RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser
de minister van Asiel en Migratie, verweerder.
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.7831
(gemachtigde: mr. D. Matadien),
en
Procesverloop
Verweerder heeft op 30 december 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd.
Eiser heeft hierop gereageerd.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft en het onderzoek gesloten op 18 februari 2026.
Overwegingen
1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedag] 1992 en de Algerijnse nationaliteit te hebben.
2. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 15 januari 2026 volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, 14 januari 2026, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds 14 januari 2026.
4. Eiser voert aan dat verweerder niet voortvarend handelt. Het is namelijk niet gebleken dat verweerder actieve en inhoudelijke uitzettingshandelingen heeft verricht. Verweerder heeft ten onrechte een afwachtende houding aangenomen ten aanzien van het verkrijgen van een lp voor eiser. Daarnaast is geen sprake van zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn, nu er tot op heden geen lp is verstrekt dan wel een toezegging is gedaan door de Algerijnse autoriteiten dat een lp zal worden verstrekt. Ook is niet gebleken dat de Algerijnse autoriteiten de identiteit en nationaliteit van eiser hebben bevestigd of daar nader onderzoek naar hebben gedaan. Verder heeft verweerder ten onrechte geen lichter middel, zoals een meldplicht, toegepast. Het laten voortduren van de bewaring is bezwarend geworden voor eiser. De uitzichtloosheid van de bewaring en het lange verblijf in detentie onder een strikt regime maakt dat eiser depressieve en psychosomatische klachten krijgt. Verweerder heeft de individuele belangen van eiser niet (voldoende) betrokken bij de belangenafweging.
5. In wat eiser aanvoert, ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat het voortduren van de maatregel van bewaring onrechtmatig is. Eiser wordt niet gevolgd in zijn betoog dat verweerder onvoldoende voortvarend handelt en een afwachtende houding heeft. Uit het voortgangsrapport blijkt dat verweerder sinds 14 januari 2025 twee keer heeft gerappelleerd bij de Algerijnse autoriteiten en een vertrekgesprek met eiser heeft gevoerd. Daarmee werkt verweerder voldoende voortvarend aan de uitzetting van eiser.
6. Daarnaast is niet gebleken dat het zicht op uitzetting is komen te ontbreken. De rechtbank stelt daarbij voorop dat in het algemeen ontbreekt het zicht op uitzetting naar Algerije niet ontbreekt. Op 2 januari 2026 heeft verweerder de lp-aanvraag verzonden naar de Algerijnse autoriteiten. Dat er tot op heden nog geen (positieve) reactie van de Algerijnse autoriteiten op de lp-aanvraag is ontvangen, betekent niet dat in eisers geval het zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn ontbreekt. Er zijn door eiser verder geen concrete aanknopingspunten aannemelijk gemaakt die erop wijzen dat het lp-traject op niets zal uitlopen en dat er voor hem geen lp zal worden afgegeven.
7. Ten aanzien van het lichter middel verwijst de rechtbank allereerst naar de uitspraak van 15 januari 2026. In die uitspraak is geoordeeld dat verweerder voldoende heeft gemotiveerd dat geen lichter middel doeltreffend kan worden toegepast om het onttrekkingsrisico te ondervangen. In het huidige beroep heeft eiser geen andere, bijzondere omstandigheden aangevoerd die aanleiding geven voor een ander oordeel. Nog daargelaten dat eiser zijn gestelde psychische klachten niet met documenten heeft onderbouwd, geldt dat hij in bewaring aanspraak kan maken op medische voorzieningen, zoals ook in de uitspraak van 15 januari 2026 is geoordeeld. Gesteld noch gebleken is dat deze voorzieningen in eisers geval niet toereikend zijn.
8. Tot slot leidt ook de ambtshalve toetsing niet tot het oordeel dat het voortduren van de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was.
9. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan op 23 februari 2026 door mr. K.M. de Jager, rechter, in aanwezigheid van mr. W. van Loon, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.