RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL25.55326
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. B. de Haan),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder (gemachtigde: mr. N. Joseph).
Inleiding
Bij besluit van 17 december 2024 (het bestreden besluit) heeft de minister de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de algemene procedure buiten behandeling gesteld. Eiser is namelijk niet verschenen op het nader gehoor. Daarnaast is aan eiser een terugkeerbesluit uitgevaardigd, gericht op vertrek naar Pakistan. Ook is aan eiser een inreisverbod van de duur van twee jaar opgelegd.
Omdat de minister het bestreden besluit eerst op 4 november 2025 heeft verzonden naar de gemachtigde van eiser, heeft eiser op 11 november 2025 tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Daarnaast heeft eiser de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
De rechtbank heeft het beroep, samen met het verzoek met zaaknummer NL25.55327, op 4 februari 2026 met behulp van beeldverbinding op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister. Eiser heeft niet deelgenomen.
De rechtbank heeft na afloop van de zitting onmiddellijk uitspraak gedaan.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Beoordeling door de rechtbank
1. De rechtbank geeft hiervoor de volgende motivering.
2. De rechtbank stelt op de eerste plaats vast dat eiser in beroep verwijst naar wat hij heeft aangevoerd in de zienswijze, zonder te onderbouwen waarin het bestreden besluit tekortschiet. Van eiser mag worden verwacht dat hij in de gronden van beroep uitlegt waarom hij het niet eens is met de motivering van de minister in het bestreden besluit. Een enkele herhaling van de zienswijze is daartoe onvoldoende en kan dan ook niet worden aangemerkt als een gemotiveerde betwisting van het bestreden besluit.
3. De rechtbank stelt op de tweede plaats vast dat eiser twee keer is uitgenodigd voor een nader gehoor, namelijk voor 30 september 2024 en 2 december 2024. Eiser is beide keren niet verschenen en heeft daarvoor geen geldige reden gegeven. Ook heeft eiser geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid die hem in de twee voornemens is gegeven om binnen twee weken contact op te nemen en uit te leggen waarom hij afwezig was. Op de zitting heeft de gemachtigde van eiser verduidelijkt dat het eiser er in deze procedure om gaat dat wordt vastgesteld dat hij wel een geldige reden had voor zijn afwezigheid. Eiser zegt namelijk dat hij een telefoontje van de IND heeft ontvangen waarin werd meegedeeld dat hij niet hoefde te verschijnen voor het nader gehoor omdat hij toen nog rechtmatig verblijf genoot op grond van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming. Dit volgt de rechtbank niet. Deze stelling is namelijk niet door eiser onderbouwd. De rechtbank begrijpt dat eiser lang op het besluit heeft moeten wachten en dat het mogelijk ondertussen lastiger is geworden om dit te onderbouwen, maar dat neemt niet weg dat eiser al eerder meerdere keren de kans heeft gekregen om uit te leggen waarom zijn niet verschijnen op het nader gehoor niet aan hem toe te rekenen is. Het lag daarom op de weg van eiser om op een eerder moment toe te lichten waarom zijn niet verschijnen niet aan hem toe te rekenen is. Dat heeft hij niet gedaan.
4. Dat betekent dat eiser geen geldige reden voor zijn afwezigheid heeft gegeven. Het is niet aan de minister om dat te doen of verder te onderzoeken. De minister heeft de asielaanvraag van eiser daarom terecht buiten behandeling gesteld. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Voor een proceskostenveroordeling bestaat daarom geen aanleiding.
5. Partijen zijn gewezen op de mogelijkheid om tegen de mondelinge uitspraak in hoger beroep te gaan op de hieronder omschreven wijze.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 4 februari 2026 door mr. A.A.M. Elzakkers, rechter, in aanwezigheid van mr. F.J. Attema, griffier.
Dit proces-verbaal is bekendgemaakt op:
09 februari 2026
Documentcode: [Documentcode]
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking van dit proces-verbaal.