RECHTBANK DEN HAAG
de Minister van Asiel en Migratie, verweerder (gemachtigde: mr. C.J. Ohrtmann).
Samenvatting
uitspraak
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummers: NL25.33046 en NL25.33048
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser
[eiseres] , V-nummer: [V-nummer] , eiseres,
gezamenlijk te noemen: eisers, mede namens hun minderjarige kind [minderjarige] , V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. C.T.W. van Dijk),
en
Procesverloop
3. Eisers zijn van Syrische nationaliteit en zijn geboren op respectievelijk [geboortedatum 1] 1968 en [geboortedatum 2] 1970. Eisers zijn getrouwd en hebben een minderjarige dochter (geboren op [geboortedatum 3] 2011). Eisers hebben op 7 april 2025 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met de bestreden besluiten van 16 juli 2025 deze aanvragen in de algemene procedure niet-ontvankelijk verklaard1, omdat eisers al internationale bescherming hebben in Bulgarije.
4. Eisers hebben beroep ingesteld tegen de bestreden besluiten.
1. Op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) jo. artikel 3.106a, eerste lid, onder a tot en met e, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb).
5. De rechtbank heeft de beroepen op 14 januari 2026, samen met de verzoeken om een voorlopige voorziening hangende de beroepen (NL25.33047 en NL25.33050), op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eisers, de gemachtigde van eisers en de gemachtigde van de minister. Als tolk is verschenen: H. Ball-Ponne.
Beoordeling door de rechtbank
Het oordeel van de rechtbank
Het bestreden besluit
6. Omdat eisers al internationale bescherming in Bulgarije genieten, hebben zij volgens de minister een zodanige band met Bulgarije dat het redelijk is dat zij naar dat land terugkeren. Verder heeft de minister zich op het standpunt gesteld dat ten aanzien van Bulgarije uitgegaan mag worden van het interstatelijk vertrouwensbeginsel, en dus dat Bulgarije zijn internationale verplichtingen naleeft. Volgens de minister hebben eisers niet aannemelijk gemaakt dat dit niet het geval is. Ook hebben eisers niet aannemelijk gemaakt dat zij in Bulgarije in een situatie terecht zouden komen die in strijd is met artikel 3 van het van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en artikel 4 van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie (Handvest). Verder hebben eisers volgens de minister onvoldoende inspanningen verricht om hun rechten in Bulgarije te effectueren, hebben zij geen hulp gezocht bij de Bulgaarse autoriteiten en hebben zij geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid om te klagen bij de autoriteiten. Dit mocht wel van eisers worden verwacht. De minister vindt daarom dat eisers onmiddellijk moeten terugkeren naar Bulgarije.
Correcties en aanvullingen en het belang van het kind
7. Allereerst voeren eisers aan dat de handelswijze van de minister onzorgvuldig is geweest, omdat het voornemen is verzonden voordat hun correcties en aanvullingen waren ontvangen. Als gevolg hiervan konden eisers pas in de beroepsfase gericht reageren op het standpunt van de minister. Daarnaast stellen eisers dat het niet afwachten van de correcties en aanvullingen niet in het belang van het kind was.
8. De rechtbank overweegt hierover als volgt. In artikel 3.109ca van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) is de versnelde procedure opgenomen. Deze versnelde procedure wordt gevolgd in het geval de aanvraag vermoedelijk niet-ontvankelijk zal worden verklaard, omdat de vreemdeling internationale bescherming geniet in een andere lidstaat van de Europese Unie.2 In dat geval wordt de algemene asielprocedure niet gevolgd. Voor de procedure van eisers geldt dat artikel 3.113, vierde lid, van het Vb daarom niet van toepassing is. De in de algemene procedure geldende termijnen zijn evenmin van toepassing. Uit paragraaf C1/2.7 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc) volgt dat de vreemdeling in de versnelde procedure eventuele correcties en aanvullingen op het rapport van gehoor de dag na het gehoor dan wel gelijktijdig met zijn zienswijze op het voornemen kan indienen.
9. De rechtbank is van oordeel dat de minister overeenkomstig de hiervoor aangeduide regels de versnelde asielprocedure heeft gevolgd. Eisers genieten immers
2 Dat volgt uit de artikelen 30b, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw en 3.109ca, eerste lid, van het Vb.
internationale bescherming in Bulgarije. Verder is het zo dat eisers een zienswijze hebben ingediend. Zij hebben dus de mogelijkheid gehad om hierin correcties en aanvullingen te vermelden. Eisers hebben van deze mogelijkheid geen gebruik gemaakt. Niet gesteld of gebleken is dat eisers door de gevolgde procedure in hun belangen zijn geschaad. Op de zitting hebben eisers bevestigd dat hun belangen niet zijn geschaad. De beroepsgrond slaagt niet.
Interstatelijk vertrouwensbeginsel en bijzondere kwetsbaarheid
10. Verder voeren eisers aan dat het niet vanzelfsprekend is dat zij als gevolg van hun internationale bescherming de gekoppelde rechten effectief kunnen uitoefenen in Bulgarije. Eisers verwijzen naar pagina 112 van het AIDA-rapport van maart 2025 (update 2024). Hieruit volgt volgens eisers dat Bulgarije ook in 2024 het ‘zero integration policy’ uitvoerde, waardoor statushouders extreem beperkte toegang hadden tot basisrechten.3 Eiser voert aan dat de minister miskent dat hij meerdere pogingen heeft gedaan om aan werk te komen. Toegang tot werk werd echter feitelijk belemmerd door leeftijdsdiscriminatie bij arbeidsbureaus en gebrek aan daadwerkelijke sollicitatiekansen. Verder stellen eisers dat zij feitelijk geen toegang hebben tot zorg, omdat de zorg in Bulgarije onbetaalbaar is. Als gevolg hiervan zijn eisers niet in staat om de noodzakelijke medicatie te verkrijgen. Op de zitting hebben eisers toegelicht dat zij bijzonder kwetsbaar zijn, omdat ze allebei diabetes hebben en bij eiser prostaatkanker is geconstateerd. Bij terugkeer naar Bulgarije zullen zij terechtkomen in een situatie van zeer verregaande materiële deprivatie in de zin van het arrest Ibrahim van 19 maart 2019 van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof).4 Gelet hierop kan volgens eisers niet worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel.
11. De rechtbank overweegt dat eisers in Bulgarije internationale bescherming hebben. Daarbij mag de minister er in beginsel van uitgaan dat de behandeling van een vreemdeling in de lidstaat waar hij of zij internationale bescherming heeft, in overeenstemming is met de bepalingen van het Handvest, het Vluchtelingenverdrag en het EVRM. Dit uitgangspunt wordt ook wel het interstatelijk vertrouwensbeginsel genoemd. Het is aan de vreemdeling om dat vermoeden te weerleggen. De rechtbank overweegt verder dat de bijzondere kwetsbaarheid van individuele statushouders ertoe kan leiden dat zij bij terugkeer naar de lidstaat waar zij een asielvergunning hebben gekregen, buiten hun eigen wil en keuzes om, terecht zullen komen in een toestand van zeer verregaande materiële deprivatie, waardoor zij niet kunnen voorzien in hun belangrijkste basisbehoeften, zoals wonen, eten en zich wassen, en waardoor hun lichamelijke of geestelijke gezondheid zou worden geschaad of hun leefomstandigheden mensonwaardig zouden worden. Deze ‘bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid’ volgt uit het arrest Ibrahim van het Hof.5
12. De rechtbank is van oordeel dat eisers niet aannemelijk hebben gemaakt dat er ten aanzien van Bulgarije niet kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel, wat betreft statushouders, en dat zij bij terugkeer naar Bulgarije te maken krijgen met een schending van artikel 3 van het EVRM. De rechtbank overweegt dat de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) op 1 november 2023 in een viertal uitspraken heeft geoordeeld dat ten aanzien van Bulgarije nog steeds van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan.6 De Afdeling heeft in die uitspraken eerdere versies van het AIDA rapport betrokken en vervolgens op basis van het AIDA rapport over 2022 geoordeeld dat de gevolgen van het ‘zero integration policy’ van de Bulgaarse autoriteiten onvoldoende zijn om de drempel uit het arrest Ibrahim te halen.7 Ook in de uitspraak van 24 maart 2025 komt de Afdeling tot dit oordeel, ditmaal op grond van het AIDA rapport update 2023.8 De rechtbank neemt dit oordeel over.
3 Asylum Information Database (AIDA) Country report on Bulgaria van 27 maart 2025 (update 2024).
4 Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) van 19 maart 2019, ECLI:EU:C:2019:219 (arrest Ibrahim), punt 101.
5 Arrest Ibrahim, punt 89 tot en met 91.
13. Het AIDA rapport update 2024 is weliswaar niet bij deze uitspraken van de Afdeling betrokken, maar de door eisers aangehaalde passage staat ook in de eerdere AIDA rapporten en daaruit blijkt naar het oordeel van de Afdeling dus niet dat de situatie zo ernstig is dat statushouders in het algemeen bij terugkeer naar Bulgarije het reële risico lopen dat zij terecht zullen komen in een toestand van zeer verregaande materiële deprivatie in de zin van het arrest Ibrahim. De rechtbank overweegt dat het door eisers aangevoerde in die zin dus geen wezenlijk andere informatie betreft dan de rapporten die al eerder zijn betrokken door de Afdeling. In dit verband heeft de minister op de zitting terecht gesteld dat niet-gouvernementele organisaties (ngo’s) wel helpen bij het verkrijgen van toegang tot integratievoorzieningen. Dat dit niet vanuit de autoriteiten komt, zoals tijdens de zitting door eisers is aangevoerd, doet hier naar het oordeel van de rechtbank niet aan af zolang de autoriteiten toestaan dat ngo’s hulp verlenen.
14. Voorgaande is vooral van belang omdat de Afdeling, los van het standpunt over de ondersteuning bij integratievoorzieningen, heeft vastgesteld dat statushouders bij de Bulgaarse autoriteten kunnen klagen. De stelling van eisers dat dit geen zin heeft omdat zij ervan uitgaan dat anderen dit al hebben gedaan en er in de situatie niets is veranderd, gaat niet op. Immers wordt door eisers niet betwist dat zij zelf nog niet hebben geklaagd bij de (hogere) autoriteiten. Als zij problemen ondervinden bij het effectueren van hun rechten als statushouders, ligt het op hun weg om dit eerst te doen. Dat klagen voor eisers niet mogelijk, of bij voorbaat zinloos is, is niet gebleken. De enkele stelling op de zitting dat de overheid een ‘zero integration policy’ voert en eisers de taal niet spreken is daartoe onvoldoende. Dit geldt ook voor hun stellingen dat zij geen toegang zouden krijgen tot medische voorzieningen, dat de toegang tot werk voor eiser is belemmerd en dat hun dochter in Bulgarije geen onderwijs ontvangt.
15. De rechtbank is verder van oordeel dat eisers niet aannemelijk hebben gemaakt dat zij vanwege medische redenen bijzonder kwetsbaar zijn. Uit medische stukken van 12 december 2025, overgelegd door eiser in zaaknummer NL25.33047, blijkt dat bij eiser prostaatkanker is vastgesteld, waarvoor hij over drie maanden een controle moet ondergaan. Verder heeft eiser tijdens de zitting verklaard dat er wordt gekeken of hij behandeld moet worden of dat het rustig blijft. Ook heeft hij verklaard dat hij diabetes heeft en medicatie in tabletvorm gebruikt. Ook eiseres lijdt volgens het haar betreffende episode overzicht aan diabetes; zij heeft tijdens de zitting toegelicht dat zij vier keer per dag insuline moet spuiten en een oogoperatie moet ondergaan. Wat betreft haar oogklachten bevindt zich in het bovengenoemde dossier een medisch stuk van 7 augustus 2025, waarin enkel staat dat zij over drie maanden terug moet komen.
6 ECLI:NL:RVS:2023:3965, ECLI:NL:RVS:2023:3966, ECLI:NL:RVS:2023:3967 en ECLI:NL:RVS:2023:3968.
7 Zie bijvoorbeeld ECLI:NL:RVS:2023:3966, r.o. 4.2.
8 ECLI:NL:RVS:2025:1224.
16. De rechtbank overweegt dat eisers (dus ook de minderjarige dochter) kwetsbaarder zijn dan een gezond persoon, maar is van oordeel dat zij niet als ‘bijzonder kwetsbaar’ kunnen worden aangemerkt als bedoeld in het arrest Ibrahim. Eisers hebben niet aannemelijk gemaakt dat hun medische klachten dusdanig zijn dat de (hoge) drempel uit dat arrest wordt gehaald en zij bij terugkeer het risico lopen op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM. Uit de medische stukken en de verklaringen van eisers op de zitting blijkt namelijk niet dat hun medische aandoeningen hen belemmeren in hun mogelijkheden om hun rechten als statushouders in Bulgarije te effectueren. In dit verband overweegt de rechtbank dat eisers, doordat zij internationale bescherming hebben in Bulgarije, dezelfde rechten en plichten hebben als Bulgaarse burgers. Het is aan eisers om deze rechten te effectueren. Dat eisers in Bulgarije de benodigde medicatie voor hun suikerziekte niet konden kopen, omdat die te duur was en zij geen zorgverzekering hadden, en zij de medicatie daarom uiteindelijk in Libanon hebben gekocht, leidt – gelet op dat wat hiervoor is overwogen over het interstatelijk vertrouwensbeginsel – niet tot een ander oordeel.
Conclusie en gevolgen
17. De minister mocht de aanvragen van eisers gelet op het voorgaande niet-ontvankelijk verklaren.
18. De beroepen zijn ongegrond. Dat betekent dat eisers geen gelijk krijgen. Eisers krijgen geen vergoeding van hun proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Eversteijn, rechter, in aanwezigheid van mr. F.J. Attema, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
10 februari 2026
Documentcode: [Documentcode]
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.