RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.6350
(gemachtigde: mr. S.C. van Paridon),
en
(gemachtigde: mr. J.E. Herlaar).
Procesverloop
Bij besluit van 4 februari 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 11 februari 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen Z. Hamidi. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
Land van overdracht
1. Eiser stelt zich op het standpunt dat er in de bewaringsmaatregel ten onrechte geen lidstaat is vermeld waaraan eiser in het kader van de Dublinverordening zal worden overgedragen. Er staan alleen codes die terug te voeren zijn naar Duitsland en Zwitserland, terwijl nu blijkt dat het de bedoeling is om eiser aan Spanje over te dragen. Verweerder had dit tijdens de ophouding kunnen onderzoeken. De bewaringsmaatregel is hiermee onvoldoende zorgvuldig voorbereid.
2. De rechtbank volgt eiser niet in zijn standpunt. Uit artikel 59a, van de Vw volgt dat een vreemdeling op wie de Dublinverordening van toepassing is, met het oog op overdracht aan een verantwoordelijke lidstaat in bewaring kan worden gesteld. Niet is in geschil dat de Dublinverordening op eiser van toepassing is en dat verweerder de maatregel terecht op artikel 59a van de Vw heeft gebaseerd. In de maatregel staat hierover vermeld dat uit Eurodac-gegevens blijkt dat eiser in Duitsland en Zwitserland staat geregistreerd. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder hiermee voldoende zorgvuldig gemotiveerd waarom eiser onder de Dublinverordening valt en is de maatregel hiermee ook voldoende zorgvuldig voorbereid. Hierbij acht de rechtbank ook van belang dat, zoals verweerder op de zitting heeft gesteld, pas later is gebleken dat Spanje verantwoordelijk is. Verweerder heeft toen, op 4 februari 2026, een claim bij Spanje ingediend. De beroepsgrond slaagt niet.
Informatieplicht
3. Eiser stelt zich op het standpunt dat verweerder zijn informatieplicht zoals bedoeld in artikel 8:42 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft geschonden. Verweerder heeft namelijk geen informatie verstrekt over de status van de claim, waardoor niet kan worden beoordeeld of er voortvarend gehandeld wordt.
4. Op grond van artikel 8:42 van de Awb moet verweerder de op de zaak betrekking hebbende stukken aan de bestuursrechter sturen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder hieraan voldaan. Dat verweerder geen informatie heeft verstrekt over de status van de claim maakt dit niet anders. De claim is immers ingediend op 4 februari 2026 en verweerder heeft op zitting verklaard dat hier nog geen reactie op is gekomen. In zoverre had verweerder dus ook geen informatie om aan de rechtbank te verstrekken. De rechtbank is van oordeel dat zij daarom over voldoende informatie beschikt om te beoordelen of verweerder voldoende voortvarend heeft gehandeld. Van een schending van artikel 8:42 van de Awb is dan ook geen sprake. De beroepsgrond slaagt niet.
Ambtshalve toetsing
5. De rechtbank overweegt tot slot dat zij, zoals blijkt uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) van 8 november 2022 (ECLI:EU:C:2022:858), gehouden is ambtshalve de rechtmatigheidsvoorwaarden van de maatregel van bewaring te toetsen. Ook met inachtneming van deze ambtshalve toetsing ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de oplegging van de maatregel van bewaring tot het moment van sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was. Daarnaast heeft het Hof in het arrest Adrar van 4 september 2025 (ECLI:EU:C:2025:647), voor recht verklaard dat de bewaringsrechter zo nodig ambtshalve moet nagaan of het beginsel van non-refoulement en/of het belang van het kind en het familie- en gezinsleven, bedoeld in respectievelijk artikel 5, onder a) en b), van richtlijn 2008/115 zich verzetten tegen de verwijdering als de bewaringsmaatregel is opgelegd om de terugkeer van een illegaal verblijvende derdelander voor te bereiden en/of om de verwijderingsprocedure uit te voeren. Het is de rechtbank niet gebleken dat het familie- en gezinsleven van eiseres of het beginsel van non-refoulement zich verzetten tegen eisers verwijdering.
Conclusie
6. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.C. Harting, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Duijf, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.