ECLI:NL:RBDHA:2026:3377

ECLI:NL:RBDHA:2026:3377

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 19-02-2026
Datum publicatie 20-02-2026
Zaaknummer NL25.35974
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Middelburg

Samenvatting

‘derdelander Oekraïne’, terugkeerbesluit prematuur, artikel 8 van het EVRM, medische problematiek, beroep ongegrond.

Uitspraak

[eiseres] , eiseres,

V-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. M.S. Yap)

en

de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. R.E. Thijssen).

Inleiding

Verweerder heeft ten aanzien van eiseres op 8 juli 2025 een terugkeerbesluit (het bestreden besluit) genomen en daarin bepaald dat ze moet terugkeren naar het land waarvan ze de nationaliteit heeft. Ook moet ze Nederland, het grondgebied van de EU, EER en Zwitserland binnen vier weken verlaten. Het recht van eiseres op tijdelijke bescherming zoals bedoeld in de Richtlijn 2001/55/EG (Richtlijn Tijdelijke Bescherming, RTB) is geëindigd op 4 maart 2024. Omdat ze nu geen openstaande vreemdelingrechtelijke procedures heeft die leiden tot rechtmatig verblijf in de zin van artikel 8 van de Vw noch een verblijfsvergunning, betekent dit dat eiseres nu niet meer rechtmatig in Nederland verblijft.

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen dit besluit.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft het voornemen geuit om uitspraak te doen zonder een zitting te houden. Eiseres heeft hiermee ingestemd. Verweerder heeft niet binnen de gegeven termijn gereageerd. De rechtbank doet uitspraak buiten zitting op grond van artikel 8:57, eerste lid, van de Awb.

Beoordeling door de rechtbank

1. Eiseres is geboren op [geboortedag] 1991 en heeft de Ghanese nationaliteit.

2. Ten tijde van de inval in Oekraïne door Rusland op 24 februari 2022 verbleef eiseres rechtmatig in Oekraïne op basis van een tijdelijke verblijfsvergunning. Na haar vlucht naar Nederland vanwege deze inval heeft zij tijdelijke bescherming gekregen op grond van de facultatieve bepaling van de RTB als een zogenoemde ‘derdelander Oekraïne’. Omdat er onduidelijkheid ontstond over de vraag of de tijdelijke bescherming van de ‘derdelanders Oekraïne’ eerder beëindigd mag worden dan die van ontheemden met de Oekraïense nationaliteit, heeft verweerder de gevolgen van de beëindiging van het recht op tijdelijke bescherming bevroren. Deze bevriezingsmaatregel is per 4 september 2025 gestopt.

3. Eiseres is het niet eens met het bestreden besluit. Zij voert aan dat verweerder haar tijdelijke bescherming niet mag beëindigen. Volgens eiseres heeft verweerder het bestreden besluit prematuur genomen. Er loopt namelijk nog een procedure tegen de weigering haar een verblijfsvergunning voor verblijf bij partner te verlenen. In dat kader doet eiseres ook een beroep op artikel 8 van het EVRM. Tot slot heeft eiseres, onder verwijzing naar haar medische situatie betoogd dat het voor haar niet verantwoord is te reizen.

De rechtbank oordeelt als volgt.

4. In het arrest van 19 december 2024, ECLI:EU:C:2024:1038, in de zaak [naam 1] en [naam 2] en de daarop gevolgde einduitspraken (ECLI:NL:RVS:2025:1827, ECLI:NL:RVS:2025:1829 en ECLI:NL:RVS:2025:1836 en ECLI:NL:RBAMS:2025:4843) is geoordeeld dat de tijdelijke bescherming van ‘derdelanders Oekraïne’ eerder dan die van Oekraïners mag worden beëindigd, zij het niet vóór 4 maart 2024. Met het bestreden besluit is de tijdelijke bescherming van eiseres na die datum beëindigd. Niet is gebleken dat eiseres op dat moment of sindsdien in het bezit is geweest van een verblijfsvergunning. En dat eiseres een beroepsprocedure aanhangig heeft gemaakt en een verzoek om een voorlopige voorziening heeft ingediend met betrekking tot de afwijzing van haar aanvraag voor een reguliere verblijfsvergunning met als verblijfsdoel ‘familie en gezin’, maakt het voorgaande niet anders. Zoals namelijk blijkt uit de beschikking op bezwaar van 20 februari 2025, heeft dit beroep geen schorsende werking en heeft eiseres geen rechtmatig verblijf. Als en voor zover het verzoek om een voorlopige voorziening door de voorzieningenrechter

zal worden toegewezen, maakt dit evenmin dat aan eiseres geen terugkeerbesluit kon worden opgelegd. Immers, dat eiseres (procedureel) rechtmatig verblijf zou hebben om de uitkomst van die beroepsprocedure af te kunnen wachten, doet niet af aan de vaststelling dat eiseres met de beëindiging van de facultatieve tijdelijke bescherming niet langer voldoet niet aan de voorwaarden voor legaal verblijf in Nederland. Verweerder is daarom bevoegd en verplicht om een terugkeerbesluit op te leggen. Het bestreden besluit vermeldt dat zij binnen vier weken na 4 september 2025 moet terugkeren naar Ghana. Daarmee voldoet het bestreden besluit aan de vereisten van de Richtlijn 2008/115/EG (Terugkeerrichtlijn).

5. De rechtbank is verder van oordeel dat voor een individuele belangenafweging geen plaats is. Het gaat hier immers om een terugkeerbesluit dat is opgelegd na het van rechtswege aflopen van tijdelijke bescherming. Als eiseres vindt dat zij een verblijfsrecht ontleent aan artikel 8 van het EVRM, kan zij een daartoe strekkende aanvraag indienen.

6. Eiseres wordt voorts niet gevolgd in haar stelling dat door verweerder onvoldoende rekening is gehouden met haar medische problematiek. Zoals in het bestreden besluit is uiteengezet, vormen de medische omstandigheden van eiseres geen reden om geen terugkeerbesluit op te leggen. De medische problematiek van eiseres is reeds door het

Bureau Medische Advisering beoordeeld en geconcludeerd is dat bij het

uitblijven van een behandeling eiseres niet terecht zal komen in een medische

noodsituatie. Eiseres heeft geen stukken overgelegd waaruit blijkt dat dit advies onjuist zou zijn.

7. Dit leidt tot de conclusie dat het beroep ongegrond moet worden verklaard. Dit betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. Het bestreden besluit blijft in stand.

8. Eiseres krijgt geen proceskostenvergoeding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan op 19 februari 2026 door mr. M.L. Weerkamp, rechter, in aanwezigheid van mr. P. Lukanika, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

Deze uitspraak is bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. M.L. Weerkamp

Griffier

  • mr. P. Lukanika

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?