ECLI:NL:RBDHA:2026:3508

ECLI:NL:RBDHA:2026:3508

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 20-02-2026
Datum publicatie 23-02-2026
Zaaknummer NL25.24689
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Groningen

Samenvatting

Iran / afvalligheid / vrees bij terugkeer / gegrond

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam 1] , eiser,

de minister van Asiel en Migratie, de minister

Samenvatting

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummer: NL25.24689

V-nummer: [nummer]

(gemachtigde: mr. F. Khodajoo-Aziz Maleki)

en

(gemachtigde: mr. Ö. Sari).

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag niet in stand kan blijven. De rechtbank is van oordeel dat de minister niet deugdelijk heeft gemotiveerd waarom eiser als gevolg van zijn afvalligheid en zijn politieke activiteiten in Nederland geen risico loopt op vervolging bij terugkeer naar Iran. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft op 1 september 2022 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Hij heeft de Iraanse nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] . De minister heeft met het bestreden besluit van 5 mei 2025 deze aanvraag in de verlengde procedure afgewezen als ongegrond.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

De rechtbank heeft het beroep op 24 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, een tolk en de gemachtigde van de minister. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

Overwegingen

Het asielrelaas

3. Eiser heeft de Iraanse nationaliteit en is geboren op 7 maart 1993. Hij heeft aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd dat hij in Teheran is opgegroeid in een streng islamitisch gezin. Vanwege een opeenstapeling van factoren heeft hij zich afgekeerd van de islam. Eiser is daarop opgehouden met het praktiseren van de islam wat thuis problemen gaf. Toen eisers moeder op een dag van eiser verlangde dat hij het huis verliet omdat zij daar een bijeenkomst had georganiseerd, heeft eiser haar zijn persoonlijke kritische mening over de islam verteld. Daarop werd hij door haar het huis uitgezet. Eiser was hier boos over en luchtte zijn hart door op de islam te schelden. Een vriend die hierbij aanwezig was, heeft eisers tirade gefilmd. Omdat deze vriend jaloers was op eiser vanwege een meisje, [naam 2] , heeft hij de opname aan zijn vader gegeven die voor de Basidj werkt. Via de vader is de opname terechtgekomen bij de Sepah. Op het moment dat eiser in Turkije was om even bij te komen van alles wat er gebeurd was, vond er een inval bij hem thuis plaats. Toen eiser dit hoorde is hij doorgereisd naar Nederland omdat hij vreesde bij terugkeer gearresteerd te zullen worden.

Het bestreden besluit

4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende relevante elementen:

De minister stelt zich hierover op het standpunt dat de eerste twee elementen gevolgd kunnen worden. De problemen als gevolg van zijn afvalligheid acht de minister niet geloofwaardig. In dat kader heeft hij overwogen dat eiser zijn verklaringen niet heeft onderbouwd met objectieve documenten en zijn verklaringen geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. Hiervoor ziet de minister drie redenen. Ten eerste vindt de minister het ongerijmd dat hij zijn vriend [naam 3] heeft gevraagd hem op te zoeken in het vakantiehuis terwijl hij overstuur was door alles wat er gebeurd was en hier waarschijnlijk met zijn vriend over zou praten wetende dat hij daarmee een risico nam omdat de vader van [naam 3] bij de Basij werkt en [naam 3] ook geïnteresseerd was in [naam 2] . Dit laatste roept echter ook vragen op omdat de kwestie met [naam 2] twee of drie jaar eerder speelde en het niet waarschijnlijk is dat [naam 3] drie jaar later nog wraak wil nemen terwijl eiser nadien geen contact meer met haar heeft gehad. Ten tweede acht de minister eisers verklaringen over de inval bij hem thuis tegenstrijdig. Eiser heeft tijdens het nader gehoor eerst verklaard dat hij vanwege activiteiten op Instagram zijn land heeft verlaten om even later te verklaren dat de Instagramactiviteiten geen rol speelden, maar het zijn deelname aan een demonstratie was die maakte dat zijn naam bekend werd. Later in het nader gehoor heeft eiser verklaard dat hij niet terug kan naar Iran omdat zijn oom, die bij de Sepah werkt, een video-opname van hem heeft waarop hij kritiek heeft op de islam. In de correcties en aanvullingen op het nader gehoor is aangegeven dat de video-opname een aanvullende reden was voor zijn vertrek naast dat zijn naam bekend was vanwege zijn deelname aan de demonstratie. Eiser is dus niet eenduidig over de aanleiding voor zijn vertrek. Ten derde zijn eisers verklaringen over zijn uitreis tegenstrijdig. De minister acht het niet waarschijnlijk dat eiser legaal heeft kunnen uitreizen als, volgens zijn verklaringen, de Sepah in bezit was van de video en er een dag later een inval bij eiser thuis was geweest. Nu de Sepah naar eisers eigen zeggen een zeer machtige instantie is, is het niet te begrijpen dat eiser legaal heeft kunnen uitreizen.

Na het door toetsen van het geloofwaardig geachte eerste en tweede asielmotief komt de minister tot de conclusie dat eiser niet kan worden aangemerkt als vluchteling in de zin van het Vluchtelingenverdrag en dat hij niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer naar Iran een reëel risico loopt op ernstige schade. Volgens de minister heeft eiser zijn vrees voor vervolging en reëel risico op ernstige schade vanwege de afwending van de islam niet aannemelijk gemaakt. De minister heeft zich op het standpunt gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat de uitingen van afvalligheid een essentieel onderdeel van zijn leven zijn, hem in zijn persoonlijke levenssfeer raken en belangrijk zijn voor het behoud van zijn religieuze identiteit. Nu niet is gebleken dat eiser in de negatieve belangstelling van de Iraanse autoriteiten staat of is komen te staan, zijn er volgens de minister geen aanwijzingen dat de Iraanse autoriteiten, indien hij bij terugkeer op de luchthaven wordt ondervraagd, zullen vermoeden dat eiser afvallig is of hem dat zullen toedichten. Mocht dat toch het geval zijn, mag van eiser verwacht worden dat hij een verklaring ondertekent dat hij moslim is. Niet elke aantasting op het recht van godsdienstvrijheid is een daad van vervolging die verplicht tot het verlenen van de vluchtelingenstatus en het moeten voldoen aan bepaalde religieuze praktijken die in het land van herkomst gangbaar zijn is niet in alle gevallen te kwalificeren als een niet te tolereren inbreuk op de persoonlijke geloofsovertuiging. Nu eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat de gestelde uiting van afvalligheid een onlosmakelijk onderdeel van zijn religieuze identiteit is, mag van eiser bij terugkeer terughoudendheid bij zijn uiting worden verlangd. De minister concludeert daarom dat de asielaanvraag ongegrond is.

Gronden

5. In zijn gronden van beroep verwijst eiser naar een aantal publicaties waaruit blijkt dat hij, als gevolg van zijn afvalligheid, een reële kans op vervolging loopt in Iran, te weten:

Het algemeen ambtsbericht over Iran van 31 mei 2022 en 29 september 2023;

Het algemeen ambtsbericht over Iran van 22 februari 2021;

Het algemeen ambtsbericht over Iran van 22 maart 2019;

Het algemeen ambtsbericht over Iran van mei 2017;

Jaarrapport Human Rights Watch van 12 januari 2023;

USDOS rapport over religieuze vrijheid van 12 juni 2022;

Jaarrapport van Amnesty International van 29 maart 2022;

Rapport van USCIRF van augustus 2021;

Rapport van de International Federation for Human Rights van oktober 2022;

Landenrapport van het Australische ministerie van Buitenlandse Zaken en Handel van 14 april 2020;

Rapport van de UK Home Office van februari 2020;

VN rapport van 16 juli 2021;

Artikel van Frontline Defenders, geraadpleegd op 23 november 2023.

Uit deze informatie blijkt dat eiser door zijn afvalligheid een reële kans op vervolging loopt. De minister dient dan ook nader te onderzoeken wat de positie van afvalligen in Iran is, mede gezien in het licht van de laatste ontwikkelingen in Iran.

Daarnaast is eiser van mening dat de minister zijn aanvraag niet conform Werkinstructie 2022/3 heeft afgedaan, omdat de wijze waarop eiser zijn afvalligheid in Iran heeft geuit en op het moment in Nederland uit niet beoordeeld is, evenmin als de wijze waarop eiser van plan is zijn afvalligheid te uiten bij terugkeer. Eiser heeft in Iran als gevolg van zijn afvalligheid veel problemen gekend. Daarnaast heeft eiser uitgebreid verklaard hoe hij via sociale media op zoek is naar de inhoud van de islam. Dit wijst er volgens eiser op dat afvalligheid een belangrijk onderdeel is van zijn religieuze identiteit. Ook heeft eiser aangegeven dat hij bij terugkeer niet zal liegen over zijn geloofsovertuiging. Hij gaat zijn afvalligheid op zijn eigen manier uiten. In dit kader verwijst eiser naar de uitspraak van de Afdeling van 24 december 2024 waarin is verwezen naar de uitspraak van 19 januari 2022. De minister moet bij een geloofwaardig geachte afvalligheid onderzoeken en beoordelen hoe de vreemdeling hier bij terugkeer uiting aan wil geven en hij mag van de vreemdeling niet verwachten dat hij zich, om vervolging te voorkomen, terughoudend zal opstellen. In Nederland heeft eiser meegedaan aan verschillende demonstraties en is hij op sociale media actief. Ook in Iran heeft eiser meegedaan aan verschillende demonstraties. Dit is door de minister geloofwaardig bevonden. Eiser meent dat zijn politieke overtuiging ten onrechte niet als apart element is beoordeeld. In dat verband heeft eiser gewezen op verschillende publicaties waaruit blijkt dat Iraniërs in het buitenland gemonitord worden, te weten:

Het algemeen ambtsbericht over Iran van 29 september 2023;

Het algemeen ambtsbericht over Iran van 31 mei 2022;

Het algemeen ambtsbericht over Iran van 22 februari 2021;

Rapport van Freedom House van november 2023;

ARTICLE19 van augustus 2023;

Rapport van de Belgische Migratiedienst CGVSRA over Iran van 10 mei 2023;

Rapport van het Noorse Landinfo van 28 november 2022;

AIVD jaarrapport van april 2023;

Bericht van de NOS van 25 oktober 2022;

Artikel van RTL Nieuws van 21 oktober 2022;

Rapport van de UK Home Office van 22 maart 2022;

Rapport van Freedom House van februari 2021;

Rapport van Freedom House van 21 september 2021;

Rapport van de AIVD van 29 april 2021;

Rapport van de International Federation for Human Rights (FIDH) van 21 januari 2019;

Vraagbeantwoording van de Schweizerische Flüchtlingshilfe van 21 januari 2019;

Brief van de AIVD aan de Tweede Kamer van 8 januari 2019.

Uit deze informatie blijkt dat eiser een reëel risico loopt op vervolging, dat de Iraanse autoriteiten op de hoogte zijn van zijn activiteiten in het buitenland en dat zijn sociale media wordt gemonitord. Verder is eiser van mening dat de minister onvoldoende heeft onderzocht welke risico’s bij loopt indien hij terug moet keren naar Iran. Hij verblijft al een aantal jaren in het buitenland en is afvallige. Hij heeft meegedaan aan verschillende demonstraties en heeft geen paspoort. Eiser wijst op de moeilijkheden die terugkerende Iraniërs kunnen hebben aan de grens. Ook schijnt de minister te vergeten dat van eiser geen terughoudendheid mag worden verlangd. In verband met deze twee elementen verwijst eiser naar het volgende:

Country Guidance uitspraak van het United Kingdom Upper Tribunal van 20 februari 2020;

Het algemeen ambtsbericht over Iran van februari 2022 op pagina 123;

Uitspraken van de rechtbank Amsterdam: NL23.14937 en NL22.11237;

Uitspraken van de Afdeling: ECLI:NL:RVS:2022:93, ECLI:NL:RVS:2022:3266, ECLI:NL:RVS:2022:1688, ECLI:NL:RVS:2023:1708;

Uitspraak van rechtbank Den Haag met kenmerk NL24.33125;

Uitspraak van rechtbank Rotterdam met kenmerk NL24.21652.

Beoordeling door de rechtbank

Problemen als gevolg van zijn afvalligheid

6. De rechtbank is allereerst van oordeel dat de minister de door eiser in Iran ondervonden problemen als gevolg van zijn afvalligheid op goede gronden niet geloofwaardig heeft geacht. Zo heeft de minister het ongerijmd mogen achten dat eiser op het moment dat hij ruzie met zijn moeder had gehad en hij een grote aversie jegens de islam voelde juist zijn vriend [naam 3] laat komen en zich tegenover hem helemaal laat gaan terwijl hij op de hoogte was van het feit dat diens vader bij de Basij werkt en deze vriend bovendien nog een wrok jegens hem koesterde vanwege een vriendin. Dat het incident met de vriendin drie jaar eerder speelde en eiser na dat incident geen contact meer met haar had gehad, waardoor de minister zich niet ten onrechte afvraagt of het incident zich wel verhoudt ten opzichte van het doorspelen van de opname door [naam 3] aan zijn vader, heeft de minister ook afbreuk mogen laten doen aan de geloofwaardigheid. Daarnaast heeft de minister mogen concluderen dat eiser tegenstrijdig heeft verklaard over de aanleiding voor de inval bij hem thuis en daarmee voor de door hem gestelde reden van vertrek uit Iran. Tijdens het aanmeldgehoor heeft eiser verklaard dat het zijn Instagramactiviteiten waren die de negatieve aandacht van de autoriteiten op hem vestigde. In het nader gehoor heeft hij die verklaring bijgesteld en aangegeven dat het zijn aanwezigheid bij een demonstratie en de anti-islam uitingen in het bijzijn van [naam 3] waren die maakten dat hij problemen met de Sepah kreeg. Ook heeft de minister op goede gronden vraagtekens kunnen stellen bij eisers stelling dat hij legaal is uitgereisd terwijl de Sepah volgens zijn verklaringen in het bezit was van de video die aanleiding vormde voor een inval in zijn woning. De minister heeft niet hoeven inzien dat een organisatie zo goed georganiseerd als de Sepah Iraanse burgers waartegen een verdenking loopt legaal laat uitreizen.

Politieke overtuiging als afzonderlijk element

7. De rechtbank volgt eiser niet in zijn betoog dat de minister zijn politieke overtuiging als afzonderlijk element had moeten beoordelen. Tijdens het nader gehoor heeft eiser hierover op pagina 33 het volgende verklaard:

“Ik ben niet politiek actief. Ik wil geen politiek verrichten en houd daar niet van. Het was ongeveer in oktober 2019. In onze steeg was opeens een demonstratie. Mensen waren bezig met een demonstratie. Een vriend van mij heeft een supermarkt. Ik stond met hem voor zijn supermarkt. Wij stonden dus gewoon naast de winkel. Er was een flinke demonstratie gaande. Die demonstratie duurde twee tot drie dagen lang in onze wijk. Twee jongens van onze wijk zijn opgepakt geweest. Ik hoorde later dat de Basidj alle namen die daar waren of stonden hadden bemachtigd. Ik had geen problemen. Ik hoorde alleen dat mijn naam ook is doorgegeven omdat ik daar stond. Net als veel andere mensen.”

Eiser heeft dus zelf aangegeven dat hij niet politiek actief was toen hij nog in Iran verbleef en dat zijn eventuele rol bij een demonstratie niet verder ging dan die van toeschouwer. Voor de minister bestond er overeenkomstig IB 2024/10 dus ook geen aanleiding om eisers politieke overtuiging als afzonderlijk element te beoordelen. Het argument dat eiser wel politiek actief was in Iran is pas in de gronden van beroep aangevoerd en heeft de minister dan ook niet in zijn besluitvorming kunnen betrekken.

Vrees bij terugkeer

8. De rechtbank is van oordeel dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd dat eiser bij terugkeer naar Iran geen reëel risico loopt op vervolging op grond van zijn deelname aan demonstraties in Nederland en zijn activiteiten op sociale media sinds zijn komst naar Nederland. Eiser heeft foto’s van zijn sociale media account overgelegd waarop te zien is dat hij in Nederland heeft deelgenomen aan diverse demonstraties tegen het Iraanse regime. Ook blijkt uit de posts eisers afvalligheid en het feit dat hij zich keert tegen het Iraanse regime. Daar komt bij dat uit het ambtsbericht bekend is dat de kans bestaat dat de Iraanse autoriteiten Iraniërs in het buitenland monitoren en het feit dat eiser zonder paspoort en na een lang verblijf in het buitenland naar Iran zal moeten terugkeren. Dit maakt de kans groot dat eiser bij zijn aankomst op het vliegveld van Teheran zal worden ondervraagd. De minister heeft in het bestreden besluit niet kunnen volstaan met zijn standpunt dat, indien zou moeten worden aangenomen dat eiser ondervraagd zal worden, er geen indicaties zijn dat eiser in de negatieve belangstelling van de Iraanse autoriteiten staat of dat de Iraanse autoriteiten zouden kunnen vermoeden of eiser zouden kunnen toedichten dat hij afvallig is.

De rechtbank overweegt voorts dat de afvalligheid van eiser niet in geschil is. De minister vindt echter dat van eiser verwacht mag worden dat hij, indien dit van hem geëist wordt, bij aankomst op het vliegveld van Teheran een verklaring ondertekent dat hij nog steeds moslim is en dat hij zich vervolgens terughoudend in zijn uiting opstelt. De rechtbank is van oordeel dat de minister niet deugdelijk heeft gemotiveerd hoe dit standpunt zich verhoudt tot de vaste rechtspraak van de Afdeling, waaronder de uitspraken van 19 januari 2022 en 24 december 2024, waaruit volgt dat terughoudendheid van de vreemdeling niet mag worden verlangd en de vaste rechtspraak van de Afdeling, waaronder voormelde uitspraak van 24 december 2024, r.o. 3.2, waaruit volgt dat als een vreemdeling niet uitdrukkelijk verklaart over de manier van uiting van zijn of haar afvalligheid bij terugkeer, de minister ervan moet uitgaan dat die vreemdeling na terugkeer op dezelfde wijze uiting aan de afvalligheid wil geven als hij of zijn in Nederland heeft gedaan.

Conclusie en gevolgen

9. De minister heeft de aanvraag, gelet op het voorgaande, niet kunnen afwijzen als ongegrond. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit niet deugdelijk is gemotiveerd, hetgeen in strijd is met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht. De rechtbank ziet geen aanleiding om de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand te laten of mogelijkheid om zelf in de zaak te voorzien. De minister zal een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak. Omdat het beroep gegrond is krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank:

Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Sibma, rechter, in aanwezigheid van mr. P.C.J. Lindeijer, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.

Deze uitspraak is openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. A. Sibma

Griffier

  • mr. P.C.J. Lindeijer

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?