarin dit ten strengste verboden is. Hoewel eiser heeft verklaard dat zijn homoseksuele gevoelens zich ontwikkelden toen hij 13 à 15 jaar oud was, was hij op het moment van inreis in Nederland 32 jaar oud en had hij meerdere relaties achter de rug. Eiser mocht in staat worden geacht om hierover meer te kunnen verklaren. Verder heeft hij na zijn baccalaureaat een driejarige opleiding transportlogistiek gevolgd en heeft hij zelfstandig in het toerisme gewerkt. Op grond hiervan ziet de rechtbank niet in met welke aspecten van het referentiekader van eiser de minister onvoldoende rekening heeft gehouden. Eiser is tijdens het nader gehoor meerdere malen gevraagd om toe te lichten hoe hij achter zijn geaardheid is gekomen en hoe hij met deze gevoelens omging. Hierbij is verschillende keren benadrukt dat van eiser wordt verwacht dat hij met zijn antwoorden inzicht geeft in zijn persoonlijke gedachten en gevoelens. Naar het oordeel van de rechtbank is eiser daar niet in geslaagd en heeft hij hierover slechts in algemene en oppervlakkige bewoordingen verklaard. Aan eiser zijn ook vragen gesteld over of hij moeite had met zijn homoseksuele gevoelens en de omstandigheid dat de islam negatief staat tegenover homoseksualiteit. Eiser heeft daarop slechts geantwoord dat hij dit moeilijk vond en zich hierdoor slecht voelde.

8. Het beroep van eiser op de uitspraak van de Afdeling van 26 april 2023 slaagt naar het oordeel van de rechtbank niet. In die zaak betrof het verder een vreemdeling met onderbouwde problemen met de geestelijke gezondheid, in de vorm van onder meer PTSS, depressiviteit, concentratie- en geheugenproblemen en suïcidale gedachten. Van dergelijke, expliciet benoemde omstandigheden is in het geval van eiser geen sprake. De beroepsgrond slaagt niet.

9. Eiser heeft verder aangevoerd dat de minister niet heeft gemotiveerd waarom een summiere verklaring niet geloofwaardig is, als rekening wordt gehouden met de omstandigheid dat eiser hij niet gewend om in gevoelstermen te praten over zijn gevoelsleven, en een inhoudelijk gesprek hierover hem vreemd is. Hij kan niet meer of anders verklaren, dit zijn zijn persoonlijke belevingen.

10. De rechtbank is van oordeel dat de minister eiser mocht tegenwerpen dat zijn verklaringen op onderdelen niet alleen summier maar ook tegenstrijdig zijn en afbreuk doen aan de geloofwaardigheid van zijn gestelde geaardheid en de daaruit voortvloeiende problemen. Zo heeft eiser op meerdere momenten in het nader gehoor verklaard dat hij zich ook aangetrokken voelt tot vrouwen. Eiser verklaarde dat hij ook enige tijd een relatie had met een vrouw en dat hij gedurende die relatie meerdere malen seks met deze vrouw heeft gehad, waaruit een kind is geboren. Eiser heeft over deze relatie en wat dit met zijn gevoelsleven deed ook verklaard dat hij deze relatie was aangegaan om zijn geaardheid voor de buitenwereld te verhullen en dat de relatie na een maand is gestopt omdat het voor hem niet zo fijn voelde als bij mannen. In de correcties en aanvullingen stelt eiser dat hij alleen en exclusief op mannen valt. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich hierover op het standpunt heeft mogen stellen dat deze tegenstrijdigheden afbreuk doen aan de geloofwaardigheid van de gestelde geaardheid van eiser.

11. De minister heeft zich naar het oordeel van de rechtbank ook op het standpunt mogen stellen dat eiser over zijn relatie met [persoon1] oppervlakkig heeft verklaard. Op vragen wat hij leuk vond aan [persoon1] , heeft eiser slechts verklaard dat dat [persoon1] een goed hart had en dat hij eiser geld gaf als eiser zelf geen geld of schoenen had, en dat hij eiser advies gaf als hij zich niet lekker voelde of ergens zin in had. Ook dit doet afbreuk aan de geloofwaardigheid van de gestelde geaardheid van eiser.

12. Verder mocht de minister zich naar het oordeel van de rechtbank op het standpunt stellen dat eiser tegenstrijdig heeft verklaard over de aanval in [plaats 2] . Zo heeft eiser eerst verklaard dat hij zijn aanvallers niet kende, en later dat hij één van de aanvallers wel kende als iemand uit zijn wijk en dat die eiser uit zijn woonplaats naar [plaats 2] gevolgd was. Over de aangifte die eiser van deze aanval bij de politie heeft gedaan, heeft eiser in eerste instantie verklaard dat hij bij de politie heeft verklaard dat hij door iemand betrapt werd tijdens het vrijen en dat deze persoon dit had doorverteld en dat hij daardoor achtervolgd werd en is aangevallen. De politieagenten gingen hem vervolgens pesten en uitlachen. Vervolgens verklaart eiser dat hij tegenover de politie niet heeft gezegd dat hij homoseksueel is maar dat hij beschuldigd werd van homoseksualiteit en dat hij niet tegen de politie durfde te zeggen dat hij homoseksueel is. De enkele verklaring van eiser dat hij door de tolk niet goed begrepen is, acht de rechtbank onvoldoende voor het oordeel dat de minister deze tegenstrijdigheid niet aan eiser mocht tegenwerpen.

13. Ook de omstandigheden waaronder eiser stelt te zijn betrapt, mocht de minister ongeloofwaardig vinden. Eiser heeft verklaard dat hij voorzichtig was met als doel om zijn geaardheid verborgen te houden omdat hij zich bewust was van de risico’s. Eiser gebruikte hiertoe bijvoorbeeld codes op zijn telefoon. In dat licht mocht de minister het ongeloofwaardig vinden dat eiser voor het vrijen de deur van de kamer vergat af te sluiten, terwijl deze kamer in een gebouw was waar kamers voor een bepaalde tijd konden worden gehuurd en waar andere mensen aanwezig waren. Een dergelijke onzorgvuldigheid waaruit mogelijk grote gevolgen konden voortvloeien past niet bij de voorzichtigheid die eiser in acht stelde te nemen bij het verbergen van zijn geaardheid. Ook hiervan mocht de minister zich op het standpunt stellen dat dit afbreuk doet aan de geloofwaardigheid van de geaardheid van eiser en de als gevolg daarvan ondervonden problemen.

14. De bij de nadere gronden van 30 januari 2026 overgelegde oproep van de Gendarmerie Nationale van 6 november 2023 om zich op 7 november 2023 te melden geeft de rechtbank geen aanleiding voor een ander oordeel. Anders dan eiser heeft betoogd, blijkt uit deze oproep niet dat die te maken heeft met de gestelde geaardheid van eiser. Het op de zitting door eiser ingenomen standpunt dat het niets anders kan zijn dan dat zo is, overtuigt de rechtbank evenmin. Deze beroepsgrond slaagt niet.

15. Eiser heeft ten slotte aangevoerd dat wat hij in de zienswijze heeft gesteld over de gebeurtenissen in [plaats 2] en de omstandigheid dat de minister de in het bestreden besluit genoemde tegenstrijdigheden eerst in het voornemen aan eiser heeft voorgehouden, in strijd is met het bepaalde artikel 3.113 van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb). De minister had eiser in het nader gehoor moeten confronteren met deze tegenstrijdigheden en niet pas in het voornemen.

16. De rechtbank is van oordeel dat geen sprake is van een onzorgvuldig genomen bestreden besluit. Artikel 3.113 van het Vb bepaalt dat bij het afnemen van het nader gehoor de vreemdeling in de gelegenheid wordt gesteld om zo volledig mogelijk de tot staving van zijn aanvraag noodzakelijke elementen aan te voeren. Dat houdt onder meer in dat de vreemdeling in de gelegenheid wordt gesteld om uitleg te geven over eventueel ontbrekende elementen of over inconsistenties of tegenstrijdigheden in zijn verklaringen. Eiser heeft tijdens het nader gehoor voldoende de kans gekregen zijn asielmotieven naar voren te brengen en toe te lichten. Daarbij is hem een aantal malen uitdrukkelijk gevraagd om verduidelijking of nadere uitleg over bepaalde situaties. Bovendien heeft eiser de gelegenheid gehad in de correcties en aanvullingen op het nader gehoor en in de zienswijze een nadere toelichting te geven. Van handelen in strijd met het bepaalde in artikel 3.113 van het Vb is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake. Dat de nadere toelichting van eiser niet altijd is gevolgd, maakt het bestreden besluit nog niet onzorgvuldig. Het beroep slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

17. De minister heeft de aanvraag van eiser terecht afgewezen als kennelijk ongegrond.

Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. N.M. Spelt, rechter, in aanwezigheid van mr. P. Bruins, griffier.

Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 19 februari 2026

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. N.M. Spelt

Griffier

  • mr. P. Bruins

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?