ECLI:NL:RBDHA:2026:3414

ECLI:NL:RBDHA:2026:3414

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 03-02-2026
Datum publicatie 20-02-2026
Zaaknummer NL25.13542
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Haarlem

Samenvatting

Eiser komt uit Iran. Hij is in 2019 naar Nederland gekomen met zijn toenmalige vrouw en dochter. Inmiddels is hij gescheiden van zijn vrouw en heeft hij een omgangsregeling voor zijn dochter. Eiser heeft hier asiel gevraagd. Verweerder heeft dat afgewezen. Verweerder gelooft namelijk niet dat eiser afvallig is van de islam en is bekeerd tot het christendom. Eiser is het niet eens met de afwijzing. Daarom heeft hij beroep ingesteld. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. Verweerder heeft duidelijk genoeg uitgelegd dat en waarom niet wordt geloofd dat eiser afvallig is of bekeerd tot het christendom. Ook heeft verweerder goed genoeg uitgelegd dat eiser geen recht heeft op een verblijfsvergunning vanwege zijn dochter in Nederland. Verder bestaat de mogelijkheid dat eiser bij terugkeer naar Iran aan de grens wordt ondervraagd. Verweerder heeft op zitting voldoende uitgelegd waarom dit voor eiser geen problemen zal opleveren. Ondanks de huidi

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

Samenvatting

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: NL25.13542

V-nummer: [#] ,

(gemachtigde: mr. F. Khodajoo-Aziz Maleki),

en

(gemachtigde: mr. D.A.H. van den Tillaar).

1. Eiser komt uit Iran. Hij is in 2019 naar Nederland gekomen met zijn toenmalige vrouw en dochter. Inmiddels is hij gescheiden van zijn vrouw. Hij heeft een omgangsregeling voor zijn dochter: hij ziet haar om de week ongeveer 4 uur lang.

Eiser heeft hier asiel gevraagd. Verweerder heeft dat afgewezen. Verweerder gelooft namelijk niet dat eiser afvallig is van de islam en is bekeerd tot het christendom. Eiser is het niet eens met de afwijzing. Daarom heeft hij beroep ingesteld.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. Verweerder heeft duidelijk genoeg uitgelegd dat en waarom niet wordt geloofd dat eiser afvallig is of bekeerd tot het christendom. Ook heeft verweerder goed genoeg uitgelegd dat eiser geen recht heeft op een verblijfsvergunning vanwege zijn dochter in Nederland. Verder bestaat de mogelijkheid dat eiser bij terugkeer naar Iran aan de grens wordt ondervraagd. Verweerder heeft op zitting voldoende uitgelegd waarom dit voor eiser geen problemen zal opleveren. Dit betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft op 31 januari 2019 aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend als bedoeld in artikel 28 van de Vw. Hij heeft de Iraanse nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] 1977.

Eerst heeft verweerder de aanvraag buiten behandeling gesteld omdat Italië verantwoordelijk zou zijn. Daarna heeft verweerder met het bestreden besluit van 28 februari 2025 deze aanvraag in de verlengde procedure alsnog afgewezen als ongegrond.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

De rechtbank heeft het beroep op 23 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben eiser, de gemachtigde van eiser, [naam] als tolk en de gemachtigde van verweerder deelgenomen.

Beoordeling door de rechtbank

Het asielrelaas

3. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiser is opgegroeid met de islam maar stelt dat hij rond zijn vijfendertigste levensjaar van dit geloof is afgevallen. In 2018 nam een jeugdvriend eiser mee naar een huiskerkbijeenkomst in Iran. Deze bijeenkomst vormde de opmaat naar de uiteindelijke bekering tot het christendom. Toen eiser met zijn gezin op vakantie was in Italië is er een inval geweest in de huiskerk in Iran die eiser bezocht en daarna is in de woning van eiser een huiszoeking gedaan. Bij terugkeer naar Iran vreest eiser voor de Iraanse autoriteiten, zijn familie en het niet in vrijheid kunnen uitoefenen van zijn religie.

Het bestreden besluit

4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens verweerder de volgende relevante asielmotieven:

Verweerder heeft alleen het eerste asielmotief geloofwaardig geacht. De andere twee asielmotieven acht verweer niet geloofwaardig. Verweerder heeft het tweede en derde asielmotief niet geloofwaardig geacht, omdat de verklaringen van eiser geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. In geval van beide asielmotieven is niet voldaan aan de eis van artikel 31, zesde lid, onder c, van de Vw. Daarom concludeert verweerder dat de asielaanvraag ongegrond is. Daarnaast concludeert verweerder dat eiser geen recht heeft op een verblijfsvergunning op grond van artikel 8 van het EVRM.

De rechtbank beoordeelt het beroep van eiser tegen het bestreden besluit hierna aan de hand van de beroepsgronden.

Heeft verweerder voldoende rekening gehouden met eisers referentiekader?

5. Eiser heeft – ter zitting – gesteld dat verweerder onvoldoende rekening heeft gehouden met eisers referentiekader. De rechtbank volgt dit standpunt niet. Hierna legt de rechtbank dit uit.

Eiser is laagopgeleid. Verweerder heeft dit erkend in het voornemen. Volgens eiser kan hij daardoor moeilijk verbanden leggen. Verweerder heeft echter tegengeworpen dat eiser niet persoonlijk en authentiek heeft verklaard over zijn afvalligheid en bekering. Ook bij laagopgeleide mensen mag verweerder verwachten dat zij in dit verband persoonlijke verklaringen afleggen die inzicht geven in hun innerlijke processen en motivering. Eiser heeft onvoldoende onderbouwd op welke punten hij vanwege zijn laaggeschooldheid geen persoonlijke verklaringen heeft kunnen afleggen.

De beroepsgrond faalt.

Heeft verweerder de afvalligheid van de islam ongeloofwaardig kunnen achten?

6. Eiser heeft gesteld dat verweerder ten onrechte de afvalligheid van de islam ongeloofwaardig heeft geacht. De rechtbank volgt dit standpunt niet. Hierna legt de rechtbank dit uit.

De rechtbank volgt verweerder in zijn standpunt dat eiser er niet in is geslaagd om zijn gestelde afwending van de islam persoonlijk te maken. Verweerder heeft kunnen stellen, gezien het verslag van het nader gehoor, dat eiser in zijn verklaringen telkens is teruggevallen op algemeenheden die hij niet kon koppelen aan persoonlijke ervaringen. Eiser noemt bijvoorbeeld dat de ongelijke behandeling van vrouwen binnen de islam hem tegenstaat, maar kan dat niet koppelen aan een persoonlijke reden daarvoor. Verweerder heeft op dit punt ook vaak doorgevraagd. Met eiser is de rechtbank wel van mening dat niet onaannemelijk is dat hij de dienstplicht heeft doorgelopen. Het door eiser overgelegde schriftelijke bewijs dat hij de dienstplicht heeft doorlopen is, op grond van de beoordeling door Bureau Documenten, waarschijnlijk vals. Desalniettemin volgt de rechtbank eisers stelling dat er van uit kan worden uitgegaan hij in dienst moet zijn geweest. Verweerder heeft echter ook gesteld dat opvallend is dat hij zijn afwending volgens eigen zeggen rond zijn vijfendertigste jaar doorliep vanwege twijfels over de islam en dat aannemelijk is dat hij voor die tijd de dienstplicht moet hebben doorlopen. Dat eiser zou zijn mishandeld tijdens zijn dienstperiode, die ruim daarvoor moet hebben plaatsgevonden, omdat hij zich niet aan de leefregels van de islam hield, heeft verweerder tegenstrijdig mogen achten in verband met eisers verklaring dat hij zich ook na zijn afvalligheid aan die leefregels hield in het bijzijn van anderen. Daarnaast volgt de rechtbank verweerder in zijn standpunt dat onduidelijk is op welke wijze incidenten uit eisers kindertijd tot zijn afvalligheid hebben geleid, mede gezien het feit dat hij zich pas op zijn vijfendertigste stelt te hebben afgewend van de islam. Noch tijdens het gehoor noch daarna heeft eiser iets inhoudelijks verklaard over die incidenten. De enkele stelling dat hij zich moest conformeren aan islamitische gebruiken en daarom bang was, heeft verweerder onvoldoende kunnen achten. Verweerder heeft verder onduidelijk kunnen achten waarom eiser tijdens de ramadan op zijn werk nog vóór zijn gestelde afvalligheid stiekem is gaan eten en daarvoor zou zijn gestraft. Het standpunt van eiser dat zijn afvalligheid een proces is geweest van ervaringen uit zijn jeugd, bij zijn werk en bij de dienstplicht, volgt de rechtbank gezien dit alles niet. Het standpunt van eiser dat er geen rekening mee is gehouden dat hij sinds 2019 in Nederland is en zijn afvalligheid zich sindsdien verder heeft ontwikkeld, leidt ook niet tot een ander oordeel. Eiser is gehoord in 2023 en had toen blijk kunnen geven van die gestelde ontwikkeling in zijn afvalligheid. Hij heeft daar niets over verklaard.

Eiser heeft gesteld dat verweerder onzorgvuldig is geweest door in strijd te handelen met Werkinstructie 2022/3. De rechtbank kan dit volgen. Uit de werkinstructie volgt dat verweerder vragen moet stellen over hoe eiser zich in de toekomst in Iran wil uiten over zijn afvalligheid, waarbij mede betrokken moet worden hoe eiser zich in Nederland gedraagt met betrekking tot het uiten van zijn afvalligheid. Ook als afvalligheid onderdeel is van een bekering, moet expliciet worden gevraagd naar de voorafgaande fase van afvalligheid en hoe iemand zich destijds heeft geuit. Dit kan, zo staat in de werkinstructie, relevant zijn voor de vraag of de vreemdeling in zijn persoonlijke levenssfeer en religieuze identiteit wordt geraakt als hij zich in zijn land van herkomst zou moeten conformeren. De rechtbank begrijpt dat eiser volgens de werkinstructie moet worden bevraagd over de uiting van zijn afvalligheid in het heden en het verleden. De rechtbank volgt eiser in zijn stelling dat verweerder hem in strijd hiermee geen vragen heeft gesteld over de uiting van de gestelde afvalligheid in Nederland. Verweerder heeft ter zitting naar voren gebracht dat de gestelde afvalligheid is samengenomen met de gestelde bekering bij de vragen voor de beoordeling van de uiting bij terugkeer. Dit is in strijd met de werkinstructie. De rechtbank neemt daarom een zorgvuldigheidsgebrek aan. Eiser heeft echter onvoldoende uitgelegd waarom dit relevant is voor het bestreden besluit. Hij heeft ter zitting gesteld dat twijfels over de afvalligheid door die vragen zouden kunnen worden weggenomen. De vragen die verweerder zou hebben moeten stellen zien echter op de uiting bij terugkeer. Het is dus juist relevant als de afvalligheid zou worden gevolgd. Dit is nu niet het geval. De rechtbank passeert daarom dit gebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht.

Deze beroepsgrond slaagt niet.

Heeft verweerder eisers gestelde bekering tot het christendom en problemen daardoor ongeloofwaardig kunnen achten?

7. Eiser heeft gesteld dat verweerder ten onrechte de bekering tot het christendom ongeloofwaardig heeft geacht. De rechtbank volgt dit standpunt niet. Hierna legt de rechtbank dit uit.

Naar oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich op het standpunt mogen stellen dat eiser algemeen heeft verklaard over zijn bekering en dat eisers persoonlijke verhaal niet duidelijk is geworden. Uit eisers verklaringen kan worden opgemaakt dat hij algemeen blijft in wat hem specifiek aanspreekt in het christendom. Hij kan bijvoorbeeld, ondanks vragen van verweerder hierover, niet uitleggen welke concrete veranderingen voor hem het gevolg zijn van zijn bekering. Ook geeft eiser blijk van enige kennis over de Bijbel en het christendom, maar maakt hij niet persoonlijk waarom bepaalde kennis juist voor hem van betekenis is. Daarnaast kan de rechtbank verweerder volgen in zijn standpunt dat het opmerkelijk is dat eiser met een vriend die hij lang niet had gezien is meegegaan naar een huiskerkbijeenkomst, terwijl dit in Iran grote risico’s met zich meebrengt en eiser niet wist waarheen hij werd meegenomen. Ook is eisers plotselinge ommekeer in houding richting het christendom na het bezoeken van deze huiskerkbijeenkomst niet te rijmen met zijn eerdere argwaan en passiviteit richting het christendom.

Verweerder heeft de gestelde regelmatige deelname aan huiskerkbijeenkomsten in Iran ongeloofwaardig kunnen achten. De rechtbank ziet wel dat eiser gedetailleerd kan vertellen over een bezoek van een huiskerkbijeenkomst. Dat betekent echter niet dat hij daar naartoe is gegaan. Daarbij is met name relevant hetgeen in 7.1 is benoemd: het gestelde opmerkelijk grote risico als eiser daadwerkelijk zou zijn meegegaan met de vriend die hij zo lang niet had gezien en de ongerijmde plotselinge ommekeer in houding richting het christendom. Dat eiser regelmatig naar huiskerkbijeenkomsten is gegaan, is gelet hierop ook niet te volgen.

Voorts heeft verweerder de gestelde huisinval in Iran ongeloofwaardig kunnen achten. De rechtbank volgt dat opvallend is dat die inval precies na eisers vertrek heeft plaatsgevonden en dat eiser weinig details over de inval heeft gegeven. Aangezien juist die inval voor hem de reden is om asiel te vragen, ligt het voor de hand dat hij daar meer navraag over zou hebben gedaan en dus meer details over had kunnen geven.

Verweerder heeft gevolgd dat eiser in Nederland regelmatig activiteiten in de naam van de kerk is gaan verrichten, maar acht dit niet genoeg om zijn gestelde bekering toch geloofwaardig te achten. De rechtbank begrijpt dat niet in geschil is dat eiser is gedoopt en meerdere keren per week actief is binnen de kerk. Ter zitting heeft verweerder toegelicht dat wordt getwijfeld aan de innerlijke overtuiging van eiser en dat de activiteiten daarom niet tot een andere beoordeling hebben geleid. Gezien het voorgaande kan de rechtbank dit volgen. Eisers standpunt dat zijn activiteiten en zijn kennis over het christelijke geloof de onvoldoende geachte verklaringen over de persoonlijke processen van en motivatie voor de bekering compenseren, volgt de rechtbank dan ook niet.

De beroepsgrond slaagt niet.

Heeft verweerder voldoende onderzocht en gemotiveerd welke risico’s eiser loopt bij terugkeer naar Iran?

8. Eiser stelt dat verweerder onvoldoende heeft onderzocht en gemotiveerd welke risico’s hij loopt bij terugkeer naar Iran. Hierbij noemt eiser de omstandigheden dat hij ruim zes jaar in Nederland verblijft, geen geldig Iraans paspoort heeft, afvallige is en al meerdere jaren de kerk bezoekt. Ook is hij gedoopt en komt hij zonder zijn gezin terug. Met een verwijzing naar het Algemeen Ambtsbericht (AAB) Iran van zowel februari 2021 als mei 2022 stelt eiser dat de kans groot is dat hij aan de grens zal worden ondervraagd en problemen kan ondervinden. Ook heeft eiser zich beroepen op vragen die de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State aan verweerder heeft gesteld.

De rechtbank volgt verweerder in zijn standpunt dat de door eiser gestelde afvalligheid en bekering niet hoeven te worden meegenomen bij het beoordelen van de risico’s die eiser loopt bij terugkeer, aangezien deze asielmotieven ongeloofwaardig zijn geacht. Dit laat wel de mogelijkheid open dat eiser afvalligheid of bekering wordt toegedicht, als ook dat zijn andere omstandigheden de mogelijkheid open laten dat hij problemen krijgt bij terugkeer aan de grens.

Het bestreden besluit gaat nauwelijks in op de risico’s bij terugkeer. Ter zitting heeft verweerder gesteld dat is getoetst aan Informatiebericht 2023/35. De rechtbank vindt dit echter niet terug in het besluit. Dit betekent een motiveringsgebrek.

Verweerder heeft ter zitting erkend dat eiser een risico loopt, maar stelt dat niet aannemelijk is dat het risico voor eiser persoonlijk dusdanig is dat van hem niet kan worden verwacht dat hij terugkeert. Volgens verweerder is dat het geval omdat slechts algemene informatie is ingebracht. Ook heeft verweerder verwezen naar pagina 4 van het informatiebericht. Volgens verweerder kan van eiser worden verwacht dat hij als nodig de verklaring dat hij moslim is, kan ondertekenen. Ook heeft verweerder erkend dat eiser mogelijk met een laissez-passer naar Iran zal moeten terugkeren en dan kan worden ondervraagd.

De rechtbank begrijpt hetgeen verweerder ter zitting heeft gesteld als een aanvulling van het bestreden besluit. De vraag is of daarmee het voornoemde motiveringsgebrek is hersteld. De rechtbank beantwoordt die vraag bevestigend. Uit het AAB 2021 en 2022 volgt namelijk de reële kans dat eiser zal worden bevraagd over de reden van zijn afwezigheid. Als iemand asiel heeft aangevraagd en de autoriteiten daarvan op de hoogte zijn, kan het risico op problemen worden vergroot. Hierbij kan een rol spelen of degene Iran legaal of illegaal heeft verlaten en hoe lang iemand is weggeweest. Eiser is legaal uitgereisd, maar wel lang weggeweest. Ook komt hij terug zonder zijn gezin. Niet duidelijk is echter welke waarde de Iraanse autoriteiten hechten aan het hebben gevraagd van internationale bescherming in een ander land. Dat dit op zich een probleem oplevert, is niet onderbouwd. Verder kan ervan worden uitgegaan dat eiser, gezien het hiervoor overwogene over het ongeloofwaardig achten van de huisinval, op dit moment niet in de negatieve aandacht staat van de Iraanse autoriteiten. Dit betekent naar het oordeel van de rechtbank dat niet aannemelijk is dat eiser door de bevraging over zijn verzoek om internationale bescherming een reëel risico op ernstige schade zal lopen. Eiser heeft naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende onderbouwd dat zijn asielaanvraag, hetgeen in dat verband is gesteld en zijn activiteiten voor de kerk in Nederland en doop, in Iran bekend zullen zijn.

De beroepsgrond slaagt niet.

Heeft verweerder voldoende gemotiveerd waarom eiser geen verblijfsvergunning krijgt op grond van het door hem gestelde familieleven?

9. Volgens eiser heeft hij recht op een verblijfsvergunning op grond van artikel 8 van het EVRM. Hij en zijn dochter hebben een hechte band. De belangenafweging moet in zijn voordeel uitvallen.

De rechtbank volgt eiser niet. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat sprake is van gezinsleven tussen eiser en zijn minderjarige dochter. Volgens verweerder valt de belangenafweging in het kader van artikel 8 EVRM uit in het nadeel van eiser. Reden hiervoor is dat de intensiteit van het gezinsleven gering te noemen is en er andere manieren zijn om invulling te geven aan de getroffen omgangsregeling, zoals videobellen. De rechtbank volgt verweerder hierin. Voorts heeft verweerder het Nederlands economisch belang ten nadele van eiser mogen meewegen. Ook is er voor eiser geen objectieve belemmering ten aanzien van Iran. Of dat wel geldt voor eisers dochter is niet onderbouwd. Verder heeft verweerder in het nadeel van eiser mogen meewegen dat eiser zijn dochter niet heel vaak ziet. Dat dit met name wordt veroorzaakt door het feit dat eiser geen eigen woonruimte heeft, is niet onderbouwd. Dat een fysieke afstand tot schending van het belang van de dochter als kind zou leiden, is niet onderbouwd. Het feit dat eiser gezag heeft over zijn dochter leidt in ieder geval niet tot die conclusie. Naar oordeel van de rechtbank heeft eiser in dit geval dus niet aannemelijk gemaakt dat de belangenafweging in het kader van artikel 8 EVRM in zijn voordeel zou moeten uitvallen.

Eisers beroep op het arrest Ciliz tegen Nederland treft geen doel. De feiten van eiser en die in de zaak Ciliz zijn anders. In eisers geval is al een omgangsregeling tot stand gekomen en is niet aannemelijk dat bij het niet kunnen uitoefenen van het gezinsleven in Nederland artikel 8 van het EVRM wordt geschonden. Er is geen sprake van de belemmering van de ontwikkeling van familiebanden.

De beroepsgrond slaagt niet.

Heeft verweerder eiser een terugkeerbesluit naar Iran mogen opleggen?

10. Verweerder heeft een terugkeerbesluit naar Iran opgelegd aan eiser. Ondanks de huidige situatie in Iran, die na sluiting van het onderzoek verergerd is, ziet de rechtbank geen reden om de zaak te heropenen. De rechtbank oordeelt dat er onvoldoende redenen zijn om aan te nemen dat eiser een reëel risico op refoulement loopt. Dit vanwege zijn specifieke situatie.

Conclusie en gevolgen

11. Verweerder heeft de aanvraag terecht afgewezen als ongegrond. Dit betekent dat het beroep ongegrond is.

Eiser krijgt wel vergoeding van zijn proceskosten. Gewezen wordt op de gebreken genoemd in 6.2 en 8.2. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond, en

- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.

Deze uitspraak is gedaan door mr. T.N. van Rijn, rechter, in aanwezigheid van mr. A.V. Kostiouk, griffier.

Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. T.N. van Rijn

Griffier

  • mr. A.V. Kostiouk

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?