[naam], eiser,
V-nummer: [V-nummer],
(gemachtigde: mr. W.R.S. Ramhit),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister.
Inleiding
1. De minister heeft op 11 november 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft en het onderzoek op 17 februari 2026 gesloten.
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank heeft deze maatregel van bewaring al eerder getoetst, zoals volgt uit de uitspraak van 20 januari 2026. In dit beroep is daarom van belang wat er sinds het sluiten van het vorige onderzoek op 16 januari 2026 is gebeurd.
Wat vindt eiser?
3. Eiser voert aan dat de maatregel onrechtmatig voortduurt omdat er onvoldoende voortvarend aan de uitzetting van eiser wordt gewerkt. Er zijn te weinig uitzettingshandelingen verricht, zo is er de afgelopen drie maanden alleen schriftelijk op de lp-aanvraag gerappelleerd. Dit lijkt een formaliteit te zijn. Er mag gezien het tijdsverloop worden verwacht dat er telefonisch contact wordt opgenomen met de Marokkaanse autoriteiten om na te vragen of de aanvraag goed is aangekomen en wanneer men verwacht deze te behandelen. Daarnaast ontbreekt het zicht op uitzetting. Eiser heeft alle gegevens verstrekt die hij kon verstrekken.
Oordeel van de rechtbank
4. De beroepsgronden slagen niet. In de hiervoor onder 2. genoemde uitspraak is geoordeeld dat zicht op uitzetting naar Marokko niet ontbreekt. De rechtbank ziet in onderhavige procedure geen aanleiding voor een ander oordeel. De op 14 november 2025 verstuurde lp-aanvraag is nog steeds in onderzoek en op dit moment zijn er geen aanknopingspunten dat de Marokkaanse autoriteiten geen lp aan eiser zullen afgeven. Daar komt bij dat eiser niet volledig meewerkt, waardoor het zicht op uitzetting in beginsel is gegeven. De enkele stelling dat eiser alle gegevens heeft verstrekt, vindt de rechtbank in dit kader onvoldoende.
De rechtbank is daarnaast van oordeel dat de minister voldoende voortvarend aan de uitzetting van eiser werkt door op 19 januari 2026 een vertrekgesprek met eiser te voeren en op 29 januari 2026 schriftelijk aan de lp-aanvraag te rappelleren. Gezien de vrij recente lp-aanvraag volgt de rechtbank eiser tenslotte niet in de stelling dat de minister op dit moment gehouden is om extra handelingen te verrichten.
De rechtbank ziet ook voor het overige geen grond voor het oordeel dat de maatregel van bewaring in de periode tussen het sluiten van het vorige onderzoek en het sluiten van het onderhavige onderzoek op enig moment onrechtmatig was.
Conclusie en gevolgen
5. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. F. Sijens, rechter, in aanwezigheid van mr. H.A. van der Wal, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.