[verzoekster 1] , mede namens haar minderjarige zoon [naam] ,
V-nummers [V-nummer 1] en [V-nummer 2] , en
[verzoekster 2] ,
V-nummer [V-nummer 3]
verzoekers
(gemachtigde: mr. A.W.J. van der Meer),
en
de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: mr. M.H.S. Volker).
Inleiding
1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekers tegen de afwijzing van hun aanvragen van 26 januari 2022 voor verblijfsvergunningen.
Verweerder heeft deze aanvragen met het besluit van 21 april 2023 afgewezen. Verzoekers hebben tegen dit besluit bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen. Met het bestreden besluit van 18 juni 2025 op het bezwaar van verzoekers is verweerder bij de afwijzing van de aanvragen gebleven. Verzoekers hebben hiertegen beroep ingesteld (zaaknummer NL25.28590), zodat het verzoek om een voorlopige voorziening geldt als een verzoek gedaan hangende het beroep bij de rechtbank.
De voorzieningenrechter doet op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht uitspraak zonder zitting.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
2. De rechtbank heeft vandaag uitspraak gedaan op het beroep. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om die reden af.
3. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan op 20 februari 2026 door mr. A.C.J. van Dooijeweert, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van N.A. D’Hoore, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.