ECLI:NL:RBDHA:2026:3587

ECLI:NL:RBDHA:2026:3587

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 17-02-2026
Datum publicatie 23-02-2026
Zaaknummer NL26.5683
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Rotterdam

Samenvatting

Bewaring, grondslag ophouding / naam op de maatregel, bewaringsgronden, lichter middel, voortvarend handelen, ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam eiser] , eiser

de minister van Asiel en Migratie,

Zittingsplaats Rotterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.5683

V-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. D. Matadien),

en

(gemachtigde: mr. J.E. Herlaar).

Procesverloop

Bij besluit van 31 januari 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.

De rechtbank heeft het beroep op 11 februari 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen G. Habtab. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Grondslag ophouding / naam op de maatregel

1. Eiser voert aan dat hij op een onjuiste wettelijke grondslag (artikel 50, tweede lid, van de Vw) is opgehouden. Eiser stelt dat zijn identiteit onmiddellijk kon worden vastgesteld omdat hij documenten vanuit Duitsland heeft overgelegd waaruit deze blijkt. In dit verband voert eiser ook aan dat de maatregel van bewaring is uitgevaardigd op een onjuiste naam, ondanks dat hij zijn echte naam kenbaar heeft gemaakt. Dit is een schending van zowel het verdedigingsbeginsel als artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en maakt de maatregel van bewaring onrechtmatig, aldus eiser.

2. De rechtbank is van oordeel dat de ophouding op de juiste grondslag heeft plaatsgevonden omdat de identiteit van eiser niet onmiddellijk kon worden vastgesteld. Uit het proces-verbaal van aanhouding en uit het proces-verbaal van ophouding (M105-A) blijkt immers dat eiser geen identificerende documenten bij zich had en zijn identiteit toen dus niet onmiddellijk kon worden vastgesteld, zodat eiser terecht op grond van artikel 50, tweede lid, van de Vw 2000 is opgehouden. Uit onderzoek bleek daarnaast dat eiser bekend is onder verschillende aliassen. Dat eiser verschillende persoonsgegevens opgeeft komt voor zijn eigen rekening en risico.

3. Voor zover eiser stelt dat de maatregel onrechtmatig is vanwege het gebruik van een onjuiste naam, geldt dat verweerder terecht heeft gesteld dat de naam [naam eiser] , geboortedatum [geboortedatum] 1994, als resultaat uit de identiteitszuil naar voren is gekomen. Dit blijkt uit het proces-verbaal van bevindingen waarin eisers aanhouding wordt omschreven (proces-verbaalnummer [nummer proces-verbaal] ). Ook heeft eiser verklaard dat [naam 1] een bijnaam is die hij heeft gehouden, en [naam 2] de achternaam van zijn grootvader. Zoals hiervoor overwogen komt het gebruik van aliassen voor risico van eiser. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder deze naam dan kunnen aanhouden bij het opleggen van de bewaringsmaatregel en maakt dit de bewaring niet onrechtmatig.

4. De beroepsgronden slagen niet.

Bewaringsgronden

5. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de maatregel nodig is, omdat een concreet aanknopingspunt bestaat voor een overdracht als bedoeld in de Dublinverordening en een significant risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Verweerder heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, tweede, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser:

3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;

en als lichte gronden vermeld dat eiser:

4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.

6. Eiser betoogt dat er geen sprake is van een risico op onttrekking. Hij betwist alle zware gronden en alle lichte gronden. Met betrekking tot zware grond 3a voert eiser aan dat het inherent is aan zijn vlucht dat hij niet over identiteitsdocumenten kan beschikken en dat hij Nederland is ingereisd om asiel aan te vragen. Ten aanzien van zware grond 3b stelt eiser dat hij met zijn vriendin in België woont en in de veronderstelling was dat hij rechtmatig verblijf had. Bovendien was hij niet op de hoogte van een afwijzing van zijn asielaanvraag. Voor wat betreft lichte grond 4c stelt eiser dat deze ten onrechte aan hem is tegengeworpen, omdat hij met zijn vriendin in België woont. Ten slotte betoogt eiser ten aanzien van lichte grond 4d dat zijn vriendin hem in zijn levensonderhoud voorziet.

7. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling), bijvoorbeeld de uitspraak van 25 maart 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:829), volgt dat verweerder bij de zware gronden 3a en 3b kan volstaan met een toelichting dat deze gronden zich feitelijk voordoen. Verweerder heeft in het bestreden besluit gemotiveerd dat en waarom de zware gronden 3a en 3b zich feitelijk voordoen. Eiser heeft verklaard dat hij zonder paspoort of identiteitspapieren de Europese Unie is ingereisd. Hieruit volgt dat eiser niet op de voorgeschreven wijze Nederland is ingereisd. Daarnaast is eiser met onbekende bestemming vertrokken en heeft hij zich bij terugkomst in Nederland niet bij de bevoegde autoriteiten gemeld aangaande zijn onrechtmatig verblijf. Verweerder heeft de zware gronden 3a en 3b dan ook aan de maatregel van bewaring ten grondslag kunnen leggen.

8. De zware gronden 3a en 3b, in onderling verband en in samenhang bezien, kunnen naar het oordeel van de rechtbank de maatregel van bewaring al dragen. Er vloeit namelijk uit voort dat er een significant risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. De rechtbank laat de lichte gronden dan ook onbesproken.

Lichter middel

9. Eiser voert aan dat verweerder had moeten volstaan met een lichter middel, zoals een meldplicht. Hiertoe voert eiser aan dat hij bij een goede kennis kan verblijven in [plaats] . Daarnaast stelt eiser dat verweerder zijn persoonlijke omstandigheden onvoldoende heeft betrokken bij de belangenafweging, zoals zijn gezinsleven met zijn dochter in Duitsland en vriendin in België en zijn medische situatie.

10. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich, mede gelet op wat hierboven is geoordeeld over de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd (rechtsoverwegingen 5. tot en met 8.), terecht op het standpunt heeft gesteld dat in dit geval geen andere afdoende, maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. De rechtbank acht het daarbij van bijzonder belang dat eiser eerder met onbekende bestemming vertrokken (te weten op 13 augustus 2022) voordat hij kon worden overgedragen aan Duitsland, in verschillende landen asiel aanvraagt maar niet de procedures in die landen afwacht, niet beschikt over officiële identificerende documenten en niet wil terugkeren naar Nigeria. De omstandigheid dat eiser bij een goede kennis zou kunnen verblijven, doet aan dat onttrekkingsrisico niet af. Ook heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank in de maatregel weliswaar summier, maar voldoende rekening gehouden met omstandigheden die door eiser in het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling en tijdens de zitting opnieuw zijn aangevoerd. Dit geldt ook voor de specifiek door eiser aangevoerde omstandigheden zoals zijn gestelde kind in Duitsland en vriendin in België. Eiser heeft niet aangetoond dat hij de zorgplicht heeft over zijn kind en verklaart zelf naar België te willen in plaats van naar Duitsland. Ook heeft eiser niet aangetoond dat hij staat ingeschreven op het adres van zijn vriendin of dat hij een duurzame relatie heeft met zijn vriendin. Verder overweegt de rechtbank dat in het detentiecentrum medische voorzieningen aanwezig zijn, mocht eiser dit gezien zijn medische gesteldheid nodig hebben. Uit de uitspraak van de Afdeling van 5 januari 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:16) volgt dat medische voorzieningen in het detentiecentrum vergelijkbaar moeten worden verondersteld met de medische zorg in de vrije maatschappij.

11. Verweerder heeft dus gelet op de gronden, de toelichting daarop en wat eiser daartegenover heeft gesteld, geen aanleiding hoeven zien voor het toepassen van een lichter middel. De beroepsgrond slaagt niet.

Voortvarend handelen

12. Eiser betoogt ten slotte dat verweerder onvoldoende voortvarend heeft gewerkt aan zijn overdracht, aangezien de Duitse autoriteiten in juni 2022 al een claimakkoord hebben verzonden.

13. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder terecht, gelet op het tijdsverloop sinds het claimakkoord van 2022, een nieuw claimverzoek gedaan. Uit het dossier volgt dat verweerder op 2 februari 2026 een claimverzoek naar Duitsland heeft gestuurd en op 4 februari 2026 een vertrekgesprek heeft gevoerd met eiser. Vervolgens heeft verweerder na een weigering van Duitsland op 6 februari 2026 een claimverzoek naar Zweden gestuurd dat op 9 februari 2026 is geaccepteerd. Op deze datum heeft verweerder ook een overdrachtsbesluit genomen. Naar het oordeel van de rechtbank werkt verweerder hiermee voldoende voortvarend aan de overdracht van eiser. Ook deze beroepsgrond slaagt niet.

Ambtshalve toetsing

14. De rechtbank overweegt tot slot dat zij, zoals blijkt uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) van 8 november 2022 (ECLI:EU:C:2022:858), gehouden is ambtshalve de rechtmatigheidsvoorwaarden van de maatregel van bewaring te toetsen. Ook met inachtneming van deze ambtshalve toetsing ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de oplegging van de maatregel van bewaring tot het moment van sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was. Daarnaast heeft het Hof in het arrest Adrar van 4 september 2025 (ECLI:EU:C:2025:647), voor recht verklaard dat de bewaringsrechter zo nodig ambtshalve moet nagaan of het beginsel van non-refoulement en/of het belang van het kind en het familie- en gezinsleven, bedoeld in respectievelijk artikel 5, onder a) en b), van richtlijn 2008/115 zich verzetten tegen de verwijdering als de bewaringsmaatregel is opgelegd om de terugkeer van een illegaal verblijvende derdelander voor te bereiden en/of om de verwijderingsprocedure uit te voeren. Het is de rechtbank niet gebleken dat het familie- en gezinsleven van eiseres of het beginsel van non-refoulement zich verzetten tegen eisers verwijdering.

Conclusie en gevolgen

15. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

16. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.C. Harting, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Stehouwer, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. E.C. Harting

Griffier

  • mr. M. Stehouwer

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?