[eiser] , V-nummer: [nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. H. Drenth),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister.
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 17 november 2025 niet in behandeling genomen omdat Zwitserland verantwoordelijk is voor de aanvraag.
2. Eiser heeft tegen dit besluit beroep ingesteld en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen (NL25.56279).
3. Omdat partijen, desgevraagd, niet hebben aangegeven dat zij op zitting willen worden gehoord heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting.
Beoordeling door de rechtbank
4. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eiser heeft aangevoerd, de beroepsgronden.
5. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiser ongelijk krijgt en het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Totstandkoming van het besluit
6. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening. Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. In dit geval heeft Nederland bij Zwitserland een verzoek om terugname gedaan. Zwitserland heeft dit verzoek aanvaard.
De beroepsgronden en de beoordeling daarvan door de rechtbank
Eiser betoogt dat het voornemen niet rechtsgeldig kenbaar is gemaakt. Het voornemen is kenbaar gemaakt aan zijn gemachtigde, maar deze kon niet namens eiser als gemachtigde optreden omdat eiser niet op een gemaakte afspraak was komen opdagen. Hierdoor is de zienswijzeprocedure verloren is gegaan. Dit is strijdig met het beginsel van fair play, het rechtszekerheidsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel.
De rechtbank overweegt dat de minister het voornemen op de juiste manier kenbaar heeft gemaakt. De gemachtigde van eiser is op 13 oktober 2025 aan hem toegevoegd, waarna het voornemen op 16 oktober 2025 aan de gemachtigde is toegezonden. Eiser heeft op dat moment dus een advocaat die hem bijstaat, zodat het voornemen terecht aan deze advocaat is toegezonden. De rechtbank verwijst hiervoor naar artikel 3.109c Vreemdelingenbesluit 2000 en paragraaf C1/2.6 ‘De Dublinprocedure’ van de Vreemdelingencirculaire 2000. Bovendien heeft de minister, toen op 13 november 2025 werd aangegeven dat eisers advocaat niet meer als zijn gemachtigde kan optreden omdat er geen contact kan worden gekregen, het bestreden besluit aan eiser uitgereikt. Ook dat is in overeenstemming met voornoemde bepalingen. Dat eiser niet is komen opdagen op een gemaakte afspraak komt voor rekening en risico van eiser zelf en leidt niet tot het oordeel dat de minister onzorgvuldig heeft gehandeld. De beroepsgronden slagen daarom niet.
Conclusie en gevolgen
7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D.J.M. van de Voort, rechter, in aanwezigheid van
mr. M.C.M. van Dommele, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.