ECLI:NL:RBDHA:2026:3584

ECLI:NL:RBDHA:2026:3584

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 13-02-2026
Datum publicatie 23-02-2026
Zaaknummer NL26.6107
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Rotterdam

Samenvatting

Bewaring, doorwerking onrechtmatigheid op aansluitende inbewaringstelling, ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam eiser] , eiser

de minister van Asiel en Migratie,

Zittingsplaats Rotterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.6107

V-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. M.I. Vennik),

en

(gemachtigde: mr. M.A.F.J. Smeulders).

Procesverloop

Bij besluit van 3 februari 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.

Verweerder heeft op 5 februari 2026 de maatregel van bewaring opgeheven.

De rechtbank heeft het beroep op 11 februari 2026 op zitting behandeld. Daarbij was eiser aanwezig, vertegenwoordigd door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

De beroepsgrond

1. Volgens eiser is de maatregel van bewaring van meet af aan onrechtmatig geweest en moet eiser onmiddellijk in vrijheid worden gesteld. Op 21 januari 2026 is eiser eerst in bewaring gesteld op grond van artikel 59, eerste lid, onder a van de Vw (onrechtmatig verblijf). Op 22 januari 2026 heeft eiser een aanvraag voor een reguliere verblijfsvergunning gedaan. Op 3 februari 2026 – een dag voor de zitting over de eerste bewaringsmaatregel – heeft verweerder de eerste maatregel omgezet naar de huidige maatregel (rechtmatig verblijf). Deze omzetting was 13 dagen te laat. Volgens deze rechtbank in de uitspraak van 6 februari 2026 (NL26.3806) heeft de eerste maatregel van bewaring dan ook vanaf 22 januari 2026 onrechtmatig voortgeduurd.

2. Eiser betoogt dat de onrechtmatigheid van de eerste bewaringsmaatregel doorwerkt in alle bewaringsmaatregelen die daarop zijn gevolgd. Primair voert eiser daartoe aan dat de bewaring die door de rechtbank onrechtmatig is bevonden zich ook uitstrekt over de opvolgende maatregelen, omdat het in al die gevallen gaat om bewaring op grond van de Terugkeerrichtlijn. Ze hebben allemaal als doel uitzetting naar zijn land van herkomst, alleen is het terugkeerbesluit tijdelijk geschorst door de behandeling van eisers verblijfsaanvraag. Subsidiair is volgens eiser sprake van kwade opzet of misleiding aan de kant van verweerder en van een ernstige schendig van het fundamentele recht om in vrijheid gesteld te worden, gezien de eenvoud waarmee dit (de rechtbank begrijpt: de te late omzetting van de eerste bewaringsmaatregel) voorkomen of hersteld had kunnen worden. Door ontvangstbevestigingen van de Dienst Terugkeer en Vertrek van 22 januari 2026 en de IND van 23 januari 2026 wist men dat de bewaringsmaatregel omgezet moest worden. Met de te late omzetting kon geen toets door de rechtbank meer plaatsvinden als de vlucht doorgang had kunnen vinden. Dit alles heeft voor veel stress gezorgd bij eiser. Daarnaast heeft verweerder geen enkele reden gegeven voor de omzetting na 13 dagen. Bij deze stand kan het niet anders dan dat het kwade opzet of misleiding is.

3. Eiser heeft ook verzocht om correspondentie tussen de Dienst Terugkeer en Vertrek en de IND.

Het juridisch kader

4. Als sprake is van twee aansluitende bewaringsmaatregelen die op verschillende maar juiste grondslagen zijn opgelegd, hoeft bij de tweede maatregel in beginsel geen rekening te worden gehouden met de onrechtmatigheid van de eerste maatregel. De onrechtmatigheid van een eerdere maatregel werkt wel door als het gebrek een ernstige schending oplevert van het recht om in vrijheid te worden gesteld wanneer de bewaring onrechtmatig is. De rechtbank verwijst hiervoor naar uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 12 juni 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2083, onder 5.6, en 26 april 2021, ECLI:NL:RVS:2021:885, onder 3.2. Daarbij kan van belang zijn of sprake is van een opeenstapeling van ernstige gebreken, hoe groot de gevolgen daarvan voor de vreemdeling zijn en de eenvoud waarmee deze gevolgen voorkomen hadden kunnen worden (zie de uitspraak van de Afdeling van 16 juni 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2353, onder 8.1). Op die manier betrekt de bewaringsrechter de onrechtmatigheid van een eerdere maatregel bij de toetsing van een opvolgende maatregel en verbindt daar zo nodig gevolgen aan, zonder dat die onrechtmatigheid altijd doorwerkt.

Het oordeel van de rechtbank

5. De rechtbank beperkt zich bij de beoordeling tot de vraag of de onrechtmatigheid van de voortduring van de eerste maatregel de tweede maatregel onrechtmatig maakt. Het is namelijk alleen de tweede maatregel die hier nu ter toetsing voorligt. Omdat deze maatregel van bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.

6. De rechtbank stelt in dit kader vast dat de tweede maatregel aansloot op de eerste maatregel. De maatregelen zijn op een verschillende grondslag opgelegd. Dat beide maatregelen zijn opgelegd met het oog op uitzetting (zie de aanhef van artikel 59, eerste lid, van de Vw) en zijn gebaseerd op de Terugkeerrichtlijn is op zich juist, maar maakt niet dat er ook sprake is van eenzelfde grondslag. De reden voor de onrechtmatigheid die is vastgesteld is juist dat de grondslagwijziging te laat was. Beide bewaringsmaatregelen zijn op ook de juiste grondslag opgelegd, de eerste maatregel heeft alleen niet op de juiste grondslag voortgeduurd. De vraag is dus of het gebrek in de eerste maatregel een ernstige schending oplevert van het recht van eiser om in vrijheid te worden gesteld.

7. Naar het oordeel van de rechtbank is dit niet het geval. Er is geen sprake van een opeenstapeling van gebreken. De te late omzetting van 13 dagen is relatief kort, ook ten opzichte van de maand onrechtmatige bewaring waarvan sprake was in de genoemde Afdelingsuitspraak van 16 juni 2023. Het is vervelend voor eiser dat hij langer in onzekerheid heeft gezeten over de vraag of de geplande uitzetting doorging, maar dit is niet zo’n ernstig gevolg dat de onrechtmatigheid zou moeten doorwerken. Ook het feit dat onduidelijk is gebleven waarom de omzetting pas na 13 dagen heeft plaatsgevonden (ondanks de ontvangstbevestigingen van de aanvraag) is dat niet. Verweerder heeft namelijk in de vorige procedure erkend dat dit niet goed is gegaan en moet hiervoor een schadevergoeding betalen. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding om verweerder op te dragen de verzochte correspondentie over te leggen. Hoewel eiser terecht heeft gewezen op de eenvoud waarmee de gevolgen voorkomen hadden kunnen worden, zijn – zoals hiervoor overwogen – de gevolgen van onrechtmatige voortduring van de eerste maatregel niet zo ernstig dat dat in dit geval doorslaggevend is.

8. Al met al levert het gebrek in de eerste maatregel daarom naar het oordeel van de rechtbank geen ernstige schending op van het recht van eiser om in vrijheid te worden gesteld. De onrechtmatige voortduring van de eerste maatregel maakt de tweede maatregel dus niet onrechtmatig.

Conclusie en gevolgen

9. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.C. Harting, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Stehouwer, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. E.C. Harting

Griffier

  • mr. M. Stehouwer

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?