ECLI:NL:RBDHA:2026:3360

ECLI:NL:RBDHA:2026:3360

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 18-02-2026
Datum publicatie 20-02-2026
Zaaknummer NL26.6172
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Middelburg

Samenvatting

Dublin Frankrijk, interstatelijk vertrouwensbeginsel, beroep ongegrond

Uitspraak

[eiser] , eiser

V-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. M.B. van den Toorn-Volkers),

en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder.

Inleiding

Bij besluit van 3 februari 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen, omdat Frankrijk verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

De rechtbank doet uitspraak zonder zitting.

Beoordeling door de rechtbank

1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedag] 2001 en de Nigeriaanse nationaliteit te hebben. Hij heeft op 8 september 2025 een asielaanvraag ingediend in Nederland.

2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen. Uit Eurodac is gebleken dat eiser op 18 april 2025 in Frankrijk een verzoek tot internationale bescherming heeft ingediend. Verweerder heeft daarom op grond van artikel 18, eerste lid en onder b, van de Dublinverordening de Franse autoriteiten verzocht om eiser terug te nemen. De Franse autoriteiten hebben dit verzoek op 8 november 2025 geaccepteerd op grond van artikel 18, eerste lid en onder b, van de Dublinverordening.

3. Eiser stelt in beroep dat ten aanzien van Frankrijk niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uitgegaan kan worden. Hij zal in Frankrijk op straat terecht komen, nu er te weinig opvanglocaties beschikbaar zijn. Hiervoor verwijst eiser naar het AIDA-rapport over Frankrijk, update 2024, van juni 2025. Eiser loopt derhalve een reƫel en voorzienbaar risico om na de Dublinoverdracht aan Frankrijk van opvang verstoken te blijven en op straat te belanden onder omstandigheden die strijdig zijn met artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest.

De rechtbank oordeelt als volgt.

4. Niet in geschil is dat Frankrijk in beginsel verantwoordelijk is voor de behandeling van eisers verzoek om internationale bescherming. Gelet op het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag verweerder er in beginsel van uitgaan dat Frankrijk zijn verdragsverplichtingen nakomt. Het is aan eiser om aannemelijk te maken dat daar in zijn geval niet van uit kan worden gegaan. Eiser is daarin niet geslaagd.

5. Uit verschillende de uitspraken van de Afdeling volgt dat ten aanzien van Frankrijk nog altijd van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Uit deze uitspraken volgt dat er problemen zijn (geweest) met de opvangvoorzieningen in Frankrijk, maar dat niet is gebleken dat deze problemen dermate structureel en ernstig van aard zijn dat er bij een overdracht aan Frankrijk sprake is van schending van artikel 3 van het EVRM of artikel 4 van het Handvest. In de uitspraak van 31 juli 2025 heeft de Afdeling geoordeeld dat het AIDA-rapport van juni 2025 geen wezenlijk ander beeld oplevert dan volgt uit de landeninformatie die al bij de uitspraak van 30 augustus 2024 door de Afdeling is betrokken. De autoriteiten in Frankrijk hebben daarnaast met het claimakkoord gegarandeerd het verzoek van eiser om internationale bescherming in behandeling te nemen met inachtneming van de Europese asielrichtlijnen. In geval van voorkomende problemen in Frankrijk kan hij zich wenden tot de Franse autoriteiten. Niet gebleken is dat dit voor hem niet mogelijk is of bij voorbaat zinloos is.

6. Het beroep is kennelijk ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan op 18 februari 2026 door mr. M.L. Weerkamp, rechter, in aanwezigheid van mr, E.C. Jacobs, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

De uitspraak is bekendgemaakt op:

Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. M.L. Weerkamp

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?