4. ECLI:EU:C:2024:1038.
Is er sprake van strijd met het rechtszekerheidsbeginsel?
Ontbreekt er een individuele belangenafweging of een evenredigheidstoetsing?
Artikel 8 van het EVRM
15. Naar het oordeel van de rechtbank is het terugkeerbesluit niet prematuur opgelegd. Uit voormeld arrest van het Hof van 19 december 2024 volgt dat de beëindiging van de tijdelijke bescherming per 4 maart 2024 door de minister rechtmatig is, wat door de Afdeling is bevestigd in haar uitspraak van 23 april 2025.5 Het verblijf van eiser was daardoor vanaf die datum illegaal in de zin van de Terugkeerrichtlijn. Dat het eiser door middel van de bevriezingsmaatregel was toegestaan om tot 4 september 2025 in Nederland te blijven, maakt niet dat sprake was van rechtmatig verblijf in de zin van de Terugkeerrichtlijn. De minister stelt namelijk terecht dat de bevriezingsmaatregel niet betekende dat de tijdelijke bescherming onder de RTB werd verlengd, maar slechts dat eiser feitelijk nog gebruik kon maken van de rechten die hij onder de RTB had. Dit is dus niet meer dan een tijdelijke opschorting.
16. De rechtbank overweegt verder dat de Afdeling in de uitspraak van 17 januari 2024 heeft geoordeeld dat het Unierechtelijke rechtszekerheidsbeginsel of het vertrouwensbeginsel niet aan de beëindiging van de tijdelijke bescherming in de weg staat, en dat de minister geen gegronde verwachtingen heeft gewekt dat derdelanders altijd hetzelfde worden behandeld als andere ontheemden uit Oekraïne met tijdelijke bescherming.6 De Afdeling komt in haar uitspraak tot het oordeel dat schending van het Unierechtelijke rechtszekerheids- of het vertrouwensbeginsel niet aan de orde is.7 In wat eiser heeft aangevoerd ziet de rechtbank geen aanleiding om van dit oordeel af te wijken.
17. Dat de minister, buiten de verplichting die volgt uit artikel 5 van de Terugkeerrichtlijn, een individuele belangenafweging had moeten maken, volgt de rechtbank ook niet. Met het besluit om terug te komen op de toepassing van de facultatieve bepaling voor derdelanders met een tijdelijke verblijfsvergunning in Oekraïne, bestaat geen grondslag meer voor de toekenning en de voortzetting van tijdelijke bescherming aan deze groep. De minister heeft terecht gesteld dat de op een betrokkene toegespitste beoordeling niet verder gaat dan de beoordeling of terecht is vastgesteld dat de tot dan toe genoten tijdelijke bescherming was gebaseerd op het gegeven dat de derdelander beschikte over een tijdelijke Oekraïense verblijfsvergunning, en dat daarnaast niet op een andere grond aanspraak kan worden gemaakt op tijdelijke bescherming.8
18. Artikel 5 van de Terugkeerrichtlijn bepaalt dat lidstaten bij de tenuitvoerlegging van de Terugkeerrichtlijn rekening moeten houden met onder andere het familie- en gezinsleven. Uit vaste rechtspraak van het Hof9 volgt dat hieronder moet worden begrepen dat er ook geen terugkeerbesluit kan worden vastgesteld als daarmee inbreuk zou worden gedaan op recht van eerbiediging van het privéleven van de betrokken derdelander.
5. ECLI:NL:RVS:2025:1829.
Conclusie en gevolgen
6 Zie de uitspraak van de Afdeling van 17 januari 2024, r.o. 10.2.
7 In de uitspraak van 23 april 2025 heeft de Afdeling, onder verwijzing naar haar uitspraak van 17 januari 2024, overwogen dat er geen reden is om tot een ander oordeel te komen.
8 Zie ook de uitspraak van de Afdeling van 17 januari 2024, r.o. 10.3.
19. De rechtbank stelt voorop dat uit artikel 5 van de Terugkeerrichtlijn niet volgt dat de minister bij het uitvaardigen van een terugkeerbesluit moet toetsen of eiser op grond van artikel 8 van het EVRM in aanmerking komt voor een verblijfsrecht. De Terugkeerrichtlijn ziet uitsluitend op de terugkeer van illegaal verblijvende derdelanders en niet op de verkrijging van verblijfsrechten.10 Wanneer eiser meent dat hij een verblijfsrecht ontleent aan het recht op familie- of gezinsleven dan wel zijn privéleven als bedoeld in artikel 8 van het EVRM, kan hij een daartoe strekkende aanvraag kan indienen.
20. Wel moet de minister dus bij het opleggen van een terugkeerbesluit rekening houden met onder meer het privéleven van de derdelander. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister dat in dit geval voldoende gedaan. Eiser is in het voornemen van 4 juni 2025 uitdrukkelijk in de gelegenheid gesteld om redenen naar voren te brengen waarom zou moeten worden afgezien van het terugkeerbesluit. De minister heeft de persoonlijke situatie van eiser, zoals naar voren gebracht in de zienswijze, uitdrukkelijk in het terugkeerbesluit van 28 juli 2025 betrokken. De minister heeft zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat het privéleven dat eiser gedurende zijn verblijfsperiode hier heeft opgebouwd, niet in de weg staat aan het vaststellen van het terugkeerbesluit. In beroep wordt in wezen verwezen naar dezelfde persoonlijke situatie. Dit leidt volgens de rechtbank niet tot een ander oordeel. Hierbij is van belang dat uit wat hiervoor is overwogen volgt dat de minister volgens het Hof bevoegd is om het tijdelijk verblijf te beëindigen. Verder gaat het niet om langdurig verblijf en waren de aan eiser gegeven rechten op grond van de RTB tijdelijk van aard en moet dit geacht worden voor hem ook duidelijk te zijn geweest. De beroepsgrond slaagt niet.
21. Het beroep, voor zover gericht tegen het besluit van 7 februari 2024, is niet-ontvankelijk.
22. Het beroep, voor zover gericht tegen het besluit van 28 juli 2025, is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en dat het terugkeerbesluit in stand blijft.
23. Omdat de niet-ontvankelijkverklaring van het beroep gericht tegen het besluit van 7 februari 2024 het gevolg is van de intrekking van dat besluit, ziet de rechtbank redenen om de minister te veroordelen in de proceskosten die eiser heeft moeten maken. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op €934,- (1 punt voor het indienen van een beroepschrift, met een waarde per punt van €934,- en een wegingsfactor van 1).
9 ECLI:EU:C:2022:913, r.o. 92
10 ECLI:EU:C:2022:913, r.o. 84 en 85.
Beslissing
De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M. den Dulk, rechter, in aanwezigheid van mr. F.J. Attema, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
16 februari 2026
Documentcode: [Documentcode]
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.