[naam], eiser,
V-nummer: [V-nummer],
(gemachtigde: mr. I.M. Zuidhoek),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister,
(gemachtigde: mr. P. Zijlstra).
Inleiding
1. De minister heeft op 2 november 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hier op de zitting op gereageerd.
De rechtbank heeft het beroep op 9 januari 2026 op zitting behandeld. Eiser en de minister hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten.
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank heeft deze maatregel van bewaring al eerder getoetst, zoals volgt uit de uitspraak van 28 november 2025. In dit beroep is daarom van belang wat er sinds het sluiten van het vorige onderzoek op 21 november 2025 is gebeurd.
Wat vindt eiser?
3. Eiser voert aan dat zicht op uitzetting ontbreekt. Al sinds maart 2024 wordt er gerappelleerd op de lp-aanvraag voor eiser, maar zonder enig resultaat. Eiser kan geen documenten overleggen en de verwachting is daarom niet dat de situatie nog zal wijzigen. Het traject ligt volledig stil en eiser verwacht niet dat er na zo’n lange tijd nog een lp verstrekt zal worden.
Oordeel van de rechtbank
4. De rechtbank is van oordeel dat zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn naar Algerije in algemeen niet ontbreekt. In wat eiser heeft aangevoerd ziet de rechtbank geen aanleiding voor een ander oordeel. Hoewel de lp-aanvraag een langere looptijd heeft, is deze termijn nog niet zodanig lang dat op grond daarvan het zicht op uitzetting ontbreekt. Niet is gebleken dat Algerijnse autoriteiten hebben aangegeven geen lp voor eiser te zullen verstrekken. Daar komt bij dat eiser geen medewerking verleent en verklaart dit pas te gaan doen zodra een lp voor hem is afgegeven. Het zicht op uitzetting is ook daarom in beginsel gegeven.
5. De rechtbank stelt daarnaast vast dat de minister sinds het sluiten van het onderzoek in de vorige periode een vertrekgesprek met eiser heeft gevoerd en drie keer schriftelijk op de lp-aanvraag heeft gerappelleerd, voor het laatst op 8 januari 2026. Op de zitting is door de gemachtigde van de minister daarnaast toegelicht dat individueel rappelleren pas zinvol is wanneer er nieuwe informatie voorhanden is, wat op dit moment niet het geval is. De rechtbank vindt deze gang van zaken voldoende voortvarend. De rechtbank is tot slot van oordeel dat de minister terecht geen aanleiding heeft gezien om aan eiser een lichter middel dan bewaring op te leggen. Eiser heeft geen redenen naar voren gebracht waarin de minister aanleiding had moeten zien om aan eiser een lichter middel op te leggen.
6. De rechtbank ziet ook voor het overige geen grond voor het oordeel dat de maatregel van bewaring in de periode tussen het sluiten van het vorige onderzoek en het sluiten van het onderhavige onderzoek op enig moment onrechtmatig was.
Conclusie en gevolgen
7. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R. Tesfai, rechter, in aanwezigheid van mr. H.A. van der Wal, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.