[naam], eiser,
V-nummer: [V-nummer],
(gemachtigde: mr. F.A. Broersma),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister.
Inleiding
1. De minister heeft op 17 december 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft en het onderzoek op 17 februari 2026 gesloten.
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank heeft deze maatregel van bewaring al eerder getoetst, zoals volgt uit de uitspraak van 5 januari 2026. In dit beroep is daarom van belang wat er sinds het sluiten van het vorige onderzoek op 2 januari 2026 is gebeurd.
Wat vindt eiser?
3. Eiser stelt dat alle aanknopingspunten wijzen naar Algerije als het land van herkomst van eiser. De lp aanvraag bij de Marokkaanse autoriteiten kan daarom niet worden gezien als een serieus verzoek.
Het is daarnaast onduidelijk waarom pas op 16 december 2025 een lp is aangevraagd bij Marokko, terwijl al op 27 oktober 2025 bekend was dat de Algerijnse autoriteiten geen lp voor eiser zouden afgeven. Dit kan niet als voortvarend handelen worden gezien. Het onderzoek in Marokko duurt al twee maanden, zonder succes. Het is ook niet voortvarend dat er bij de Algerijnse noch Marokkaanse autoriteiten een presentatie is gepland. Gezien de duur van de bewaring, de eerdere bewaring en de geringe kans dat de minister nog zal slagen in de uitzetting van eiser, dient het belang van eiser in vrijheid te worden gesteld zwaarder te wegen dan het belang van de minister eiser in bewaring te houden. De bewaring wordt tot slot door de minister ingezet als ordemaatregel en niet ter fine van uitzetting.
Oordeel van de rechtbank
4. De beroepsgronden slagen niet. Nu de Algerijnse autoriteiten hebben aangegeven dat eiser bij hen niet bekend is, richt de minister terecht zijn inspanningen op terugkeer naar Marokko. Indien eiser van mening is dat dit niet juist is, is dit aan hem om aannemelijk te maken.
Verder is de rechtbank van oordeel dat de minister voldoende voortvarend aan de uitzetting van eiser werkt. Zo is er de afgelopen toetsperiode tweemaal schriftelijk op de lp-aanvraag gerappelleerd en hebben er twee vertrekgesprekken met eiser plaatsgevonden. Dat er (nog) geen presentatie is gepland, is op dit moment onvoldoende voor een ander oordeel. Over het moment van aanvragen van de lp op 19 december 2025 kan de rechtbank geen oordeel geven, nu dit buiten onderhavige toetsperiode valt. Dat de minister de maatregel gebruikt als ordemaatregel, is daarnaast niet onderbouwd en de rechtbank ziet ook geen aanleiding voor dit oordeel. De minister heeft tot slot terecht geen aanleiding gezien voor het opleggen van een lichter middel. De enkele stelling dat de kans klein is dat eiser zal worden uitgezet, is in dit kader onvoldoende.
De rechtbank ziet ook voor het overige geen grond voor het oordeel dat de maatregel van bewaring in de periode tussen het sluiten van het vorige onderzoek en het sluiten van het onderhavige onderzoek op enig moment onrechtmatig was.
Conclusie en gevolgen
5. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.J. van der Veen, rechter, in aanwezigheid van mr. H.A. van der Wal, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.