ECLI:NL:RBDHA:2026:3421

ECLI:NL:RBDHA:2026:3421

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 20-02-2026
Datum publicatie 20-02-2026
Zaaknummer NL26.7424
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Groningen

Samenvatting

Bewaring volgberoep. Voldoende voortvarend en geen aanleiding voor een lichter middel. Er is niet gebleken dat eiser detentieongeschikt is of de bewaring voor hem onevenredig bezwarend is. Zicht op uitzetting naar Algerije ontbreekt niet. Beroep ongegrond.

Uitspraak

[naam], eiser,

geboren op 18 maart 2000,

van Algerijnse nationaliteit,

V-nummer: [V-nummer],

(gemachtigde: mr. W.R.S. Ramhit),

en

de minister van Asiel en Migratie, de minister.

Inleiding

1. De minister heeft op 29 oktober 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.

Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.

De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.

De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft en het onderzoek op 17 februari 2026 gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank heeft deze maatregel van bewaring al eerder getoetst, zoals volgt uit de uitspraak van 31 december 2025. In dit beroep is daarom van belang wat er sinds het sluiten van het vorige onderzoek op 29 december 2025 is gebeurd.

Wat vindt eiser?

3. Eiser stelt zich op het standpunt dat het voortduren van de maatregel van bewaring onrechtmatig is, omdat er onvoldoende voortvarend wordt gehandeld door de minister. De uitzettingshandelingen zijn onvoldoende, gelet op het tijdsverloop sinds het opleggen van de maatregel. Er is enkel schriftelijk gerappelleerd, en er is geen telefonische navraag gedaan bij de Algerijnse autoriteiten. Ook stelt eiser dat er geen zicht is op uitzetting.

Eiser stelt daarnaast dat zijn medische situatie is verslechterd sinds de bewaring. Hij heeft moeite met slapen en concentratieproblemen. Hij probeert al weken een arts te spreken maar zonder resultaat. Tot slot stelt eiser dat een lichter middel als een meldplicht voor de hand ligt. Hij werkt de afgelopen tijd mee en zal zich beschikbaar houden.

Oordeel van de rechtbank

4. De beroepsgronden slagen niet. De rechtbank stelt vast dat de minister sinds het sluiten van het onderzoek in de vorige periode een vertrekgesprek met eiser heeft gevoerd en drie keer schriftelijk op de lp-aanvraag heeft gerappelleerd. De rechtbank vindt deze gang van zaken voldoende voortvarend. De rechtbank is daarnaast van oordeel dat de minister terecht geen aanleiding heeft gezien om aan eiser een lichter middel dan bewaring op te leggen. Anders dan eiser stelt, blijkt uit de recente vertrekgesprekken dat eiser geen medewerking verleent.

Ook ontbreekt zicht op uitzetting naar Algerije niet. De rechtbank wijst op de uitspraak van de Afdeling van 6 mei 2024, waarin de Afdeling heeft geoordeeld dat zicht op uitzetting in het algemeen naar Algerije niet (meer) ontbreekt. De rechtbank ziet geen aanleiding om in het geval van eiser anders te oordelen. De Algerijnse autoriteiten hebben bovendien aangegeven een lp aan eiser te willen verstrekken. Dat de minister op dit moment gehouden is om extra handelingen te verrichten, zoals telefonisch contact opnemen, volgt de rechtbank daarom niet.

Ten aanzien van de medische situatie van eiser overweegt de rechtbank dat niet is gebleken dat eiser detentieongeschikt is of de bewaring voor hem onevenredig bezwarend is. Zoals ook is overwogen in de hiervoor onder 2. genoemde uitspraak, is niet gebleken dat de medische zorg in het detentiecentrum ontoereikend is en dat eiser zich bij klachten over de medische dienst dient te wenden tot de Commissie van Toezicht van het detentiecentrum. De rechtbank ziet in wat eiser heeft aangevoerd geen aanleiding voor een ander oordeel.

De rechtbank ziet ook voor het overige geen grond voor het oordeel dat de maatregel van bewaring in de periode tussen het sluiten van het vorige onderzoek en het sluiten van het onderhavige onderzoek op enig moment onrechtmatig was.

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. F. Sijens, rechter, in aanwezigheid van mr. H.A. van der Wal, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.

De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. F. Sijens

Griffier

  • mr. H.A. van der Wal

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?