ECLI:NL:RBDHA:2026:3586

ECLI:NL:RBDHA:2026:3586

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 16-02-2026
Datum publicatie 23-02-2026
Zaaknummer NL26.5486 en NL26.5178
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Rotterdam

Samenvatting

Inreisverbod, gegrond (NL26.5486) en bewaring verblijfsaanvraag Duitsland, bewaringsgronden, lichter middel, ongegrond ( NL26.5178).

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen

[naam eiser] , eiser

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

Zittingsplaats Rotterdam

Bestuursrecht

zaaknummers: NL26.5486 en NL26.5178

V-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. H. Uzumcu),

en

(gemachtigde: mr. M.A.F.J. Smeulders).

Procesverloop

Bij besluit van 29 januari 2026 heeft verweerder aan eiser een inreisverbod voor de duur van twee jaar en de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) (de bestreden besluiten) opgelegd.

Eiser heeft tegen de bestreden besluiten beroep ingesteld. Het beroep tegen de bewaringsmaatregel moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.

De rechtbank heeft de beroepen op 11 februari 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen U. Burgu. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Beroep tegen het inreisverbod (NL26.5486)

1. Eiser voert onder andere tegen het inreisverbod aan dat onvoldoende rekening is gehouden met zijn familie- en gezinsleven, want hij is gehuwd en zijn echtgenote woont in Duitsland. De rechtbank volgt eiser hierin.

2. Volgens het beleid in paragraaf A4/2.2 van de Vreemdelingencirculaire 2000 vaardigt verweerder geen inreisverbod uit als dat een schending van artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) betekent. Bij het besluit tot het uitvaardigen van een inreisverbod weegt verweerder artikel 8 EVRM-aspecten mee.

3. Eiser is voorafgaand aan het opleggen van het inreisverbod gehoord. Tijdens dit gehoor heeft hij verklaard dat hij getrouwd is met een vrouw die de Nederlandse nationaliteit heeft en dat daarom moet worden afgezien van het opleggen van een inreisverbod. De rechtbank stelt vast dat verweerder in het besluit tot het opleggen van het inreisverbod niet is ingegaan op dit artikel 8-EVRM aspect. De enkele standaardoverweging dat de vreemdeling in de gelegenheid is gesteld om zijn zienswijze kenbaar te maken, er geen bijzondere omstandigheden zijn aangevoerd en voorts niet is gebleken dat afgezien zou moeten worden van het opleggen van het inreisverbod, is in dit kader onvoldoende.

4. Het inreisverbod is dus naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende gemotiveerd in de zin van artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht. Dit betekent dat het beroep tegen het inreisverbod gegrond is en het inreisverbod zal worden vernietigd. Omdat verweerder ter zitting geen aanvullende motivering heeft gegeven, ziet de rechtbank geen mogelijkheid om de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand te laten. De motivering van de maatregel van bewaring, waarin volgens verweerder wel op eisers omstandigheden is ingegaan, staat namelijk los van die van het inreisverbod.

Beroep tegen de maatregel van bewaring (NL26.5178)

Verblijfsaanvraag Duitsland

5. Eiser voert aan dat hij op 27 januari 2026, dus voor de oplegging van deze maatregel van bewaring, een verblijfsaanvraag in Duitsland heeft ingediend. Deze aanvraag loopt nog, wat betekent dat eiser rechtmatig verblijf heeft in Duitsland en dat de bewaringsmaatregel ten onrechte is opgelegd.

6. De rechtbank volgt eiser hierin niet. Eiser heeft ter onderbouwing alleen een (onvertaalde) ontvangstbevestiging van het Districtsbestuur Kleve van 4 februari 2026 in het Duits overgelegd. In de brief wordt de ontvangst van ontbrekende documenten bevestigd en wordt eiser verzocht zich aan te melden bij het bevolkingsregister van zijn woonplaats, onder andere voor het opnemen van de biometrische gegevens. De brief vermeldt niet om wat voor aanvraag het gaat. Er staat ook niet in dat de aanvraag recht geeft op verblijf in Duitsland. Dat eiser zich moet aanmelden bij het bevolkingsregister van zijn (Duitse) woonplaats, is hiervoor onvoldoende. Eiser heeft dus onvoldoende onderbouwd dat hij (procedureel) rechtmatig verblijf in Duitsland heeft. De beroepsgrond slaagt niet.

Bewaringsgronden

7. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. Verweerder heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, eerste, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser:

3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;

en als lichte gronden vermeld dat eiser:

4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.

8. Eiser heeft de gronden die aan de maatregel van bewaring ten grondslag zijn gelegd, en de daarop gegeven toelichtingen, niet betwist. Dit heeft hij tijdens de zitting nadrukkelijk bevestigd. De onbestreden zware gronden 3a en 3b, die de ambtshalve toetsing van de rechtbank doorstaan, kunnen naar het oordeel van de rechtbank de maatregel dragen. Er volgt namelijk uit dat er een significant risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. De overige bewaringsgronden kunnen daarom onbesproken blijven.

Lichter middel

9. Eiser voert aan dat verweerder ten onrechte geen lichter middel heeft overwogen dan de inbewaringstelling, zoals een meldplicht of zelfstandig vertrek. Hiertoe voert eiser aan dat verweerder wist waar eiser verbleef, dat hij over € 2.000,- beschikt en bereid was om zelfstandig te vertrekken. Desondanks heeft verweerder geen meldplicht opgelegd of eiser de kans gegeven om een zelfstandig vertrek naar Duitsland voor te bereiden, omdat de eerdere inbewaringstelling pas twee weken was opgeheven voordat eiser opnieuw in bewaring is gesteld. Dit kan niet als een redelijke vertrektermijn worden beschouwd.

10. Naar het oordeel van de rechtbank stelt verweerder zich voldoende gemotiveerd op het standpunt dat niet met een lichter middel dan de inbewaringstelling kon worden volstaan. Verweerder wijst in dit verband allereerst terecht op de niet-bestreden gronden die aan de maatregel van bewaring ten grondslag zijn gelegd en het significante onttrekkingsrisico dat daaruit volgt. Daarnaast heeft eiser op 30 mei 2025 een terugkeerbesluit voor Turkije ontvangen waaraan hij niet heeft voldaan. Tot slot maakt de enkele stelling van eiser dat hij bereid was zelfstandig zijn vertrek te regelen en hiervoor voldoende middelen heeft naar het oordeel van de rechtbank niet dat verweerder met een lichter middel had moeten volstaan. Eiser heeft vanaf het terugkeerbesluit voldoende tijd gehad om te vertrekken. Bovendien zat tussen de opheffing van de vorige bewaringsmaatregel en de bewaringsmaatregel die hier aan de orde is bovendien twee weken. Ook in die tijd is niet gebleken dat eiser enige inspanning heeft geleverd om zijn terugkeer naar Turkije te regelen. De beroepsgrond dat een lichter middel moest worden toegepast, slaagt dan ook niet.

Ambtshalve toetsing

11. De rechtbank overweegt tot slot dat zij, zoals blijkt uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) van 8 november 2022 (ECLI:EU:C:2022:858), gehouden is ambtshalve de rechtmatigheidsvoorwaarden van de maatregel van bewaring te toetsen. Ook met inachtneming van deze ambtshalve toetsing ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de oplegging van de maatregel van bewaring tot het moment van sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was. Daarnaast heeft het Hof in het arrest Adrar van 4 september 2025 (ECLI:EU:C:2025:647), voor recht verklaard dat de bewaringsrechter zo nodig ambtshalve moet nagaan of het beginsel van non-refoulement en/of het belang van het kind en het familie- en gezinsleven, bedoeld in respectievelijk artikel 5, onder a) en b), van richtlijn 2008/115 zich verzetten tegen de verwijdering als de bewaringsmaatregel is opgelegd om de terugkeer van een illegaal verblijvende derdelander voor te bereiden en/of om de verwijderingsprocedure uit te voeren. Het is de rechtbank niet gebleken dat het familie- en gezinsleven van eiser of het beginsel van non-refoulement zich verzetten tegen eisers verwijdering.

Conclusie en gevolgen

12. Het beroep tegen het inreisverbod is gegrond. Het inreisverbod zal worden vernietigd.

13. Het beroep tegen de maatregel van bewaring is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

14. Omdat het beroep tegen het inreisverbod gegrond is veroordeelt de rechtbank verweerder in de in verband met dit beroep door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,-. (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen bij de gevoegde behandeling ter zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.C. Harting, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Stehouwer, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddelen

Tegen deze uitspraak voor zover die over de maatregel van bewaring gaat, kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Tegen deze uitspraak voor zover die over het inreisverbod gaat, kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. E.C. Harting

Griffier

  • mr. M. Stehouwer

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?