RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , eiser
de minister van Asiel en Migratie,
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.8453
V-nummer: [V-nummer] ,
(gemachtigde: mr. R.C. van den Berg),
en
(gemachtigde: mr. R. Hopman).
Procesverloop
Verweerder heeft op 18 september 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.
Verweerder heeft desgevraagd een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft en heeft het onderzoek op 20 februari 2026 gesloten.
Overwegingen
1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedag] 1994 en de Algerijnse nationaliteit te hebben.
2. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring en het voortduren daarvan al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraken van deze rechtbank en zittingsplaats van 24 september 2025, 12 november 2025, 25 november 2025 en 13 januari 2026 volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die laatste uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom staat nu alleen ter beoordeling of de maatregel van bewaring rechtmatig is vanaf 9 januari 2026.
4. Eiser voert aan dat geen zicht is op uitzetting naar Algerije. De afgifte van een LP hangt af van de vraag of de vingerafdrukken bekend zijn in Algerije. De vingerafdrukken van eiser zijn kennelijk niet gevonden. Indien de vingerafdrukken niet zijn toegevoegd aan de LP-aanvraag is bovendien sprake van onvoldoende voortvarend handelen.
De rechtbank oordeelt als volgt.
5. In zijn algemeenheid bestaat zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn naar Algerije. Verweerder heeft bovendien toegelicht dat de Algerijnse autoriteiten in de periode van 1 januari 2025 tot en met 31 december 2025 in totaal 114 lp’s hebben verstrekt en in 85 gevallen heeft het geleid tot het daadwerkelijk vertrek van de vreemdeling. Niet is gebleken dat in het specifieke geval van eiser zicht op uitzetting ontbreekt. De stelling van eiser dat er geen zicht is op uitzetting, omdat de vingerafdrukken zouden ontbreken wordt niet gevolgd. Uit het verweerschrift blijkt namelijk dat LP-aanvraag is voorzien van vingerafdrukken. Verder hebben de Algerijnse autoriteiten niet kenbaar gemaakt dat zij geen LP aan eiser zullen verstrekken.
6. Verweerder handelt naar het oordeel van de rechtbank ook voldoende voortvarend. Zo zijn er meerdere vertrekgesprekken met eiser gevoerd (het laatste gesprek dateert van 4 februari 2026) en wordt er regelmatig gerappelleerd (uit het verweerschrift blijkt dat het laatste rappel dateert van 19 februari 2026).
7. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan op 23 februari 2026 door mr. M.L. Weerkamp, rechter, in aanwezigheid van mr. E.C. Jacobs, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.