RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser
de minister van Asiel en Migratie,
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.7337
(gemachtigde: mr. M.M. van Daalhuizen),
en
(gemachtigde: mr. S.H.F. Pols).
Procesverloop
Verweerder heeft op 29 oktober 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
De rechtbank heeft op 10 februari 2026 een kennisgeving ontvangen van de maatregel waaruit blijkt dat een termijn van 75 dagen is verstreken zonder dat door of namens eiser beroep is ingesteld tegen het voortduren van de bewaring. Daarmee wordt eiser geacht tegen de maatregel van bewaring beroep te hebben ingesteld en daarbij te hebben verzocht om schadevergoeding.
Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd.
Eiser heeft hierop gereageerd.
Verweerder heeft op 16 januari 2026 desgevraagd een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft en het onderzoek op [geboortedag] 2026 gesloten.
Overwegingen
1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedag] 2004 en de Marokkaanse nationaliteit te hebben.
2. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 4 december 2025 volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, 3 december 2025, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds 3 december 2025.
4. Eiser voert aan dat geen sprake is van zicht op uitzetting naar Marokko binnen een redelijke termijn. In het vertrekgesprek van 1 december 2025 is aan eiser meegedeeld dat de aanvraag voor een reisdocument in behandeling is bij de Algerijnse autoriteiten. Dit blijkt niet uit het voortgangsrapport, waardoor voor eiser onduidelijk is bij welke autoriteiten een lp-aanvraag loopt. Daarnaast kan niet worden gezegd dat eiser niet meewerkt aan zijn uitzetting, nu hij heeft verklaard mee te willen werken aan de vaststelling van zijn identiteit en nationaliteit en het verkrijgen van een lp. Onder verwijzing naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Zwolle, van 18 februari 2025 voert eiser verder aan dat de periode voorafgaand aan de maatregel van bewaring relevant is voor de vraag of verweerder voldoende voortvarend handelt.
5. In wat eiser aanvoert, ziet de rechtbank geen aanleiding om het voortduren van de maatregel van bewaring onrechtmatig te achten. Uit de brief van verweerder van 16 februari 2026 blijkt dat de vermelding in het vertrekgesprek van 1 december 2025 dat een lp-aanvraag is ingediend bij de Algerijnse autoriteiten een misslag betreft. Verweerder heeft toegelicht dat uitsluitend bij de Marokkaanse autoriteiten een lp-aanvraag is ingediend, zoals ook blijkt uit het voortgangsrapport. De rechtbank stelt vast dat het ontbreken van het zicht op uitzetting naar Marokko eerder is aangevoerd en beoordeeld in het beroep dat heeft geleid tot de uitspraak van 4 december 2025. De situatie is sindsdien niet zodanig veranderd dat de rechtbank daarin aanleiding ziet om nu anders over de beroepsgrond te oordelen. Het enkele tijdsverloop is daartoe onvoldoende. Hierbij betrekt de rechtbank ook dat op eiser de plicht rust om actieve en volledige medewerking te verlenen om uitzetting te bewerkstelligen. Hoewel eiser stelt mee te werken aan zijn uitzetting, wijst verweerder in dit verband terecht op de verslagen van de vertrekgesprekken. Hieruit volgt dat eiser zich niet actief inzet om aan documenten te komen waarmee de uitzetting kan worden bespoedigd.
6. Ten aanzien van de verwijzing van eiser naar de uitspraak van zittingsplaats Zwolle van 18 februari 2025 overweegt de rechtbank dat dit reeds betrokken is bij de uitspraak van 4 december 2025. Verder is niet gebleken dat verweerder onvoldoende voortvarend werkt aan de uitzetting van eiser. Uit het voortgangsrapport blijkt dat verweerder sinds 3 december 2025 drie keer heeft gerappelleerd bij de Marokkaanse autoriteiten en twee vertrekgesprekken met eiser heeft gevoerd. Hiermee handelt verweerder voldoende voortvarend.
7. Voor zover eiser aanvoert dat een lichter middel dient te worden toegepast, wordt dit niet gevolgd. Niet is gebleken van feiten of omstandigheden die de bewaring voor eiser onevenredig bezwarend maken en waarin verweerder aanleiding had moeten zien voor een lichter middel.
8. Ook ambtshalve ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat het voortduren van de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was.
9. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan op 23 februari 2026 door mr. E.F. Bethlehem, rechter, in aanwezigheid van mr. W. van Loon, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.