RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiseres 1] , mede namens haar minderjarige [zoon] ,
Samenvatting
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.28590
V-nummers [V-nummer 1] en [V-nummer 2] , en
[eiseres 2] ,
V-nummer [V-nummer 3]
eisers
(gemachtigde: mr. A.W.J. van der Meer),
en
de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: mr. M.H.S. Volker).
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvragen van 26 januari 2022 voor verblijfsvergunningen voor eisers. Eisers zijn het niet eens met die afwijzing. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvragen.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de aanvragen niet in stand kan blijven. Eisers krijgen dus gelijk en het beroep is gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Onder 2 tot en met 12 staan het procesverloop in deze zaak en de van belang zijnde feiten en omstandigheden die hebben geleid tot het bestreden besluit. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 13. Daarbij gaat de rechtbank vooral in op de belangen van het kind. Vanaf 28 gaat de rechtbank in op de overschrijding van de redelijke termijn in de procedure. Aan het eind staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.
Procesverloop
2. Eisers hebben verzocht om vrijstelling van het griffierecht voor de behandeling van hun beroep wegens betalingsonmacht. De rechtbank heeft het verzoek om vrijstelling voorlopig toegewezen. Met het door eisers overgelegde formulier hebben zij voldoende aannemelijk gemaakt dat zij voldoen aan de voorwaarden voor vrijstelling. Het verzoek om vrijstelling van het griffierecht wordt daarom definitief toegewezen.
3. Eisers hebben de Armeense nationaliteit. [eiseres 1] is de moeder van [zoon] en [eiseres 2] . [zoon] is geboren op [geboortedag 1] 2010. [eiseres 2] is geboren op [geboortedag 2] 2001. Op [datum] 2024 is [eiseres 2] getrouwd met [echtgenoot] , die de Nederlandse nationaliteit heeft. [eiseres 2] woont bij haar echtgenoot. [zoon] woont bij zijn moeder. [vader] verblijft in Armenië, nadat hij op 4 september 2016 is uitgezet. Dit alles wordt door verweerder niet betwist, en neemt de rechtbank ook als vaststaand aan.
Voorgeschiedenis
4. Deze zaak kent een lange voorgeschiedenis.
5. Eisers verblijven sinds 2010 in Nederland, zonder dat zij over een verblijfsvergunning beschikken. Op 16 juni 2010 hebben zij (ook met vader) asielaanvragen ingediend. Verweerder heeft deze aanvragen op 8 december 2010 afgewezen. De rechtbank heeft de hiertegen ingestelde beroepen op 6 maart 2012 ongegrond verklaard. Met de uitspraak van de Afdeling van 23 juli 2012 is de uitspraak van de rechtbank bevestigd, waarmee de asielprocedure van eisers is geëindigd.
6. Daarna hebben eisers meerdere aanvragen ingediend met het oog op rechtmatig verblijf in Nederland, bijvoorbeeld uitstel van vertrek op grond van artikel 64 van de Vw en aanvragen op grond van de ‘Definitieve Regeling langdurig verblijvende kinderen’, alles zonder succes. Procedures tegen de afwijzing van die aanvragen zijn allemaal afgerond en de besluiten tot afwijzing van deze aanvragen staan in rechte vast.
7. Het gezin is met ingang van 22 juli 2016 afgemeld als vertrokken met onbekende bestemming. Op 17 augustus 2016 heeft verweerder een terugkeerbesluit en een inreisverbod voor de duur van twee jaar tegen vader uitgevaardigd. De rechtbank heeft het hiertegen ingestelde beroep op 6 januari 2017 ongegrond verklaard, voor zover dit is gericht tegen het inreisverbod. De rechtbank heeft zich onbevoegd verklaard om kennis te nemen van het beroep gericht tegen het terugkeerbesluit. Op 4 september 2016 is vader vanuit vreemdelingenbewaring uitgezet naar Armenië. Het inreisverbod voor twee jaar is op 4 september 2018 vervallen.
8. Op 22 februari 2019 hebben eisers een aanvraag op grond van de ‘Afsluitregeling Definitieve Regeling langdurig verblijvende kinderen’ ingediend. Ook deze aanvraag heeft verweerder afgewezen. Het beroep daartegen is door deze rechtbank en zittingsplaats met de uitspraak van 17 maart 2021 ongegrond verklaard. De Afdeling heeft de uitspraak op 3 januari 2023 bevestigd.
Huidige procedure
9. Eisers hebben op 26 januari 2022 verblijfsvergunningen regulier aangevraagd. [eiseres 2] en [zoon] hebben aanvragen ingediend met het verblijfsdoel ‘humanitair niet-tijdelijk’ en [eiseres 1] met het verblijfsdoel ‘familie en gezin’ voor verblijf bij [eiseres 2] . Deze aanvragen zijn met het besluit van 21 april 2023 (primair besluit) afgewezen. Verweerder heeft in het primaire besluit uitgelegd dat een aanvraag voor een verblijfsvergunning wordt afgewezen als de aanvrager geen geldige machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) heeft. Verweerder heeft vastgesteld dat eisers niet beschikken over een geldige mvv, en vindt dat eisers ook niet van het mvv-vereiste kunnen worden vrijgesteld. Verweerder heeft de belangen van eisers bij een verblijfsvergunning afgewogen tegen het belang van de Nederlandse overheid, en heeft geconcludeerd dat uitzetting van eisers niet in strijd is met artikel 8 van het EVRM. Een belangrijke overweging daarbij is geweest dat er geen familieleven in Nederland is dat geëerbiedigd moet worden. Verweerder ontkent niet dat [eiseres 2] en [zoon] sterke banden hebben met Nederland aangezien zij zijn geworteld in de Nederlandse samenleving, maar die worteling is ontstaan in een periode waarin zij geen recht hadden op verblijf door toedoen of nalaten van hun ouders, en daaraan heeft verweerder in het nadeel van eisers meer gewicht toegekend.
10. Met het bestreden besluit van 18 juni 2025 heeft verweerder de bezwaren van eisers tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.
11. Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Zij vinden dat het bestreden besluit in strijd is met het recht op respect van het familie- en gezinsleven als bedoeld in artikel 8 van het EVRM. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
12. De rechtbank heeft het beroep op 19 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eisers, de gemachtigde van eisers, [naam] als tolk en de gemachtigde van verweerder.
Beoordeling door de rechtbank
13. Het bestreden besluit bepaalt dat eisers Nederland (en de EU) moeten verlaten en dat zij moeten terugkeren naar Armenië. Verweerder heeft in het bestreden besluit overwogen dat de terugkeer naar Armenië niet in strijd is met artikel 8 van het EVRM. De rechtbank volgt verweerder daarin niet.
De belangen van het kind
14. Artikel 8 van het EVRM bepaalt dat een ieder recht heeft op respect van zijn privéleven, familie- en gezinsleven.
15. Verweerder moet bij zijn belangenafweging alle relevante feiten en omstandigheden betrekken. Dit toetst de rechtbank vol. Als alle relevante feiten en omstandigheden zijn meegewogen, moet de rechtbank beoordelen of de uitkomst van de belangenafweging getuigt van een ‘fair balance’ tussen enerzijds het belang van eisers bij de uitoefening van het familie- en gezinsleven in Nederland en anderzijds het algemeen belang van de Nederlandse staat bij het voeren van een terughoudend toelatingsbeleid. Dit laatste toetst de rechtbank enigszins terughoudend, omdat verweerder een zekere ruimte heeft om hierin een keuze te maken.
16. Uit artikel 3 van het IVRK volgt dat verweerder in zijn beslissing de belangen van het kind voorop dient te stellen. De rechtbank moet beoordelen of verweerder zich voldoende rekenschap heeft gegeven van de belangen van het kind en dus bij de uitoefening van zijn bevoegdheden binnen de grenzen van het recht is gebleven.
17. De rechtbank stelt vast dat het gezinsleven ten tijde van het bestreden besluit wezenlijk anders was dan dat het was ten tijde van de laatste aanvraagprocedure. In de laatste procedure maakte vader nog onderdeel uit van het gezin. Vast staat dat vader sinds zijn uitzetting in 2016 in Armenië verblijft. Eisers hebben ter zitting toegelicht dat de feitelijke gezinsband met vader is verbroken: zij zijn niet op de hoogte van zijn feitelijke verblijfplaats in Armenië, hij speelt geen belangrijke rol meer in het gezin, en [eiseres 2] en [zoon] hebben slechts sporadisch telefonisch contact met hem. Vast staat verder dat [eiseres 2] inmiddels is getrouwd en dat aan haar inmiddels (na het bestreden besluit) een verblijfsvergunning is verleend voor verblijf bij haar echtgenoot.
18. De rechtbank stelt ook vast dat de belangen van het kind – in dit geval [zoon] – niet (kenbaar) als eerste overweging zijn betrokken in de beoordeling. Meegewogen is dat [zoon] in Nederland is geboren, altijd in Nederland heeft gewoond en hier is geworteld, en dus sterke banden heeft met Nederland. Verweerder heeft echter doorslaggevend gewicht toegekend aan zijn afweging dat er geen familieleven in Nederland is dat geëerbiedigd moet worden, omdat het gezin door de uitzetting niet van elkaar gescheiden wordt. Verweerder heeft daarbij miskend dat [zoon] inmiddels een hechte band heeft opgebouwd met [echtgenoot] , de echtgenoot van [eiseres 2] , en dat [echtgenoot] hem veel steun, stabiliteit en een veilige thuisbasis biedt. Mede gelet op de afwezigheid van een vaderfiguur in de huidige levensfase van adolescentie van [zoon] , had verweerder daaraan zwaarder gewicht moeten toekennen. Opvallend is verder dat verweerder aanneemt dat er bij een verhuizing naar Armenië sprake zal zijn van een ontwikkelingsbedreiging bij [zoon] , maar vervolgens concludeert dat dit geen zeer bijzondere omstandigheid is om doorslaggevend gewicht aan toe te kennen. Verweerder neemt daarbij zonder meer aan dat [zoon] bekend staat om zijn positiviteit, ijverigheid, leergierigheid en enthousiasme, en dat deze eigenschappen hem zullen helpen in Armenië. Deze conclusie heeft verweerder kennelijk gebaseerd op [zoon] ’s eigen omschrijving van positieve karaktereigenschappen in het bezwaarschrift. De rechtbank is van oordeel dat verweerder deze conclusie over het aanpassingsvermogen van [zoon] bij terugkeer naar Armenië niet had mogen trekken zonder hem persoonlijk te horen of deskundig onderzoek te laten verrichten. Dit klemt temeer nu [zoon] in Nederland is geboren, hier zijn gehele leven heeft gewoond en zich in een kwetsbare fase van zijn ontwikkeling bevindt.
19. In een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, van 22 mei 2025 is expliciet overwogen dat verweerder de in Nederland gewortelde kinderen zelf had kunnen horen en dat het nalaten daarvan voor rekening en risico van verweerder komt. Opvallend is daarbij dat in die zaak BIC-rapporten over de kinderen waren overgelegd, waarin concreet werd ingegaan op ontwikkelingsrisico’s en het ontbreken van een ondersteunend netwerk bij terugkeer. Verweerder heeft in het bestreden besluit volstaan met een opsomming van omstandigheden zonder deze concreet en individueel te onderbouwen. Niet kenbaar is gemotiveerd hoe de belangen van [zoon] als minderjarige daadwerkelijk en zelfstandig zijn gewogen. Daarmee is onvoldoende concreet onderbouwd dat en hoe het belang van het kind als eerste overweging is gewogen zoals het IRVK dat vraagt. Daarbij geldt dat het belang van het kind breder is dan enkel het bijeenhouden van het gezin – in dit geval [zoon] en zijn moeder – maar ook ziet op (verdere) ontwikkeling, sociale worteling, stabiliteit en toekomstperspectief. Een draagkrachtige en op [zoon] toegespitste motivering ontbreekt derhalve. Daarbij geldt ook dat in het geval van [zoon] zowel een persoonlijk gehoor als een onderzoeksrapport ontbreekt.
20. Daarnaast volgt uit de uitspraak van de Afdeling van 22 december 2023 dat het op de weg van verweerder ligt een BIC-rapport te betrekken bij de beoordeling van de evenredigheid van het beleid, wanneer wordt aangevoerd dat de gevolgen voor een kind onevenredig zijn. Hoewel eisers hebben aangevoerd dat [zoon] zich bij terugkeer naar Armenië niet zal kunnen handhaven, mede vanwege zijn sterke worteling in Nederland en zijn vrees voor dienstplicht, is geen deskundig onderzoek verricht naar de aannemelijkheid van deze risico’s. Zoals hiervoor al is overwogen, gaat verweerder in het bestreden besluit uit van [zoon] ’s positieve karaktereigenschappen, zonder dat deze inschatting is gebaseerd op enig deskundig onderzoek. Daarmee ontbreekt een zorgvuldig en individueel onderbouwde belangenafweging.
21. Dat [zoon] in grote mate in Nederland is geworteld, wijt verweerder aan de keuzes van zijn ouders om niet uit Nederland te vertrekken, en dat heeft verweerder in het nadeel van [zoon] meegewogen. De rechtbank overweegt dat [zoon] geen invloed heeft gehad op het verblijfsrechtelijk handelen van zijn ouder(s). Uit het IVRK volgt dat een kind niet mag worden benadeeld vanwege het handelen van zijn ouders en dat zijn belangen zelfstandig moeten worden beschermd. Indien het tegenwerpen van dat handelen ertoe leidt dat [zoon] zijn vertrouwde leefomgeving, sociale netwerk, onderwijs en stabiele opvoedsituatie moet verlaten, raakt dat hem rechtstreeks in zijn ontwikkeling en identiteitsvorming. Toerekening van ouderlijk handelen aan het kind moet daarom evenwichtig zijn en mag niet onredelijk bezwarend zijn. Hierbij moet ook de ernst van de gestelde contra-indicatie worden meegewogen.
22. De rechtbank is daarom van oordeel dat verweerder in zijn belangenafweging onvoldoende rekening heeft gehouden met de belangen van [zoon] als het minderjarige kind, en dat het bestreden besluit op dat punt is gebaseerd op onzorgvuldig onderzoek en onvoldoende is gemotiveerd. Dat leidt ertoe dat het bestreden besluit in strijd is met het zorgvuldigheids- en het motiveringsbeginsel.
Het gezinsleven van [eiseres 2]
23. [eiseres 2] is op [geboortedag 2] 2019 meerderjarig geworden. Zij was dus meerderjarig op de dag waarop de aanvraag werd ingediend. Op [datum] 2024 is zij getrouwd met [echtgenoot] . Op de dag dat verweerder het bestreden besluit nam, was zij dus getrouwd en had zij een gezinsleven met [echtgenoot] .
24. [eiseres 2] heeft ter zitting toegelicht dat zij, ondanks dat zij inmiddels beschikt over een verblijfsvergunning voor verblijf bij haar echtgenoot, nog steeds aanspraak maakt op een zelfstandig verblijfsrecht en daarom nog steeds belang heeft bij een toewijzing van haar aanvraag.
25. Dat [eiseres 2] is getrouwd, was bekend bij verweerder toen hij het bestreden besluit nam en is ook in het besluit vermeld, maar verweerder heeft dit in de belangenafweging geen rol laten spelen, omdat er volgens hem geen sprake is van een beschermenswaardig gezinsleven. Het bestreden besluit is op dit punt ook onvoldoende deugdelijk gemotiveerd, mede in de context van hetgeen hiervoor is overwogen over de banden met [zoon] .
Tussenconclusie
26. Uit het voorgaande volgt dat het bestreden besluit voor wat betreft de aangevraagde verblijfsvergunningen voor [zoon] en [eiseres 2] op meerdere punten onvoldoende is gemotiveerd. Het beroep zal reeds daarom gegrond worden verklaard en het bestreden besluit zal worden vernietigd. Verweerder zal opnieuw alle relevante feiten en omstandigheden moeten wegen en op basis daarvan een nieuw (beter gemotiveerd) besluit moeten nemen op de bezwaren.
27. Ook voor wat betreft de aangevraagde verblijfsvergunning voor [eiseres 1] zal, gelet op het verblijfsdoel en de minderjarige leeftijd van [zoon] , opnieuw op de bezwaren moeten worden beslist. De nieuw te nemen besluiten voor [zoon] en [eiseres 2] hebben vanzelfsprekend ook consequenties voor haar aanvraag. Verweerder zal dus, na de heroverweging van de besluiten voor [zoon] en [eiseres 2] , ook opnieuw over het bezwaar van [eiseres 1] moeten nadenken.
Overschrijding redelijke termijn
28. Eisers hebben verzocht om een vergoeding van de door hen geleden (immateriële) schade, omdat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM is overschreden. Artikel 6, eerste lid, van het EVRM bepaalt dat een ieder recht heeft op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak, binnen een redelijke termijn, door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat bij de wet is ingesteld.
29. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling is de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM overschreden, als de duur van de totale procedure te lang is. De vraag of de zaak binnen een redelijke termijn is behandeld, moet worden beantwoord aan de hand van de omstandigheden van het geval. Daarbij zijn van betekenis de ingewikkeldheid van de zaak, de wijze waarop deze door het bestuursorgaan en de rechter is behandeld, het processuele gedrag van betrokkene gedurende de hele procesgang en de aard van de maatregel en het daardoor getroffen belang van betrokkene. Als uitgangspunt geldt dat in zaken die uit twee rechterlijke instanties bestaan een totale lengte van de procedure van vier jaar redelijk is. Hiervan geldt een half jaar voor de bezwaarfase, anderhalf jaar voor de beroepsfase en twee jaar voor het hoger beroep. De redelijke termijn vangt in beginsel aan op het moment waarop het bestuursorgaan het bezwaar heeft ontvangen.
30. In dit geval is er sinds de ontvangst van het bezwaarschrift op 17 mei 2023 op het moment van de uitspraak twee jaar en negen maanden verstreken. Daarvan heeft de bezwaarfase ruim twee jaar geduurd en de beroepsfase sinds het indienen van het beroepschrift bijna acht maanden. Daarmee is de redelijke termijn met negen maanden overschreden. Eisers hebben recht op vergoeding van immateriële schade. De overschrijding van de redelijke termijn moet volledig worden toegerekend aan verweerder. De vergoeding voor overschrijding van de redelijke termijn bedraagt € 500 per half jaar, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond. De rechtbank ziet in het procesgedrag van eisers geen aanleiding om van het toekennen van een schadevergoeding af te zien of om de hoogte van de schadevergoeding te matigen. De rechtbank zal verweerder daarom opdragen om aan eisers een schadevergoeding van € 1.000 te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de datum van openbaarmaking van deze uitspraak tot aan de dag van de algehele voldoening.
Slotconclusie en gevolgen
31. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met het zorgvuldigheids- en het motiveringsbeginsel. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen mogelijkheid om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten of zelf een beslissing over de aanvragen te nemen. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht dat verweerder een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank geeft verweerder hiervoor een termijn van acht weken na de datum van openbaarmaking van deze uitspraak.
32. Omdat eisers geen griffierecht hebben betaald, hoeft verweerder geen griffierecht aan hen te vergoeden. Omdat het beroep gegrond is krijgen eisers een vergoeding van hun proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868 omdat de gemachtigde van eisers een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verweerder moet daarnaast een schadevergoeding aan eisers betalen voor het overschrijden van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het besluit van 18 juni 2025;
- draagt verweerder op binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de bezwaren van eisers met inachtneming van deze uitspraak;
- veroordeelt verweerder tot het betalen van € 1.000 aan schadevergoeding aan eisers, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de datum van openbaarmaking van deze uitspraak tot aan de dag van de algehele voldoening;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868 aan proceskosten aan eisers.
Deze uitspraak is gedaan op 20 februari 2026 door mr. A.C.J. van Dooijeweert, rechter, in aanwezigheid van N.A. D’Hoore, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
Uitspraak bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.