RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], V-nummer: [nummer], eiser
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.5627
(gemachtigde: mr. H.W. Omvlee),
en
Procesverloop
Verweerder heeft op 16 december 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft en het vooronderzoek op 9 februari 2025 gesloten.
Overwegingen
Belangenafweging/lichter middel
Inleiding
1. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
2. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 31 december 2025 (in de zaak NL25.61698) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek op 24 december 2025. De in deze uitspraak te toetsen periode loopt dus van 24 december 2025 tot 9 februari 2026.
Zicht op uitzetting
3. Eiser voert aan dat het zicht op uitzetting naar Algerije in het geval van eiser ontbreekt. Daartoe voert eiser aan dat de laissez-passer (lp) aanvraag al op 17 december 2025 is verzonden aan de Algerijnse autoriteiten en er in de tussentijd meerdere malen schriftelijk is gerappelleerd bij de Algerijnse autoriteiten, maar dat dit niet tot de afgifte van een lp heeft geleid. Het is niet duidelijk of eiser tot de groep behoort die gepresenteerd moet worden en indien dit het geval is, is er geen zicht op een presentatie van eiser bij het consulaat.
4. De rechtbank stelt voorop dat (sinds december 2023) in zijn algemeenheid zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn naar Algerije wordt aangenomen. De rechtbank verwijst in dit verband naar de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 6 mei 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:1892), 15 juli 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:2842) en 27 februari 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:722). De rechtbank ziet ook ten aanzien van eiser persoonlijk geen aanleiding om aan te nemen dat het zicht op uitzetting ontbreekt. De op 17 december 2025 voor eiser ingediende lp-aanvraag is nog in behandeling bij de Algerijnse autoriteiten. Hiermee kan langere tijd gemoeid zijn. Het is de rechtbank niet gebleken dat de Algerijnse autoriteiten te kennen hebben gegeven dat zij ten behoeve van eiser geen lp zullen afgeven of dat zij niet (meer) willen meewerken aan de terugkeerprocedure. Dat op dit moment niet bekend is of en wanneer eiser gepresenteerd zal worden aan de Algerijnse autoriteiten, betekent niet dat het de lp-aanvraag stilligt en is onvoldoende voor het oordeel dat er geen lp zal worden afgegeven. Daar komt bij dat eiser naar het oordeel van de rechtbank ook zelf onvoldoende meewerkt aan zijn terugkeer. Uit verslagen van de vertrekgesprekken van 6 januari 2026 en 30 januari 2026 blijkt dat eiser niets heeft ondernomen om alsnog aan identiteitsdocumenten te komen en niet naar Algerije maar naar Spanje wil vertrekken. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Voortvarend handelen
5. Eiser voert aan dat verweerder onvoldoende voortvarend handelt, omdat er geen aanvullend onderzoek is ingesteld bij de Marokkaanse autoriteiten. Uit het dossier blijkt dat verweerder slechts een lp-aanvraag bij de Algerijnse autoriteiten heeft ingediend, terwijl eiser in het vertrekgesprek van 5 januari 2026 heeft aangegeven ook de Marokkaanse nationaliteit te bezitten. Ook volgt uit hetzelfde vertrekgesprek dat verweerder beschikte over de vingerafdrukken van eiser, nu verweerder zelf heeft aangegeven dat hij eerder biometrische gegevens in Sloveniƫ heeft afgegeven in het kader van de Dublin-registratie. Niet is gebleken dat verweerder deze vingerafdrukken heeft doorgestuurd naar de Marokkaanse autoriteiten of dat op een andere wijze aanvullend identiteitsonderzoek is verricht.
6. Uit het voortgangsrapport blijkt dat verweerder in de te toetsen periode op van 24 december 2025 tot 9 februari 2026 driemaal op de lp-aanvraag heeft gerappelleerd. Daarnaast heeft verweerder vertrekgesprekken gevoerd op 5 januari 2026 en 30 januari 2026. Naar het oordeel van de rechtbank werkt verweerder hiermee voldoende voortvarend aan eisers uitzetting. Ten overvloede merkt de rechtbank op dat eiser in het vertrekgesprek van 5 januari 2026 heeft verklaard nooit in Marokko te hebben gewoond, maar daar enkel familie te hebben. Deze beroepsgrond slaagt niet.
7. Eiser stelt dat de bewaring voor hem onevenredig zwaar is geworden vanwege zijn medische klachten, psychische belasting en het ontbreken van enig reƫel perspectief op uitzetting.
8. Eiser heeft met deze stelling onvoldoende aangetoond dat de in het detentiecentrum beschikbare begeleiding en medische zorg in zijn geval niet passend, toegankelijk of toereikend is of dat zijn gesteldheid in bewaring door gebrek aan medische zorg zou verslechteren. Voor zover eiser vindt dat hij te weinig medische zorg krijgt, geldt dat hij zich hierover dient te beklagen in het detentiecentrum. Deze beroepsgrond slaagt daarom niet.
Ambtshalve toetsing
9. De rechtbank overweegt tot slot dat zij, zoals blijkt uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) van 8 november 2022 (ECLI:EU:C:2022:858), gehouden is ambtshalve de rechtmatigheidsvoorwaarden van de maatregel van bewaring te toetsen. Ook met inachtneming van deze ambtshalve toetsing ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de oplegging van de maatregel van bewaring tot het moment van sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was. Daarnaast heeft het Hof in het arrest Adrar van 4 september 2025 (ECLI:EU:C:2025:647), voor recht verklaard dat de bewaringsrechter zo nodig ambtshalve moet nagaan of het beginsel van non-refoulement en/of het belang van het kind en het familie- en gezinsleven, bedoeld in respectievelijk artikel 5, onder a) en b), van richtlijn 2008/115 zich verzetten tegen de verwijdering als de bewaringsmaatregel is opgelegd om de terugkeer van een illegaal verblijvende derdelander voor te bereiden en/of om de verwijderingsprocedure uit te voeren. Het is de rechtbank niet gebleken dat het familie- en gezinsleven van eiser of het beginsel van non-refoulement zich verzetten tegen eisers verwijdering.
Conclusie
10. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.C. Harting, rechter, in aanwezigheid van mr. B.C.M. Burger, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.