ECLI:NL:RBDHA:2026:3374

ECLI:NL:RBDHA:2026:3374

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 20-02-2026
Datum publicatie 20-02-2026
Zaaknummer NL25.34352
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Groningen

Samenvatting

Asiel. Jezidi en ontheemdenkamp in de KAR (Kabarto I en II). Beroep gegrond met instandlating van rechtsgevolgen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam] , eiser,

de minister van Asiel en Migratie, de minister

Samenvatting

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummer: NL25.34352

V-nummer: [nummer] ,

(gemachtigde: mr. H.A. Limonard),

en

(gemachtigde: mr. A.E. Geçer).

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van de Vw. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Mede aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.

De rechtbank oordeelt dat het beroep gegrond is en vernietigt het bestreden besluit. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en wat de gevolgen hiervan zijn.

Procesverloop

2. Eiser heeft op 5 april 2023 een asielaanvraag ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 1 juli 2025 deze aanvraag in de verlengde procedure afgewezen als ongegrond.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit, aangevuld met nadere gronden op 25 augustus 2025 en 15 november 2025.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft het beroep op 26 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser (bijgestaan door een tolk), de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

Het asielrelaas

3. Eiser stelt de Iraakse nationaliteit te hebben en te behoren tot de jezidi’s bevolkingsgroep. Eiser heeft verklaard dat hij vanwege de aanval van IS op de jezidi’s in Sinjar op 3 augustus 2014 met zijn familie is gevlucht. Sindsdien woonde eisers gezin in een ontheemdenkamp bij Duhok. De leefomstandigheden daar waren slecht en de overheid was van plan om het kamp te sluiten. Eiser heeft verklaard dat de leefomstandigheden in heel Irak slecht zijn voor jezidi’s en dat jezidi’s worden gediscrimineerd.

Het bestreden besluit

4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:

De minister vindt alle asielmotieven geloofwaardig, maar vindt niet dat is gebleken dat eiser een gegronde vrees heeft voor vervolging zoals gesteld in het Vluchtelingenverdrag. Dat eiser uit Irak komt en jezidi is, is op zichzelf niet voldoende om een vluchteling te zijn. Ook levert terugkeer volgens de minister geen reëel risico op ernstige schade zoals bedoeld in artikel 3 van het EVRM op. Daar is volgens de minister ook geen sprake van door de slechte omstandigheden in het ontheemdenkamp Kabarto in Duhok. De minister concludeert dat eiser niet zodanig is beperkt in zijn bestaansmogelijkheden in Irak dat het leven daar voor eiser onmogelijk is. Eiser moet daarom terugkeren naar Irak. De minister heeft daarom een terugkeerbesluit uitgevaardigd, waarin staat dat eiser binnen vier weken Nederland moet verlaten.

Overwegingen

Zienswijze herhaald en ingelast

5. De rechtbank overweegt dat eisers stelling dat zijn zienswijze als herhaald en ingelast moet worden beschouwd, onvoldoende is om aan te merken als een beroepsgrond waarop de rechtbank moet ingaan. De minister is in het bestreden besluit gemotiveerd ingegaan op de zienswijze. Het is aan eiser om in beroep concreet aan te geven waarom de reactie van de minister op de zienswijze volgens hem niet juist of niet toereikend is. De rechtbank zal zich dan ook richten op wat eiser in beroep heeft aangevoerd.Waar moet eiser naartoe terugkeren?

6. De rechtbank stelt vast dat op de zitting is gebleken dat partijen het eens zijn dat het ontheemdenkamp in de KAR de vaste woon- en verblijfplaats is van eiser. De vraag die partijen verdeeld houdt is of de omstandigheden in het ontheemdenkamp dusdanig zijn dat eiser bij terugkeer een reëel risico loopt op ernstige schade.

Om die vraag te kunnen beantwoorden dient eerst duidelijk te zijn waar eiser in Irak naartoe terug moet keren. De minister stelt zich op het standpunt dat dit het ontheemdenkamp Kabarto is. De rechtbank vindt dit onvoldoende concreet. Uit het Thematisch ambtsbericht volgt dat het vluchtelingkamp Kabarto bestaat uit twee delen: Kabarto I en Kabarto II. Op zitting heeft de minister desgevraagd aangegeven niet te weten of aan Kabarto I of Kabarto II getoetst is. Dit betekent dat sprake is van een motiveringsgebrek. De rechtbank zal hierna beoordelen of de rechtsgevolgen van het besluit in stand kunnen blijven.Humanitaire omstandigheden

7. De rechtbank begrijpt dat de minister zich op het standpunt stelt dat het in dit geval niet uitmaakt of eiser terug moet naar Kabarto I of Kabarto II, omdat de humanitaire omstandigheden in de ontheemdenkampen in de KAR niet dusdanig zijn dat een reëel risico op schending van artikel 3 EVRM dreigt. De rechtbank stelt vast dat de minister zich in het verweerschrift en op de zitting op het standpunt heeft gesteld dat humanitaire omstandigheden in principe geen asielgrond vormen. Dit kan anders zijn als de humanitaire omstandigheden direct te wijten zijn aan één van de strijdende partijen van een conflict (15-c situatie). Maar daar is hier geen sprake van. Daarnaast halen de humanitaire omstandigheden de lat van Sufi en Elmi niet. Uit het Algemeen ambtsbericht Irak 2023 en het Thematisch ambtsbericht Irak november 2025 volgt dat in de ontheemdenkampen humanitaire hulp beschikbaar is, bewoners toegang hebben tot diensten en er relatief veel bewegingsvrijheid is. Ook zijn de basisvoorzieningen in de ontheemdenkampen aanwezig.

De gemachtigde van eiser heeft hier tegenin gebracht dat de veiligheidssituatie van jezidi’s zeer zorgelijk en slecht is. Eiser heeft op de zitting toegevoegd dat hij in het ontheemdenkamp geen hulp ontvangt, er geen stroom is, geen werk en er zijn geen basisvoorzieningen. Ook vinden er regelmatig branden plaats. Bovendien wijkt de feitelijke situatie op dit moment niet af van de situatie uit het eerdere door de minister gevoerde beleid.

De rechtbank overweegt dat eiser zijn stellingen niet heeft onderbouwd met stukken. De enkele verwijzing van eiser naar de brief van Vluchtelingenwerk van 29 oktober 2025 is daarvoor onvoldoende. De gemachtigde van eiser heeft op de zitting namelijk niet nader kunnen duiden wat de informatie over Sinjar betekent voor de situatie van eiser in het ontheemdenkamp Kabarto in de KAR. Verder maakt het op de zitting door eisers gemachtigde genoemde artikel van het International Centre for Counter-Terrorism, dit niet anders. De gemachtigde van eiser heeft namelijk niet concreet gemaakt welke passages uit artikel, dat gaat over de ‘Yazidi [Female] Survivors’ Law’, zijn stellingen over de situatie in het ontheemdenkamp onderbouwen. De enkele stelling dat de situatie in de ontheemdenkampen op dit moment nog net zo is als ten tijde van het eerder door de minister gevoerde beleid, heeft de gemachtigde van eiser evenmin onderbouwd en ook niet nader geconcretiseerd. Dit leidt dan ook niet tot een ander oordeel. Dit betekent dat de rechtbank de rechtsgevolgen van het besluit in stand laat.Conclusie en gevolgen

8. De rechtbank verklaart het beroep van eiser gegrond en vernietigt het bestreden besluit. De rechtbank ziet, zoals opgenomen onder 7.2., wel aanleiding de rechtsgevolgen in stand te laten.

Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. De vergoeding bedraagt € 1.868,-.

Beslissing

De rechtbank:

Deze uitspraak is gedaan door mr. V.A.G. van Dijk, rechter, in aanwezigheid van

mr. J. Dijkstra, griffier en openbaar gemaakt door gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.

De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?