ECLI:NL:RBDHA:2026:3413

ECLI:NL:RBDHA:2026:3413

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 20-02-2026
Datum publicatie 20-02-2026
Zaaknummer C/09/697724 / KG ZA 26-39
Rechtsgebied Civiel recht; Verbintenissenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Den Haag

Samenvatting

Elektriciteitsaansluitingen kleinverbruik. Elektriciteitswet/Energiewet. Eisers zijn eigenaar van een opgeleverde nieuwbouwwoning. Zij vorderen dat Liander wordt veroordeeld om een werkende kleinverbruikersaansluiting te realiseren, of in ieder geval een voorschot op schadevergoeding in de vorm van een tijdelijke stroomvoorziening (noodaggregaat). In deze procedure worden de vorderingen van eisers afgewezen.

Uitspraak

Rechtbank den haag

Team handel - voorzieningenrechter

zaak- / rolnummer: C/09/697724 / KG ZA 26-39

Vonnis in kort geding van 20 februari 2026

in de zaak van

1. [eiser] te [woonplaats] ,

2. [eiseres] te [woonplaats] ,

eisers,

advocaat mr. A.S. van Gaalen te Hoofddorp,

tegen:

LIANDER N.V. te Arnhem,

gedaagde,

advocaten mrs. R.W. de Vlam en A. Mahmoud te Amsterdam.

Eiser sub 1 wordt hierna ‘ [eiser] ’ genoemd. Eisers worden hierna gezamenlijk [eisers] c.s. genoemd. Gedaagde wordt hierna ‘Liander’ genoemd.

Waar gaat deze zaak over (in het kort)?

[eisers] c.s. zijn eigenaar van een opgeleverde nieuwbouwwoning in Hillegom. Deze woning is nog niet aangesloten op het elektriciteitsnet. Zij hebben in juli 2024 bij Liander een aanvraag voor een aansluiting gedaan. Liander heeft nu als planning dat in het derde kwartaal van 2027 het nabijgelegen hoofdnet wordt uitgebreid en dat daarna de aansluiting kan worden verzorgd. [eisers] c.s. vorderen dat Liander wordt veroordeeld om een werkende kleinverbruikersaansluiting te realiseren, of in ieder geval een voorschot op schadevergoeding in de vorm van een tijdelijke stroomvoorziening (noodaggregaat).

In deze procedure worden de vorderingen van [eisers] c.s. afgewezen. Liander heeft aannemelijk gemaakt dat uitbreiding van het elektriciteitsnet (laagspanningsnet) een voorwaarde is om de woning veilig te kunnen aansluiten. Van Liander kan niet worden verlangd dat zij de planning wijzigt om [eisers] c.s. voorrang te geven op (vele) andere wachtenden op uitbreiding van het elektriciteitsnet. In dit kort geding – waarin voor feitenonderzoek en bewijslevering geen ruimte is – is niet aannemelijk gemaakt dat Liander nalatig is gebleven om de aanvraag van [eisers] c.s. op te pakken. De kortgedingrechter is van oordeel dat tegen de achtergrond van de algemeen bekende capaciteitsproblemen op het net, [eisers] c.s. niet hebben mogen aannemen dat zij binnen de door hen (in deze procedure) genoemde termijn konden worden aangesloten op een nog aan te leggen hoofdnet.

1. De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de conceptdagvaarding met producties 1 tot en met 18;

- het overgelegde bericht van 7 januari 2026 van de advocaat van Liander aan de advocaat van [eisers] c.s. waarin hij bevestigt dat Liander vrijwillig in de procedure – die op 19 januari 2026 is bepaald op 3 februari 2026 – zal verschijnen;

- de conclusie van antwoord met producties 1 tot en met 8;

- de op 29 januari 2026 overgelegde aanvullende producties 9 en 10 van de zijde van Liander;

- de op 30 januari 2026 overgelegde producties 19 en 20 van de zijde van [eisers] c.s.

- de op 3 februari 2026 gehouden mondelinge behandeling, waarbij van de zijde van [eisers] c.s. pleitnotities zijn overgelegd.

Tijdens de zitting is vonnis bepaald op vandaag.

2. De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

[eisers] c.s. zijn eigenaar van het perceel [adres 1] , waarop zij een woning (hierna: de woning) hebben laten bouwen. Ook aan de [adres 2] , [adres 3] en [adres 4] zijn nieuwe woningen gebouwd.

Liander is een netbeheerder in de zin van (voorheen) de Elektriciteitswet 1998 en sinds 1 januari 2026 distributiesysteembeheerder in de zin van de Energiewet en beheert distributiesystemen voor elektriciteit (en gas) in de provincies Gelderland en Noord-Holland en in grote delen van Flevoland, Friesland en Zuid-Holland. Liander is belast met het aansluiten van afnemers (op grond van voorheen artikel 23 Elektriciteitswet, nu artikel 3.38 Energiewet), het transporteren van elektriciteit (op grond van voorheen artikel 24 Elektriciteitswet, nu artikel 3.46 Energiewet). De uitvoering van de wettelijke taken van Liander staan onder toezicht van de Autoriteit Consument en Markt (ACM) die ook de (maximum) tarieven en de technische voorwaarden vaststelt voor die wettelijke taken.

Op 16 juli 2024 heeft [eiser] van zijn kopersbegeleider van GroothuisBouw een mailbericht ontvangen ter voorbereiding op de bouw van de woning. In deze mail zijn [eisers] c.s. erop gewezen dat zij een aanvraag voor een bouwaansluiting en een aanvraag voor de definitieve aansluiting zouden moeten doen. Daarbij is een indicatieve planning gegeven waarbij week 12 van 2025 de voorkeursweek is voor de definitieve aansluiting door nutsmaatschappijen. In dit bericht is het advies gegeven om zo snel mogelijk te starten met de aanvragen, waarbij erop is gewezen dat nutsmaatschappijen regelmatig vertraging hebben in deze drukke bouwperiode.

Op 16 juli 2024 heeft [eiser] via de site mijnaansluiting.nl een aanvraag gedaan voor een bouwaansluiting (die uiteindelijk niet via Liander is geplaatst) en ook heeft hij onder aanvraagnummer [nummer 1] een aanvraag ingediend voor een nieuwe aansluiting van 3x25 Ampère (3-fase). In de aanvraag voor deze kleinverbruikersaansluiting is bij ‘Voorkeur planning’ door [eiser] ‘Week 12-2025’ opgegeven en bij ‘Type object’ staat ‘Woonhuis’ vermeld. In de aanvraag heeft [eiser] als reden voor de aanvraag opgegeven dat de bestaande aansluiting een bouwaansluiting is. De aanvraag is aan [eiser] bevestigd. Onderaan in de aanvraagbevestiging staat het volgende weergegeven:

In het Opdrachtdocument van Liander met aanvraagnummer [nummer 1] staat opgenomen dat [eiser] , als aanvrager, op 16 juli 2024 akkoord is gegaan met de opdracht aan Liander. Daarin staat ook vermeld dat op de opdracht de algemene voorwaarden aansluiting en transport en de algemene voorwaarden werkzaamheden en diensten van toepassing zijn. Liander heeft [eiser] een bedrag van € 1.234,20 in rekening gebracht voor de aangevraagde nieuwe elektriciteitsaansluiting.

Een door Liander overgelegd e-mailbericht van 24 juli 2024 van de heer [naam] (hierna: [naam] ), werkvoorbereider van Liander, aan [eiser] heeft de volgende inhoud:

“Wij hebben uw aanvraag [nummer 2] zojuist besproken. In deze e-mail leest u wat u kunt verwachten.

Zo als vanmorgen besproken heb ik ook de bouwaansluiting naar mij toegehaald, deze zal ik eerst oppakken zodra het nieuwe hoofdnet wat er gelegd gaat worden bij ons bekent is.

Dit is mijn eigen mail, mocht u aanvullede informatie hebben kunt u dat hier naar toe sturen.

Zo doorlopen wij uw aanvraag

Stap 1: Wij starten de voorbereiding

(…)

Stap 2: Wij hebben onder aannemer gevraagd de werkzaamheden voor ons uit te voeren. Als de voorbereidingen zijn afgerond dragen wij de werkzaamheden over aan de aannemer.

(…)

Stap 3: De aannemer maakt met u een schouwafspraak

(…)

Stap 4: Uitvoering werkzaamheden

(…)

Voorkeursplanning is niet de definitieve planning

Wij doen er alles aan om uw voorkeursplanning te halen. Helaas is dit niet altijd mogelijk. Wij begrijpen goed hoe vervelend het kan zijn als het werk vertraging oploopt. Als de planning moet worden aangepast, dan informeren wij u hierover. Mogelijke oorzaken van vertraging zijn:

(…)

Het stroomnet raakt op steeds meer plekken vol. Het is op deze plekken dan helaas tijdelijk niet meer mogelijk om nieuwe of zwaardere aansluitingen met het gewenste vermogen aan te sluiten. Het stroomnet moet dan eerst uitgebreid worden en dat kost tijd. Als dit voor uw situatie geldt, dan informeert onze werkvoorbereider u hierover.

(…)”

Op 6 januari 2025 zijn de graafwerkzaamheden voor de bouw van de woning van [eisers] c.s. aangevangen.

[eiser] heeft [naam] op 3 april 2025 onder meer als volgt bericht:

“Wij spraken mekaar begin maart over de aansluiting voor mijn nieuwe woning te [plaats] . Van mijn buren kreeg ik nu het bericht dat er een vertraging van 2 jaar zou zitten op de aansluiting. Dan is uiteraard de vraag of dit ook voor mij geldt? Dat er vertraging is was wel duidelijk maar een zo lange tijd leek het nog niet te zijn. Ik hoor dit graag nog en hoop uiteraard dat dit niet het geval is.

Onze woning is al gereed voor oplevering maar dit zal dan zonder stroom worden. Je kan je voorstellen dat een vertraging van 2 jaar wel een heel groot probleem zal worden. (…)”

Op 5 april 2025 heeft [eiser] bij Liander een klacht ingediend vanwege de lange tijd die gemoeid zal zijn met aansluiting van de woning op het elektriciteitsnet.

[naam] heeft [eiser] op 9 april 2025 bericht dat er in de wijk van [eiser] geen ruimte is op het stroomnet voor een nieuwe aansluiting met het gevraagde vermogen. Over de gevolgen daarvan heeft [naam] [eiser] het volgende bericht:

“Wat betekent dit voor u?

Er is op dit moment geen ruimte op het stroomnet in uw wijk voor de door u aangevraagde aansluiting 3x25A. We moeten eerst nieuwe kabels aanleggen, een nieuw stroomhuisje plaatsen of een nieuw verdeelstation bouwen om de ruimte op het stroomnet in uw wijk uit te breiden. We begrijpen goed hoe vervelend dat voor u kan zijn. We belasten het huidige stroomnet extra om zoveel mogelijk klanten aan te sluiten. Maar helaas is dit niet voldoende voor alle aanvragen die wij ontvangen. We breiden het stroomnet zo snel mogelijk uit, maar dat kost tijd. Meer hierover leest u op onze website: www.liander.nl/levertijden.

We leggen graag de volgende opties aan u voor:

1. U laat uw aanvraag staan en wacht tot het stroomnet in uw wijk is uitgebreid. We realiseren uw aansluiting zodra het stroomnet in uw wijk is uitgebreid. Het duurt nog minimaal 2 jaar voordat er voldoende ruimte beschikbaar is op het stroomnet in uw wijk. Zodra bekend is wanneer er weer voldoende ruimte is op het stroomnet in uw wijk, nemen wij contact met u op om een afspraak in te plannen.

2. U annuleert uw aanvraag. Heeft u al betaald? Dan storten wij binnen 14 dagen het betaalde factuurbedrag van uw opdracht terug op uw rekening. U kunt altijd op een later moment een nieuwe aanvraag indienen via www.mijnaansluiting.nl. Geeft uw annulering per e-mail aan ons door.

(…)”

Op 11 april 2025 heeft [eiser] Liander een termijn van 14 dagen gesteld om een oplossing te vinden. Hij heeft Liander voorgehouden dat zij als netbeheerder verplicht is binnen een redelijke termijn een aansluiting te realiseren. Daarna heeft [eiser] nogmaals meerdere keren contact opgenomen met Liander. Op 12 juni 2025 heeft [naam] [eiser] bericht dat hij niets voor [eiser] kan betekenen en dat het voor hem ook afwachten is tot er een hoofdnet-project loopt.

De rechtsbijstandsverzekeraar van [eiser] heeft Liander een ingebrekestellingsbrief gestuurd en Liander gesommeerd om binnen zes weken alsnog over te gaan tot het aansluiten van de woning op het elektriciteitsnet. Daarop heeft Liander laten weten dat de door [eiser] gewenste aansluiting niet mogelijk is omdat het elektriciteitsnet zijn capaciteitsgrens heeft bereikt waardoor er onvoldoende transportcapaciteit beschikbaar is.

Ook de advocaat van [eiser] heeft Liander daarna nog aangeschreven en onder meer verzocht te bevestigen dat binnen 18 weken de aansluiting van de woning van [eiser] op het elektriciteitsnet zal zijn gerealiseerd, bij gebreke waarvan een procedure zal worden gestart. Liander heeft daarop onder meer bericht dat in de straat van de woning van [eisers] c.s. geen LS kabel ligt en dat om de woning aan te kunnen sluiten er eerst een netuitbreiding moet plaatsvinden. Daarbij is de verwachting uitgesproken dat dit in het derde kwartaal van 2027 kan plaatsvinden. Liander heeft aansprakelijkheid voor mogelijke schade bij [eiser] op grond van haar algemene voorwaarden van de hand gewezen.

3. Het geschil

[eisers] c.s. vorderen bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

Primair: Liander te gebieden om binnen twee weken, althans binnen een termijn door de voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen na betekening van het te wijzen vonnis een werkende 3x25A-aansluiting te realiseren op het perceel van [eisers] c.s. op straffe van een dwangsom van € 5.000,- per dag met een maximum van € 75.000,0;

Subsidiair: Liander te gebieden om binnen twee weken na betekening van het te wijzen vonnis een tijdelijke stroomvoorziening te leveren of aan [eiser] , bij wege van voorschot een bedrag te vergoeden, bestaande uit een schadevergoeding wegens het plaatsen van een noodaggregaat en daarvoor Liander te veroordelen tot vergoeding van de kosten van een noodzakelijk te huren aggregaat van € 2.500,- per maand, gebaseerd op € 80,- per dag huur + € 45,- per dag brandstof, hetgeen bij de door Liander genoemde verwachte wachttijd van 24 maanden (tot Q3 2027) resulteert in een voorzienbare schade van € 60.000,- te vermeerderen met bijkomende kosten waaronder de verschuldigde wettelijke rente vanaf 12 november 2025 tot aan de dag der algehele voldoening;

Liander te veroordelen in de proceskosten en nakosten.

Daartoe voeren [eisers] c.s. – samengevat – het volgende aan.

Liander is op grond van artikel 23 lid 1 Elektriciteitswet verplicht verzoekers zoals [eisers] c.s. binnen een redelijke termijn van een aansluiting te voorzien. Die termijn is al lang verstreken. Er zijn geen technische beperkingen om de aansluiting te realiseren. Liander handelt in strijd met haar contractuele plicht en maakt daarmee inbreuk op het eigendomsrecht van [eisers] c.s. en op hun lichamelijke integriteit en dat van hun gezin. De huidige woonsituatie is uiterst problematisch met potentieel schadelijke gevolgen voor [eisers] c.s. en hun gezin.

Omdat Liander nalatig is gebleven de aansluiting te leveren, hebben [eisers] c.s. subsidiair recht op een voorschot op vergoeding van door hen geleden schade omdat zij hoge kosten moeten maken om in een alternatief te kunnen voorzien.

Liander voert verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

4. De beoordeling van het geschil

De woning van [eisers] c.s. is al opgeleverd en zij wonen met hun jonge kinderen ook al in de woning, maar deze is nog niet aangesloten op het elektriciteitsnet. [eisers] c.s. leggen aan hun vorderingen ten grondslag dat Liander haar verplichting om de woning aan te sluiten niet nakomt, zodat het spoedeisend belang van [eisers] c.s. bij hun vorderingen is gegeven.

Liander stelt dat het gevorderde gebod tot het realiseren van een 3x25A-aansluiting moet worden afgewezen omdat er in het geheel geen transportcapaciteit voor [eisers] c.s. beschikbaar is. Het realiseren van een aansluiting kan volgens Liander pas plaatsvinden als eerst uitbreiding van het laagspanningsnet heeft plaatsgevonden. Liander voert aan – en heeft dit nader onderbouwd – dat uitbreiding van het laagspanningsnet niet op korte termijn valt te realiseren, en dat minder arbeidsintensieve door [eisers] c.s. aangevoerde alternatieven niet voorhanden zijn. Hierna zal worden uitgelegd dat dit verweer van Liander slaagt.

De aanvraag van [eisers] c.s. voor aansluiting van de woning op het elektriciteitsnet dateert van 16 juli 2024 en is dus gedaan onder de Elektriciteitswet 1998 (hierna: de Elektriciteitswet). Op grond van artikel 16 lid 1 van de Elektriciteitswet geldt dat de netbeheerder in het kader van het beheer van de netten tot taak heeft: de netten aan te leggen, te herstellen, te vernieuwen of uit te breiden (sub c), op grond van artikel 23 derden te voorzien van een aansluiting op de netten (sub e) en op grond van artikel 24 ten behoeve van derden transport van elektriciteit uit te voeren (sub f).

Artikel 23 Elektriciteitswet bepaalt verkort weergegeven dat de netbeheerder verplicht is degene die daarom verzoekt te voorzien van een aansluiting op het door hem beheerde net. Lid 4 van dit artikel bepaalt dat een aansluiting door de netbeheerder gerealiseerd moet worden binnen een redelijke termijn. Daarbij gold tot februari 2025 dat deze redelijke termijn in ieder geval was verstreken wanneer de gevraagde aansluiting niet was gerealiseerd binnen 18 weken nadat het verzoek om een aansluiting bij de netbeheerder was ingediend en het een aansluiting tot 10 MVA (megavolt-ampère) betrof. Deze bepaling is geschrapt omdat op grond van Europese jurisprudentie het vaststellen van aansluitvoorwaarden, waaronder de termijn, exclusief is voorbehouden aan de nationale regulerende instantie. In Nederland is dat de ACM. De wettelijke termijn van 18 weken werd strijdig geacht met het Unierecht.

Artikel 24 Elektriciteitswet bepaalt dat de netbeheerder verplicht is aan degene die daarom verzoekt een aanbod te doen om met gebruikmaking van het door hem beheerde net ten behoeve van de verzoeker transport van elektriciteit uit te voeren. Op grond van lid 2 geldt dat de verplichting niet geldt voor zover de netbeheerder voor het gevraagde transport redelijkerwijs geen capaciteit ter beschikking heeft.

Op 1 januari 2026 is de Energiewet in werking getreden. Deze wet heeft de Elektriciteitswet en de Gaswet 2000 vervangen. Artikel 3.38 lid 1 van de Energiewet bepaalt dat een distributiesysteembeheerder op verzoek een aanbod doet tot aanleg van een aansluiting op zijn systeem op een voor die aansluiting geschikt punt met een voor die aansluiting geschikt spanningsniveau. Op grond van lid 2 geldt dat dit aanbod moet worden gedaan binnen een redelijke termijn en dat de distributiesysteembeheerder een aansluiting realiseert binnen een redelijke termijn na aanvaarding van het aanbod. Lid 3 bepaalt dat een distributiesysteembeheerder voor elektriciteit het doen van een aanbod kan weigeren indien en voor zo lang er voor de verzochte aansluiting onvoldoende transportcapaciteit beschikbaar is op zijn systeem. Daarbij is bepaald dat de distributiesysteembeheerder passende maatregelen neemt, waaronder de benodigde uitbreidingsinvesteringen, om zo spoedig mogelijk alsnog een aanbod te kunnen doen. Liander heeft aangevoerd dat hiermee ten opzichte van de Elektriciteitswet een significante wijziging is doorgevoerd die meebrengt dat de distributiesysteembeheerder de aansluiting niet hoeft te realiseren zolang onvoldoende transportcapaciteit beschikbaar is.

Voor zover Liander met haar verwijzing naar artikel 3.38 lid 3 van de Energiewet heeft willen betogen dat de aanvraag van [eisers] c.s. alsnog geweigerd kan worden, dan geldt dat de voorzieningenrechter haar daarin niet volgt. De aanvraag van [eiser] is door Liander geaccepteerd, partijen zijn een overeenkomst aangegaan en aan [eisers] c.s. zijn de kosten voor de nieuwe aansluiting in rekening gebracht. Alsnog weigeren van de aanvraag op de voet van het bepaalde in artikel 3.38 lid 3 van de Energiewet is daarmee immers onverenigbaar. Overigens gaat de voorzieningenrechter ook voorbij aan de stelling van [eisers] c.s. bij brief van 28 oktober 2025 dat met Liander geen overeenkomst tot stand is gekomen omdat de woning niet, althans niet tijdig is aangesloten op het elektriciteitsnet. Deze stelling is niet te rijmen met de primaire vordering tot aansluiting. [eisers] c.s. hebben niet toegelicht wat, buiten een al gesloten overeenkomst, de grondslag voor hun vorderingen zou kunnen zijn, zodat niet anders tot uitgangspunt kan worden genomen dan dat [eisers] c.s. (in wezen) nakoming vorderen van de al gesloten overeenkomst. Met Liander is de voorzieningenrechter verder wel van oordeel dat de verschillen tussen de Elektriciteitswet en de Energiewet voor wat betreft de aansluitplicht (artikel 23 Elektriciteitswet) c.q. de opdracht tot aanbieding voor een aansluiting (artikel 3.38 Energiewet) en de transportplicht (artikel 24 Elektriciteitswet) c.q. tot aanbieding voor het verzorgen van transport (artikel 3.46 Energiewet) van de netbeheerder/distributiesysteembeheerder in deze zaak voor de beoordeling van het geschil niet van doorslaggevend belang zijn.

Voorheen gold dat de aansluitplicht op grond van artikel 23 van de Elektriciteitswet moest worden onderscheiden van de verplichting om aan degene die daarom verzoekt een aanbod te doen voor transport van elektriciteit op grond van artikel 24 lid 1 van de Elektriciteitswet (de transportplicht). Onder de Energiewet geldt dat de opdracht tot het doen van een aanbod tot aanleg van een aansluiting en de opdracht om dit binnen een redelijke termijn na aanvaarding van het aanbod te realiseren (artikel 3.38 Energiewet) moet worden onderscheiden van de opdracht om een aanbod te doen tot het verzorgen van transport van elektriciteit, waarbij passende maatregelen worden genomen om zo spoedig mogelijk een aanbod te doen (artikel 3.46 Energiewet). Zowel onder de Elektriciteitswet als de Energiewet geldt dat Liander niet verplicht was/is tot het uitvoeren van transport zolang geen capaciteit beschikbaar is.

Liander heeft aangevoerd dat de woning van [eisers] c.s. niet kan worden aangesloten omdat eerst een nieuw laagspanningsnet moet worden aangelegd en een nieuw middenspanningsstation moet worden gebouwd. Anders dan [eisers] c.s. hebben betoogd, is in het geval van kleinverbruik – op het laagspanningsnet – niet vereist dat Liander het gebrek aan transportcapaciteit onderbouwt met een congestierapport. Wel moet de weigering met redenen omkleed zijn. Daartoe heeft Liander het volgende aangevoerd. In onderstaande tekening staan de bestaande laagspanningsnetten rood omcirkeld ingetekend. Deze netten bevinden zich vanaf de kaart bekeken i) aan de linkerzijde van de woning van [eisers] c.s. (woning Eisers) en ii) boven de woning van [eisers] c.s. De groene lijn “(groen)” is de plaats waar volgens Liander het nieuw te leggen (NTL) laagspanningsnet moet worden gelegd.

Liander heeft aangevoerd dat zij eerst heeft onderzocht of [eisers] c.s. aangesloten kunnen worden op het laagspanningsnet naast hun woning (op de kaart gezien links), maar dat deze kabel ongeschikt is en per definitie afvalt omdat het een dunne 25 millimeter koperen kabel betreft die slechts geschikt is voor één kleinverbruikaansluiting en al wordt gebruikt voor het daar nabijgelegen pand. Om te bezien of de woning van [eisers] c.s. kan worden aangesloten op laagspanningskabel 170027 heeft Liander gesteld een GAIA-berekening te hebben opgesteld die de (on)mogelijkheid daarvan in kaart moest brengen. Liander heeft voorafgaand aan deze kortgedingprocedure berekeningen overgelegd op grond waarvan zij onderbouwt dat bij aansluiting van [eisers] c.s. en hun buren het laagspanningsnet overbelast zou raken. Het spanningsniveau zou in dat geval buiten de marges van 207V en 253V komen, zodat Liander de aansluiting op het laagspanningsnet niet mag aansluiten:

Verder heeft Liander aangevoerd dat naast het spanningsniveau dat buiten de marges zou komen te vallen ook het transformatorstation waarop de laagspanningskabel is aangesloten overbelast zou raken, waardoor als gevolg van structurele overbelasting het risico op storingen of uitval van het station directe gevolgen kan hebben voor de stroomvoorziening in de hele wijk:

Liander heeft aangevoerd dat uit de berekening eveneens volgt dat nieuwe aansluitingen als aanrakingsonveilig zouden worden aangemerkt, wat inhoudt dat personen potentieel zouden worden blootgesteld aan levensgevaarlijke elektrische spanning:

Tot slot heeft Liander aangevoerd dat het systeem de melding “niet kortsluitvast” geeft, wat inhoudt dat het net bij kortsluiting mogelijk niet in staat is om de foutstroom veilig en snel af te voeren, waardoor beveiligingsinrichtingen kunnen falen of te laat reageren. Daarmee wordt het risico op brand, schade aan installaties en ernstige veiligheidsincidenten vergroot, aldus nog steeds Liander.

Voornoemde berekeningen en de daaruit door Liander getrokken conclusies zijn door [eisers] c.s. niet gemotiveerd betwist. In dat verband moet wel aangetekend worden dat deze berekeningen pas enkele dagen voor de zitting met [eisers] c.s. zijn gedeeld, zodat er voor [eisers] c.s. ook maar zeer beperkte tijd beschikbaar was om deze berekeningen te laten controleren. Dat doet er niet aan af het verweer van [eisers] c.s. dat er desondanks wel ruimte zou zijn op het net onvoldoende is. [eisers] c.s. hebben aangevoerd dat uit de als productie 14 overgelegde stroomnetchecker (die inzicht, althans een indicatie, geeft van de ruimte op het stroomnet in de buurt) zou volgen dat er op dit moment geen knelpunten bekend zijn. Uit het overgelegde overzicht blijkt dat een check is gedaan voor huisnummer 44. Daarbij is door [eiser] toegelicht dat een check voor zijn woning ( [adres 1] ) nog niet mogelijk was. Naast de omstandigheid dat een check op een nabijgelegen huis(nummer) geen goede indicatie biedt van bestaande knelpunten voor de eigen aanvraag, heeft Liander er terecht op gewezen dat aan een dergelijke check geen vertrouwen kan worden ontleend. Bij de check staat ook aangetekend dat bij aanvraag van een nieuwe aansluiting altijd gecontroleerd wordt of de aanvraag nog past. Over de vraag of [eisers] c.s. nadat de aanvraag is gedaan zijn geïnformeerd over de door Liander gesignaleerde knelpunten verschillen partijen overigens van mening. Liander heeft gewezen op het e-mailbericht van [naam] van 24 juli 2024 waarin staat vermeld dat zoals “besproken” de bouwaansluiting opgepakt zal worden zodra “het nieuwe hoofdnet wat er gelegd gaat worden” bij Liander bekend is. Hoewel [eiser] de ontvangst van deze mail heeft betwist, doet dit er niet aan af dat de stelling van [eisers] c.s. dat er afgaande op de resultaten van de stroomnetchecker wel ruimte op het net zou zijn om hun woning aan te sluiten, onvoldoende gemotiveerd is. De technische discussie over de vraag of de NEN-2768 norm er op zichzelf al aan in de weg zou staan dat een laagspanningskabel vanuit kabel 170027 naar de woning van [eisers] c.s. wordt doorgetrokken in verband met de te lange afstand naar de woning van [eisers] c.s., behoeft daarmee geen bespreking meer. Dat geldt ook voor de vraag of het doortrekken van een dergelijke kabel alleen zou kunnen plaatsvinden als Liander onder bestaande woningen door zou graven, wat volgens Liander eveneens op grond van de NEN-2768 norm bezwaarlijk is.

Nu de door Liander overgelegde GAIA-berekeningen en de daaraan verbonden conclusies door [eisers] c.s. onvoldoende gemotiveerd zijn betwist neemt de voorzieningenrechter voorshands aan dat er redelijkerwijs onvoldoende transportcapaciteit beschikbaar is op het elektriciteitsnet om de door [eisers] c.s. gewenste aansluiting te realiseren. Daarvoor zal eerst uitbreiding van het elektriciteitsnet moeten plaatsvinden. Dit brengt met zich dat Liander voorheen, zoals zij heeft gedaan, met een beroep op artikel 24 lid 2 van de Elektriciteitswet mag weigeren om de aangevraagde transportcapaciteit aan [eisers] c.s. ter beschikking te stellen. Deze weigering houdt thans stand op grond van artikel 3.46 van de Energiewet. De stelling van [eisers] c.s. dat Liander haar aanvraag eenvoudigweg veel te laat heeft opgepakt – wat Liander overigens gemotiveerd heeft betwist – doet daar, zelfs als aangenomen zou worden dat dat het geval is, niet aan af. Nu aangenomen wordt dat sprake is van onvoldoende transportcapaciteit kan van Liander niet worden van verlangd dat zij voorafgaand aan uitbreiding van het hoofdnet een aansluiting voor [eisers] c.s. realiseert die niet over transportvermogen beschikt.

De situatie van [eisers] c.s. is vanzelfsprekend onverkwikkelijk. Liander heeft aangevoerd dat de netuitbreiding in Nederland een hemeltergend trage affaire is die ontzettend veel particulieren en zakelijke partijen raakt. Met [eisers] c.s. zijn er nog tienduizenden wachtenden op een aansluiting en uitbreiding van het net. Dat maakt dat de belangenafweging de voorzieningenrechter niet tot een ander oordeel brengt. Liander heeft haar indicatieve planning gedeeld en heeft aangevoerd dat ingrijpen in deze planning zal zorgen voor uitloop elders en dat daarmee andere netgebruikers die eerder een aanvraag hebben gedaan zouden worden benadeeld. Dat kan van Liander niet worden gevergd. In dit verband geldt dat ook het beroep van [eisers] c.s. op diverse internationale Verdragen hen niet kan baten. Hieraan kan geen direct recht worden ontleend op voorrang op de schaarse beschikbare capaciteit aan middelen en personeel van Liander om voor uitbreiding van het net zorg te dragen. Het primair gevorderde zal worden afgewezen.

Liander heeft verder verweer gevoerd tegen het subsidiair gevorderde. Zij voert daartoe onder meer aan dat sprake is van een reëel restitutierisico als zij gehouden is bij wege van een voorschot op schadevergoeding gehouden is een tijdelijke stroomvoorziening te leveren, dat een juridische grondslag voor een dergelijke vordering ontbreekt, dat de vordering in strijd is met de Elektriciteitswet/Energiewet en dat het gevorderde disproportioneel is. Liander heeft ook een beroep gedaan op haar algemene voorwaarden waarin een exoneratiebeding is opgenomen die maakt dat aansprakelijkheid behoudens opzet en grove schuld wordt uitgesloten.

De voorzieningenrechter begrijpt dat [eisers] c.s. als grondslag voor het subsidiair gevorderde aanvoeren dat, net als bij het primair gevorderde, het handelen van Liander in strijd is met artikel 23 Elektriciteitswet omdat niet binnen een redelijke termijn een aansluiting is verzorgd. Ook menen zij dat Liander nalatig is gebleven de aansluiting te leveren doordat zij de aanvraag veel te laat in behandeling hebben genomen. De voorzieningenrechter begrijpt dit eveneens als een aangevoerde grondslag voor het subsidiair gevorderde. Liander heeft hier overigens ook verweer op gevoerd.

Voor wat betreft de stelling dat niet binnen een redelijke termijn een aansluiting is verzorgd, geldt dat bij de beoordeling van de primaire vordering al is geoordeeld dat vanwege onvoldoende transportcapaciteit van Liander niet kan worden van verlangd dat zij voorafgaand aan uitbreiding van het hoofdnet een aansluiting voor [eisers] c.s. realiseert die niet over transportvermogen beschikt. Daarmee kan deze grondslag niet dienen voor toewijzing van de gevorderde tijdelijke stroomvoorziening als voorschot op schadevergoeding.

Voor de stelling dat Liander nalatig is gebleven de aanvraag op te pakken, zodat er kostbare tijd verloren is gegaan en [eisers] c.s. veel te laat zijn geïnformeerd over de afwezigheid van een elektriciteitsnet waarop de woning kan worden aangesloten, is het volgende van belang. Anders dan [eisers] c.s. ter zitting hebben aangevoerd is niet aannemelijk geworden dat Liander pas op 23 december 2025 een nettoets zou hebben uitgevoerd en dus toen pas beschikte over de onderbouwing van haar stelling dat er geen ruimte op het bestaande net was. De verwijzing naar de door Liander als productie 5 overgelegde nettoets door [naam] is daarvoor onvoldoende. Weliswaar blijkt uit dit document dat de nettoets op 23 december 2025 is uitgevoerd, maar het is niet aannemelijk dat dit de eerste keer is dat deze nettoets is uitgevoerd. Allereerst stelt Liander dat [naam] de aanvraag van [eisers] c.s. weldegelijk direct heeft opgepakt en zij heeft in dat verband ook gewezen op de overgelegde mail van 24 juli 2024, waarvan [eisers] c.s. stelt die niet te hebben ontvangen. Hoewel binnen het bestek van dit kort geding voor nader feitenonderzoek en bewijslevering omtrent de verzending en ontvangst van deze mail geen ruimte is, kan op voorhand niet worden uitgesloten dat deze mail daadwerkelijk is verstuurd en ook niet dat deze door [eiser] is ontvangen. Verder stelt [naam] dat hij ook telefonisch contact heeft gehad met [eiser] . Uit de mail van 24 juli 2024, die overigens in duidelijkheid niet uitblinkt, kan wel worden opgemaakt dat ten behoeve van de woning van [eisers] c.s. (eerst) een hoofdnet aangelegd moet worden. Dat daarvoor een nettoets heeft plaatsgevonden is, ervan uitgaande dat de mail van 24 juli 2024 daadwerkelijk is verstuurd, aannemelijk. Verder blijkt ook uit de mail van [naam] van 9 april 2025 aan [eiser] dat hij gewezen heeft op de noodzakelijke uitbreiding van het stroomnet door de aanleg van kabels en het plaatsen van een nieuw stroomhuisje of een nieuw verdeelstation. Het is dan ook aannemelijk dat de nettoets van 23 december 2025, zoals Liander heeft gesteld, is uitgevoerd om met het oog op dit geschil het resultaat van de nettoets (nogmaals) te produceren.

Dat [eisers] c.s. direct of spoedig door Liander op de hoogte zijn gebracht van het tijdspad dat gemoeid is met de aanleg van het elektriciteitsnet, blijkt overigens niet. In april 2025 schrijft [eiser] aan [naam] dat hij van zijn buren heeft vernomen dat er een vertraging van twee jaar zou zitten op de aansluiting en niet gebleken is dat hij eerder van een tijdspad op de hoogte is gebracht. Vanzelfsprekend was het beter geweest als Liander [eisers] c.s. eerder (schriftelijk) een indicatie voor het tijdspad had gegeven. Daar doet niet aan af dat het een feit van algemene bekendheid is dat op het elektriciteitsnet in Nederland vaker onvoldoende capaciteit beschikbaar is met lange wachttijden tot gevolg. [eiser] is daar in de aanvraagbevestiging van 16 juli 2024 wel op gewezen. Daar komt bij dat Liander gemotiveerd heeft toegelicht dat op de beginpagina van mijnaansluiting.nl uitdrukkelijk wordt gewezen op de mogelijkheid om een project, zoals nieuwbouw, aan te melden om vertraging in het bouwproces te voorkomen en om tijdig in overleg te treden over het tracé van kabels en leidingen dat bij een dergelijk project komt kijken. Waarom die route niet is gevolgd, is van de zijde van [eisers] c.s. niet toegelicht. Tegen de achtergrond van de algemeen bekende capaciteitsproblemen op het net, hebben [eisers] c.s. niet aannemelijk gemaakt dat zij de gerechtvaardigde verwachting mochten hebben dat zij binnen een termijn van bijvoorbeeld 40 weken (zoals gesteld in randnummer 21 pleitnota) konden worden aangesloten op een nog aan te leggen hoofdnet. Het is voorshands niet aannemelijk geworden dat in een bodemprocedure geoordeeld zal worden dat Liander aansprakelijk is voor door [eisers] c.s. geleden schade omdat de woning nog niet is aangesloten op het nog uit te breiden hoofdnet. Nog los van het verweer van Liander dat haar een beroep zou toekomen op haar exoneratiebeding als zij aansprakelijk zou zijn, geldt dat de gevorderde stroomvoorziening bij wege van een voorschot op schadevergoeding om die reden niet voor toewijzing in aanmerking komt.

[eisers] c.s. zijn in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Liander worden begroot op:

- griffierecht € 3.083,00

- salaris advocaat € 1.107,00

- nakosten € 178,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de

beslissing)

Totaal € 4.368,00

De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

5. De beslissing

De voorzieningenrechter:

wijst het gevorderde af;

veroordeelt [eisers] c.s. hoofdelijk in de proceskosten van € 4.368,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [eisers] c.s. niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend, dan moeten [eisers] c.s. € 92,00 extra betalen, plus de kosten van betekening;

veroordeelt [eisers] c.s. in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 Burgerlijk Wetboek over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.J. Vetter en in het openbaar uitgesproken op 20 februari 2026.

ddg

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?