RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam eiseres] , eiseres
de minister van Asiel en Migratie,
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.5677
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. D. Matadien),
en
(gemachtigde: [persoon A] ).
Procesverloop
Bij besluit van 1 februari 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiseres de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
Verweerder heeft op 4 februari 2026 de maatregel van bewaring opgeheven.
De rechtbank heeft de beroepen op 11 februari 2026 op zitting behandeld. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Als tolk is verschenen E. Batalova. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
Inleiding
1. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiseres schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiseres een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.
Voortraject
2. Eiseres voert aan dat de inhoud van de maatregel van bewaring niet door een tolk is vertolkt. Dit is een schending van zowel het verdedigingsbeginsel als het kenbaarheidsbeginsel en maakt de maatregel van bewaring onrechtmatig, aldus eiseres. Daarnaast betoogt eiseres dat uit het dossier niet op te maken is of zij tijdig uit de politiecel is geplaatst.
3. De rechtbank stelt vast dat uit het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling volgt dat de redenen waarom eiseres in bewaring zou worden gesteld (de zware en de lichte gronden) met haar zijn besproken onder vertaling van een beëdigde Russische tolk. Eiseres gaf daarna aan alles wat de tolk had gezegd te begrijpen. Voor wat betreft de uitplaatsing uit de politiecel heeft verweerder ter zitting toegelicht dat de uitplaatsing van eiseres geregistreerd staat op 2 februari 2026 om 13:53 uur, dus binnen 24 uur na de oplegging van de maatregel van bewaring. Naar het oordeel van de rechtbank is dus geen sprake van gebreken in het voortraject.
Bewaringsgronden
4. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de openbare orde de maatregel vorderde, omdat het risico bestond dat eiseres zich aan het toezicht zou onttrekken en eiseres de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontweek of belemmerde. Verweerder heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, eerste, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en zij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4a. zich niet aan een of meer andere voor haar geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
5. Eiseres betoogt dat er geen sprake is van een risico op onttrekking. Ze betwist alle zware gronden en de lichte gronden 4c en 4d. Ten aanzien van zware grond 3a voert eiseres aan dat ze al jaren in Polen woont en werkt. Door dit jarenlange verblijf in Polen is ze ervan uitgegaan dat ze verblijfsrecht heeft in de Europese Unie en daarmee het recht om Nederland in te reizen. Voor wat betreft zware grond 3b voert eiseres aan dat ze op bezoek was bij een vriendin in Rotterdam, waar ze feitelijk verbleef. Met betrekking tot zware grond 3c stelt eiseres dat zij niet op de hoogte is van een aan haar opgelegd terugkeerbesluit en dat deze ook niet terug te vinden is in het dossier. Voor wat betreft lichte grond 4c voert eiseres aan dat deze ten onrechte aan haar is tegengeworpen, omdat ze heeft aangegeven feitelijk bij een vriendin in Maashaven te wonen en hiervoor geen BRP inschrijving nodig is. Ten slotte betoogt eiseres ten aanzien van lichte grond 4d dat ze een inkomen heeft en dat de vriendin waar ze verblijft in haar onderhoud voorziet.
6. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling), bijvoorbeeld de uitspraak van 25 maart 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:829), volgt dat verweerder bij de zware gronden 3a en 3b kan volstaan met een toelichting dat deze gronden zich feitelijk voordoen. Verweerder heeft in het bestreden besluit gemotiveerd dat en waarom de zware grond 3a en 3b zich feitelijk voordoen. Eiseres heeft verklaard dat ze niet in het bezit is van een visum. Hieruit volgt dat eiseres niet op de voorgeschreven wijze Nederland is ingereisd. Daarnaast heeft zich ook niet bij de bevoegde autoriteiten gemeld aangaande haar onrechtmatig verblijf. Verweerder heeft de zware gronden 3a en 3b dan ook aan de maatregel van bewaring ten grondslag kunnen leggen.
7. De zware gronden 3a en 3b, en de niet bestreden lichte grond 4a, in onderling verband en samenhang bezien, kunnen naar het oordeel van de rechtbank de maatregel van bewaring al dragen. Er vloeit namelijk uit voort dat er een risico bestaat dat eiseres zich aan het toezicht zal onttrekken. De rechtbank laat de overige zware en lichte gronden dan ook onbesproken.
Lichter middel
8. Eiseres vindt dat verweerder had moeten volstaan met een lichter middel dan de inbewaringstelling, zoals een meldplicht. Daartoe voert ze aan dat verweerder onvoldoende haar medische omstandigheden heeft meegenomen in zijn afweging. Eiseres kampt namelijk met hoofdpijnen waardoor de inbewaringstelling bezwarend voor haar is en haar klachten toenemen.
9. Naar het oordeel van de rechtbank stelt verweerder zich voldoende gemotiveerd op het standpunt dat niet met een lichter middel dan de inbewaringstelling kon worden volstaan. De rechtbank verwijst daarbij in eerste instantie naar de gronden die aan de maatregel van bewaring ten grondslag zijn gelegd en het onttrekkingsrisico dat daaruit volgt. Eiseres heeft verder geen stukken overgelegd waaruit blijkt dat zij medische problemen heeft en daarom niet in detentie kon worden geplaatst. Een enkele stelling is daarvoor niet voldoende. Bovendien heeft verweerder de verklaringen die eiseres heeft afgelegd over haar hoofdpijnen kenbaar bij de besluitvorming betrokken en heeft hij zich daarover terecht op het standpunt gesteld dat eiseres de medische zorg die zij nodig heeft in het detentiecentrum beschikbaar is. Eiseres heeft verder ook niet aannemelijk gemaakt dat de in het detentiecentrum beschikbare medische zorg in haar geval niet passend, toegankelijk of toereikend is of dat haar gesteldheid in bewaring door gebrek aan medische zorg zou verslechteren. Deze beroepsgrond slaagt daarom niet.
Ambtshalve toetsing
10. De rechtbank overweegt tot slot dat zij, zoals blijkt uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) van 8 november 2022 (ECLI:EU:C:2022:858), gehouden is ambtshalve de rechtmatigheidsvoorwaarden van de maatregel van bewaring te toetsen. Ook met inachtneming van deze ambtshalve toetsing ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de oplegging van de maatregel van bewaring tot het moment van sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was. Daarnaast heeft het Hof in het arrest Adrar van 4 september 2025 (ECLI:EU:C:2025:647), voor recht verklaard dat de bewaringsrechter zo nodig ambtshalve moet nagaan of het beginsel van non-refoulement en/of het belang van het kind en het familie- en gezinsleven, bedoeld in respectievelijk artikel 5, onder a) en b), van richtlijn 2008/115 zich verzetten tegen de verwijdering als de bewaringsmaatregel is opgelegd om de terugkeer van een illegaal verblijvende derdelander voor te bereiden en/of om de verwijderingsprocedure uit te voeren. Het is de rechtbank niet gebleken dat het familie- en gezinsleven van eiseres of het beginsel van non-refoulement zich verzetten tegen eisers verwijdering.
Conclusie en gevolgen
11. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.C. Harting, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Stehouwer, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.