RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiseres], V-nummer: [nummer], eiseres
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.38667
(gemachtigde: mr. D.S. Harhangi-Asarfi),
en
(gemachtigde: mr. A. Sarmastzada).
Procesverloop
Bij besluit van 8 augustus 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd (asielaanvraag) als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vw, in samenhang bezien met artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder g, van de Vw.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Zij heeft tevens de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
De rechtbank heeft het beroep, samen met het verzoek om een voorlopige voorziening (NL25.38668), op 16 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres, [naam 1] als tolk en de gemachtigde van verweerder.
Totstandkoming van het besluit
Eerste asielprocedure
1. Eiseres heeft de Iraakse nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] 1980. Op 28 januari 2022 heeft zij haar eerste asielaanvraag in Nederland ingediend. Bij besluit van 18 oktober 2022 heeft verweerder deze asielaanvraag afgewezen als ongegrond op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vw. Verweerder heeft eiseres haar identiteit, nationaliteit en herkomst geloofwaardig geacht. Verder acht verweerder geloofwaardig dat eiseres door haar familie onder druk is gezet om te trouwen, maar dat zij dit weigert omdat zij geen maagd meer is. Ook acht verweerder geloofwaardig dat eiseres van februari 2009 tot juni 2010 een relatie heeft gehad waarvan niemand op de hoogte is en dat eiseres in 2005 problemen heeft ondervonden vanwege haar Soennitische en Koerdische afkomst. Verweerder acht de vrees van eiseres dat zij bij terugkeer naar Irak door haar familie, haar stam, of een echtgenoot verstoten, gefolterd of gedood zal worden wanneer na een huwelijk zal blijken dat zij geen maagd meer is niet aannemelijk, onder andere omdat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat er sprake is van geweld of dwang door haar familie. De problemen met betrekking tot eiseres haar Soennitische en Koerdische afkomst zijn door verweerder niet zwaarwegend genoeg bevonden. Het door eiseres ingestelde beroep tegen dit besluit is met de uitspraak van deze rechtbank van 24 november 2022 (NL22.21669) ongegrond verklaard. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) heeft het hoger beroep bij uitspraak van 22 december 2022 ongegrond verklaard (zaaknummer 202206840/1/v1). Het besluit van 18 oktober 2022 staat dus in rechte vast.
Tweede en huidige asielprocedure
2. Eiseres heeft op 4 december 2023 een nieuwe asielaanvraag ingediend. Over die aanvraag gaat deze uitspraak. Eiseres legt aan deze aanvraag ten grondslag dat zij een verwesterde levensstijl heeft. Daarnaast heeft eiseres aan haar vader verteld dat ze een seksuele relatie heeft gehad met een man terwijl ze niet met hem getrouwd was. Haar vader heeft haar daarna met de dood bedreigd. Eiseres vreest bij terugkeer te worden gedood omdat zij de eer van de familie heeft beschadigd.
Om haar asielrelaas te onderbouwen heeft eiseres de volgende documenten overgelegd:
Het bestreden besluit
3. Het asielrelaas van eiseres bevat volgens verweerder de volgende asielmotieven:
1. Identiteit, nationaliteit en herkomst
2. Vereenzelviging met de fundamentele waarde van gelijkheid tussen man en vrouw
3. Doodsbedreiging door vader
Verweerder heeft het eerste asielmotief in de eerdere procedure geloofwaardig geacht en ziet geen aanleiding om hier van af te wijken. Het tweede en het derde asielmotief worden door verweerder niet geloofwaardig geacht omdat eiseres niet aan artikel 31, zesde lid, aanhef en onder c, van de Vw, voldoet. Volgens verweerder is uit eiseres haar verklaringen niet gebleken dat zij zich daadwerkelijk heeft vereenzelvigd met de waarde van gelijkheid tussen man en vrouw en dat dit dermate fundamenteel is voor eiseres haar identiteit en morele integriteit dat niet van haar kan worden geëist dat ze dit opgeeft. Eiseres heeft hier volgens verweerder namelijk oppervlakkig en onvoldoende concreet over verklaard. Daarnaast heeft eiseres niet aannemelijk gemaakt dat haar leven in Nederland dusdanig anders is dan in Irak en heeft eiseres tegenstrijdig verklaard aan de eerste asielprocedure. Verder kan verweerder niet verifiëren dat eiseres daadwerkelijk door haar vader is bedreigd, past eerwraak niet binnen het beeld dat eiseres heeft geschetst van de relatie tussen haar en haar ouders, en heeft eiseres ongerijmd verklaard over hoe haar vader op de hoogte is geraakt van haar eerdere seksuele relatie.
Het eerste geloofwaardig geachte asielmotief leidt volgens verweerder niet tot een vervolgingsgrond in de zin van het Verdrag betreffende de status van vluchtelingen (Vluchtelingenverdrag) of tot een reëel risico op ernstige schade in de zin van artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Verweerder heeft de asielaanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder g, van de Vw, omdat eiseres een opvolgende asielaanvraag heeft ingediend en deze niet niet-ontvankelijk is verklaard. Daarnaast omvat het bestreden besluit een inreisverbod voor de duur van twee jaar.
Beoordeling door de rechtbank
Vereenzelviging met de fundamentele waarde van gelijkheid tussen man en vrouw
4. Volgens eiseres heeft verweerder ten onrechte ongeloofwaardig geacht dat zij zich heeft vereenzelvigd met de fundamentele waarde van gelijkheid tussen man en vrouw. Eiseres heeft met haar verklaringen namelijk aannemelijk gemaakt dat zij in het dagelijks leven het voordeel van deze gelijkheid wil genieten en dat zij zelf de levenskeuzes wil maken die bepalend zijn voor haar identiteit. Eiseres betwist dat haar verklaringen hierover niet uitgebreid en diepgaand zijn, ook gelet op haar referentiekader. Verweerder heeft volgens eiseres verder niet voldaan aan zijn onderzoeks- en doorvraagplicht doordat hij in het gehoor onvoldoende vragen heeft gesteld over de verwestering van eiseres. Eiseres heeft ook niet tegenstrijdig verklaard ten opzichte van haar eerdere procedure, verweerder geeft er met dit oordeel blijk van de verklaringen van eiseres niet integraal te hebben beoordeeld. Verweerder heeft tot slot ten onrechte niet betrokken hoe eiseres haar gedragingen zullen worden ontvangen in Irak.
Juridisch kader
Bij de beoordeling of een vreemdeling een gegronde vrees voor vervolging heeft, kan een rol spelen of een vreemdeling tot een specifieke sociale groep behoort zoals bedoeld in artikel 10, eerste lid, aanhef en onder d, van de Kwalificatierichtlijn. Uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (Hof) van 11 juni 2024 (C-646/21, ECLI:EU:C:2024:487, K en L) volgt dat vrouwen onder omstandigheden als specifieke sociale groep kunnen worden aangemerkt. Dit kan het geval zijn wanneer vrouwen zich vereenzelvigen met de fundamentele waarde van gelijkheid tussen man en vrouw en dit kan worden beschouwd als een kenmerk of geloof dat voor de identiteit of de morele integriteit van de vrouw dermate fundamenteel is dat van haar niet mag worden geëist dat zij dit opgeeft (overweging 44 K en L). Uit het arrest K en L volgt verder dat er sprake is van vereenzelviging met de fundamentele waarde van gelijkheid tussen man en vrouw wanneer de betreffende vrouw in haar dagelijks leven het voordeel van deze gelijkheid wil genieten. Deze gelijkheid houdt onder meer in het recht van iedere vrouw op bescherming tegen alle vormen van gendergerelateerd geweld en veronderstelt dat de vrouw vrij is levenskeuzen te maken die bepalend zijn voor haar identiteit. Hierbij valt onder meer te denken aan keuzes op het vlak van onderwijs en beroepsloopbaan, de mate en aard van activiteiten in de publieke sfeer, de mogelijkheid om zelf te kiezen of zij een geloof wil aanhangen en om eigen politieke opvattingen te hebben en deze te uiten, de mogelijkheid om economisch onafhankelijk te worden door buitenshuis te werken, de beslissing om alleen of in gezinsverband te wonen en de partnerkeuze. Deze vereenzelviging hoeft niet uit politieke of religieuze motieven voort te komen (overweging 37, 44 en 52 K en L).
Gelet op het voorgaande, in samenhang bezien met paragraaf C2/3.2.5.2.1. van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc), is het aan verweerder om aan de hand van wat eiseres heeft verklaard, de documenten die eiseres heeft overgelegd en algemene landeninformatie, allereerst te bepalen of eiseres aannemelijk heeft gemaakt dat zij zich daadwerkelijk vereenzelvigt met de fundamentele waarde van gelijkheid tussen man en vrouw. Vervolgens dient verweerder te beoordelen of die vereenzelviging een integrerend deel uitmaakt van de identiteit van eiseres. Hierbij betrekt verweerder in ieder geval of eiseres aannemelijk heeft gemaakt dat de vereenzelviging fundamenteel is voor haar identiteit of morele integriteit, of de vereenzelviging dermate fundamenteel is dat van eiseres niet mag worden geëist dat zij die opgeeft, de wijze waarop eiseres in haar dagelijks leven invulling geeft en heeft gegeven aan de vereenzelviging en de wijze waarop eiseres invulling wenst te geven aan de vereenzelviging bij terugkeer naar Irak. Indien verweerder zich op het standpunt heeft gesteld dat van een geloofwaardige vereenzelviging sprake is, wordt overgegaan tot de beoordeling of eiseres aannemelijk heeft gemaakt dat zij, gelet op de in Irak geldende sociale, morele of juridische normen, door haar vereenzelviging in haar directe omgeving als afwijkend zal worden beschouwd. Tot slot dient verweerder te beoordelen of er sprake is van een gegronde (toegedichte) vrees voor vervolging vanwege het behoren tot een sociale groep door de vereenzelviging. Hierbij mag niet van eiseres worden verwacht dat zij zich in Irak terughoudend opstelt.
Beoordeling door de rechtbank
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder onvoldoende gemotiveerd waarom ongeloofwaardig is geacht dat eiseres zich heeft vereenzelvigd met de fundamentele waarde van gelijkheid tussen man en vrouw. Zij legt hieronder uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen.
De rechtbank stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat eiseres enkel basisonderwijs heeft gevolgd en dat dit in beginsel betekent dat er minder van eiseres mag worden verwacht voor wat betreft haar verklaringen over de vereenzelviging. In dit kader stelt verweerder dat er geen doorwrocht juridisch betoog van eiseres wordt verwacht, maar dat wel van eiseres wordt verwacht dat zij aannemelijk kan maken waarom de vereenzelviging met de fundamentele waarde van gelijkheid tussen man en vrouw fundamenteel voor haar is. Volgens verweerder is eiseres hier om verschillende redenen niet in geslaagd; zij heeft hier algemeen, oppervlakkig en onvoldoende concreet over verklaard, zij heeft niet aannemelijk gemaakt dat haar leven in Nederland anders is dan in Irak en zij heeft tegenstrijdig aan haar eerdere procedure verklaard.
De rechtbank volgt verweerder allereerst niet in zijn standpunt dat niet geloofwaardig is dat eiseres zich heeft vereenzelvigd met de fundamentele waarde van gelijkheid tussen man en vrouw omdat zij niet aannemelijk heeft gemaakt dat haar leven in Nederland anders is dan in Irak en zij tegenstrijdig heeft verklaard over haar leven in Irak. Dat eiseres over haar leven in Irak tegenstrijdig zou hebben verklaard en – kort gezegd – in haar eerdere procedure heeft aangegeven dat zij in Irak meer vrijheden had dan dat zij thans verklaart, maakt op zichzelf niet dat van vereenzelviging geen sprake kan zijn. Hierbij acht de rechtbank verder van belang dat eiseres in Irak enige mate en vorm van vrijheid genoot. Zo blijkt uit de verklaringen van eiseres in de eerdere asielprocedure dat eiseres meerdere huwelijksaanzoeken heeft afgewezen, dat ze zonder begeleiding naar buiten ging om te werken als kapster, en dat ze - zij het zonder het aan iemand te vertellen - met [naam 2] (de man met wie zij een relatie had) ging winkelen, of naar het park of restaurants ging. Anders dan verweerder lijkt te stellen, brengt de omstandigheid dat eiseres in Irak al enige vrijheid genoot niet mee dat er daarom in Nederland geen sprake kan zijn vereenzelviging. De rechtbank acht het niet onaannemelijk dat eiseres in Irak, gelet op de (relatieve) vrijheden die ze daar had en nam, al belang hechtte aan vrijheid. Dit maakt niet onaannemelijk dat zij in Nederland, waar zij volgens haar eigen verklaring veel meer vrijheid ervaart, nog meer belang is gaan hechten aan vrijheid, wat ook wordt bevestigd door de (hierna te bespreken) verklaringen van eiseres. Dat, zoals verweerder op de zitting naar voren heeft gebracht, van eiseres mag worden verwacht dat zij inzicht geeft in de ontwikkeling die zij in Nederland heeft doorgemaakt en dat eiseres hier niet in is geslaagd, acht de rechtbank in dit kader ook onvoldoende gemotiveerd. Eiseres genoot in Irak immers al een mate en vorm van vrijheid zodat niet onaannemelijk is dat – om te kunnen spreken van vereenzelviging – een mindere mate van ontwikkeling vereist is dan bij iemand die ‘van verder moet komen’ en dan verweerder nu van eiseres lijkt te verwachten. De rechtbank stelt verder vast dat eiseres wel degelijk heeft verklaard over een ontwikkeling die zij heeft doorgemaakt in Nederland. Zo heeft eiseres verklaard dat zij afstand heeft genomen van de islamitische tradities en dat zij in Nederland vrijheid geniet die ze in Irak niet had. Als voorbeeld geeft eiseres dat zij zich in Nederland kan kleden zoals ze zelf wil en dat haar niet (door haar familie) wordt verplicht om een hijab te dragen. Ook verklaart eiseres dat ze meer open en vrij is geworden waardoor zij zich heeft ontwikkeld als persoon. Zo durft ze nu haar mening te geven, zich anders te gedragen en met mensen te praten (pagina 3-5 gehoor). De rechtbank verwijst in dit verband verder naar de verklaringen van eiseres die in de volgende rechtsoverweging nog worden besproken.
De rechtbank volgt verweerder ook niet in zijn standpunt dat eiseres algemeen, oppervlakkig en onvoldoende concreet heeft verklaard over haar vereenzelviging. Zo heeft eiseres in aanvulling op wat hiervoor is vermeld ook verklaard dat vrijheid voor haar betekent dat ze vrijheid heeft in de kleren die zij draagt, hoe zij haar haar doet, dat zij kan gaan en staan waar ze wil, zich kan gedragen zoals zij wil en met mensen omgaan zoals zij wil, en dat ze haar geloof op haar eigen manier kan uitoefenen (pagina 7, 8 en 11 gehoor). Over de gelijkheid tussen mannen en vrouwen verklaart eiseres dat deze in Nederland is zoals die moet zijn en dat die ook in Irak zou moeten zijn zoals in Nederland. Dit is zo belangrijk voor haar dat zij dit wil zo lang zij leeft en dit is alles wat zij wil. Eiseres verklaart dat zij geen mens meer zou zijn als er geen gelijkheid tussen mannen en vrouwen meer is, omdat ze graag wil doen en zeggen wat ze wil, zich wil kleden zoals ze wil, haar eigen karakter en persoonlijkheid wil creëren, en ze wil dat haar geen verplichtingen meer worden opgelegd (pagina 7 gehoor). Ze verklaart dat ze in Irak moest doen wat anderen dachten dat goed was voor haar. Ook verklaart ze dat ze constant in angst leefde omdat anderen direct negatief reageren als ze niet aan de sociale normen voldoet. In Nederland kan zij een relatie hebben (pagina 11 gehoor), een vriendje hebben is in Irak niet mogelijk (pagina 5 gehoor). Ze verklaart verder dat ze sterker is geworden als persoon, omdat ze nu open en vrij kan spreken en het kan aangeven als ze het ergens niet mee eens is en ook weet dat haar rechten beschermd worden (pagina 6). Op de vraag waarom het zo belangrijk voor haar is dat niemand iets zegt over wat zij doet, verklaart ze dat ze in Irak niet kon doen wat haar hart wilde, dat ze verstrikt zat in zichzelf en dat ze zich meer menswaardig voelt als ze de vrijheid heeft om te zeggen en te doen wat ze wil (pagina 11 gehoor). Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiseres met deze verklaringen meerdere voorbeelden gegeven over wat vrijheid en gelijkheid voor haar betekent. Dat eiseres haar verklaringen onvoldoende zijn omdat zij, zo lijkt verweerder te stellen, vooral zien op algemeenheden en oppervlakkige dingen zoals een vrije kledingkeuze, volgt de rechtbank niet. Verweerder heeft erkend dat er van eiseres, gelet op haar referentiekader, minder kan worden verwacht. Daarbij overweegt de rechtbank dat uit de verslagen van de gehoren (ook in de eerdere procedure) blijkt dat vragen geregeld moesten worden herhaald of op een andere manier worden gesteld en dat eiseres in haar verklaringen, ook over andere onderwerpen, veelal relatief korte antwoorden geeft waarbij zij vooral feitelijkheden noemt en niet veel vertelt over haar gedachten. Het is dan ook de vraag of verweerder qua reflectievermogen de lat voor eiseres niet te hoog legt. Niet valt in te zien waarom eiseres gelet op haar referentiekader met bovenstaande verklaringen onvoldoende concreet en uitgebreid heeft verklaard over haar vereenzelviging met de fundamentele waarde van gelijkheid tussen man en vrouw.
Gelet op wat onder 4.5. en 4.6. is overwogen heeft verweerder onvoldoende gemotiveerd dat eiseres zich niet heeft vereenzelvigd met de fundamentele waarde van gelijkheid tussen man en vrouw. Verweerder heeft het tweede asielmotief daarom onvoldoende gemotiveerd ongeloofwaardig geacht. De beroepsgrond slaagt. Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank wel voldoende vragen gesteld aan eiseres over haar vereenzelviging. Verweerder heeft er in dit kader op kunnen wijzen dat er meerdere vragen aan eiseres zijn gesteld ten aanzien van de fundamentele waarde van gelijkheid tussen mannen en vrouwen. Zo heeft verweerder gevraagd wat eiseres met verwestering bedoelt, hoe zij tegen de waarde van gelijkheid tussen mannen en vrouwen aankijkt en in hoeverre dit voor haar iets fundamenteels is, hoe het verblijf in Nederland eiseres haar normen, waarden en gedrag heeft beïnvloed, hoe haar gedachtegang is veranderd ten opzichte van de vorige procedure, wat vrijheid voor eiseres betekent, sinds wanneer eiseres deze denkbeelden heeft, hoe zij tegen de islamitische waarden over de positie van de vrouw aankijkt, waarom het voor eiseres van belang is dat ze mag doen wat ze wil, en of de gestelde openheid van eiseres problemen in Irak zou opleveren. Naar het oordeel van de rechtbank blijkt hieruit niet dat er sprake is van een onzorgvuldig gehoor.
Doodsbedreiging door vader
5. Eiseres stelt zich op het standpunt dat verweerder de doodsbedreigingen door haar vader ten onrechte niet aannemelijk heeft geacht. Eiseres heeft in beroep namelijk getuigenverklaringen van haar broer en nicht overgelegd die bevestigen dat de doodsbedreiging die te horen is op het audiofragment van de telefoon van eiseres, van haar vader afkomstig is. Verweerder heeft ten onrechte geen technische verificatie of aanvullend getuigenonderzoek gedaan, wat volgens eiseres in strijd is met de samenwerkingsverplichting en de zorgvuldigheidsplicht. Daarnaast stelt verweerder zich volgens eiseres ten onrechte op het standpunt dat eerwraak niet past binnen het beeld dat eiseres heeft geschetst van de relatie tussen haar en haar ouders. Eiseres heeft namelijk uitgelegd dat zij zelf niet naar een huwelijkspartner heeft gezocht, maar dat haar ouders dit wel hebben gedaan en dat bij een huwelijk bekend zal worden dat eiseres voorhuwelijkse seks heeft gehad. Dit is in de Koerdische context een grote schande en rede tot eerwraak.
Verweerder heeft ongeloofwaardig geacht dat eiseres door haar vader is bedreigd. In het bestreden besluit en op de zitting heeft verweerder zich hierover op het standpunt gesteld dat het ongerijmd is dat eiseres aan haar vader zou hebben verteld dat ze seks heeft gehad. Het is volgens verweerder dan aan eiseres om aan de hand van andere bewijsmiddelen aannemelijk te maken dat dit wel het geval is. Eiseres is hier volgens verweerder niet in geslaagd. De rechtbank overweegt hierover als volgt.
De rechtbank volgt verweerder allereerst niet in zijn standpunt dat het ongerijmd is dat eiseres haar vader ervan op de hoogte heeft gebracht dat ze seks heeft gehad omdat zij in haar eerdere asielprocedure heeft verklaard dat zij dit tegen niemand durfde te vertellen omdat zij dan om het leven zou worden gebracht. Hierbij acht de rechtbank van belang dat eiseres zich, toen zij dit via de telefoon vertelde, in Nederland bevond en niet bij haar vader in Irak, en dat - zoals hiervoor onder 4.5. en 4.6. ook al is overwogen - het niet onaannemelijk is dat eiseres in Nederland nog meer belang is gaan hechten aan vrijheid dan zij in Irak deed en dat onvoldoende is gemotiveerd waaruit blijkt dat eiseres zich niet heeft vereenzelvigd met de waarde van gelijkheid tussen man en vrouw. Naar het oordeel van de rechtbank is hiermee ook niet onaannemelijk dat, zoals eiseres in de zienswijze ook heeft gesteld, zij zich in Nederland – mede door de ontwikkeling die zij heeft doorgemaakt en het ontdekken van haar eigen identiteit en eigenwaarde - veilig en vrij genoeg voelt om openhartig te zijn tegen haar vader. Dat, zoals verweerder stelt, dit niet aannemelijk is omdat eiseres niet heeft verklaard dat zij aan haar vader heeft verteld dat ze seks heeft gehad omdat ze zich vrij voelde, maar dat zij heeft verklaard dit te hebben verteld omdat het haar teveel werd dat haar vader steeds tegen haar zei dat ze terug moest komen, is naar het oordeel van de rechtbank niet afdoende. Eiseres heeft verklaard dat haar vader steeds tegen haar zei dat ze terug moest komen en in Irak moest trouwen en zich settelen. De rechtbank vindt het niet onaannemelijk dat de druk die hieruit spreekt om in Irak het leven te leiden dat haar ouders wenselijk vinden, voor eiseres teveel werd en – gezien de ontwikkeling die zij heeft doorgemaakt en haar wens haar eigen levenskeuzes te maken - heeft gemaakt dat eiseres tegenover haar vader heeft verklaard over haar seksuele relatie. De rechtbank acht verweerders standpunt in dit kader dan ook onvoldoende gemotiveerd. In het verlengde daarvan is ook verweerders standpunt dat niet geloofwaardig is dat eiseres door haar vader is bedreigd omdat niet kan worden geverifieerd of de overgelegde geluidsopname daadwerkelijk door haar vader is ingesproken, onvoldoende gemotiveerd. Hierbij acht de rechtbank van belang dat eiseres naast de geluidsopname ook een fotokopie van de identiteitskaart van haar vader en screenshots van Messenger heeft overgelegd. In beroep heeft eiseres nog getuigenverklaringen van haar broer en nicht overgelegd waarin zij verklaren de stem van degene die de bedreigingen uit te herkennen en bevestigen dat de bedreigingen door de vader van eiseres worden geuit. Over deze getuigenverklaringen heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat dit subjectief bewijs is en dat hier daarom niet de waarde aan wordt gehecht die eiseres wenst. De rechtbank acht dit standpunt onvoldoende gemotiveerd en verwijst hierbij naar de uitspraak van de Afdeling van 17 september 2021 (ECLI:NL:RVS:2021:2095). Uit deze uitspraak volgt dat de bewijskracht van getuigenverklaringen weliswaar beperkt is, maar dat deze verklaringen niet alleen om hun niet-objectieve karakter kunnen worden tegengeworpen, hetgeen verweerder wel lijkt te doen.
Gelet op hetgeen onder 5.2. is overwogen heeft verweerder onvoldoende gemotiveerd waarom ongeloofwaardig is dat eiseres door haar vader is bedreigd. Verweerder heeft het derde asielmotief daarom onvoldoende gemotiveerd ongeloofwaardig geacht. De beroepsgrond slaagt.
Inreisverbod
6. Eiseres stelt zich tot slot op het standpunt dat het inreisverbod in strijd is met artikel 8 van het EVRM. Eiseres is namelijk op 18 mei 2024 (islamitisch) getrouwd met een partner in Nederland. Volgens eiseres is er daarom sprake van een duurzaam gezinsleven.
De rechtbank overweegt als volgt. Uit artikel 66a, achtste lid, van de Vw, volgt dat verweerder om humanitaire redenen of andere redenen kan afzien van het uitvaardigen van een inreisverbod. Volgens paragraaf A4/2.2, onder c, van de Vc vaardigt verweerder geen inreisverbod uit wanneer dit in strijd zou zijn met artikel 8 van het EVRM. Voor zover eiseres zich op het standpunt stelt dat er vanwege haar relatie met haar partner en de zorg voor zijn kinderen geen inreisverbod mocht worden opgelegd, overweegt de rechtbank dat verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat niet is gebleken dat het voor eiseres onmogelijk is om haar relatie op een andere wijze in te vullen, bijvoorbeeld door een bezoek van haar partner in Irak, of in een ander land waar zij elkaar ontmoeten. Daarnaast heeft verweerder er op zitting op kunnen wijzen dat eiseres tijdens het gehoor niet heeft verklaard dat zij de zorg heeft over de kinderen van haar partner. Ook uit het door eiseres overgelegde ouderschapsplan van haar partner en diens ex-vrouw blijkt dit niet. Van strijd met artikel 8 van het EVRM is geen sprake. Tot slot heeft verweerder in het besluit terecht opgemerkt dat eiseres, indien zij langdurig verblijf beoogt bij haar partner, een daartoe strekkende (reguliere) aanvraag kan indienen met het oog op het uitoefenen van gezinsleven en dat als dat verblijf wordt aanvaard, het inreisverbod kan worden opgeheven, of dat als eiseres meent dat zij aan de voorwaarden voldoet, zij een aanvraag tot opheffing van het inreisverbod kan indienen op grond van artikel 66b, eerste lid, van de Vw. De beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
Beslissing
7. Gelet op wat onder 4.5, 4.6. en 5.2. is overwogen is het beroep gegrond. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit vanwege motiveringsgebreken. De rechtbank ziet geen aanleiding om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten, een bestuurlijke lus toe te passen, of zelf in de zaak te voorzien. Het is aan verweerder om deugdelijk te onderzoeken en te motiveren of alsnog een verblijfsvergunning moet worden verleend. Verweerder moet daarom een nieuw besluit nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van zes weken.
8. Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiseres een vergoeding van haar proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).
De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.A. Bouter - Rijksen, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Duijf, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.