RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen
[eiser] , eiser
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
Samenvatting
Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummers: NL25.49201 (beroep eiser) en NL25.58499 (beroep eiseres)
V-nummer: [# 1] ,
[eiseres] , eiseres
V-nummer: [# 2] ,
hierna gezamenlijk te noemen: eisers,
(gemachtigde: mr. S.J. Koolen),
en
(gemachtigde: mr. A.R. Menschaart).
1. Deze uitspraak gaat over het beroep van eisers tegen de niet-ontvankelijkheid verklaring van hun asielaanvragen. Zij zijn het hier niet mee eens. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de niet-ontvankelijk verklaring van de asielaanvraag.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de niet-ontvankelijk verklaring van de asielaanvragen niet in stand kan blijven. Verweerder heeft onvoldoende onderbouwd dat Chili als veilig derde land voor eisers kan worden aangemerkt. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eisers hebben op 1 november 2023 een asielaanvraag in Nederland ingediend. Bij besluiten van 21 november 2026 (de bestreden besluiten) heeft verweerder de asielaanvragen niet-ontvankelijk verklaard.
Eisers hebben tegen de bestreden besluiten beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 27 januari 2026 op zitting behandeld. Eisers en hun gemachtigde zijn, met bericht van verhindering, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Beoordeling door de rechtbank
Het asielrelaas
3. Eiser is geboren op [geboortedatum 1] 1983. Eiseres is geboren op [geboortedatum 2] 1977. Zij hebben beiden de Colombiaanse nationaliteit. Eiser stelt te hebben gewerkt als beveiligingssupervisor in een haven in Buenaventura. Hij is benaderd door mensen die hem vroegen te helpen met de smokkel van cocaïne. Eiser stelt in de tijd daarna meerdere keren te zijn benaderd door verschillende mensen met hetzelfde verzoek, waarop hij telkens afwijzend heeft geantwoord. Eiser heeft verklaard dat drie mannen zijn huis zijn binnengedrongen om hem mee te nemen. Eiseres was hierbij aanwezig. Deze mannen hebben eisers met wapens bedreigd. Vervolgens hebben zij eiser aan hun baas geïntroduceerd, die vertelde dat zij onderdeel uitmaken van de Ejército de Liberación Nacional (ELN). Eiser heeft daarna aangifte gedaan, maar geen beschermingsmaatregelen gekregen. Hij is daarna op weg naar huis klemgereden door ELN-leden. Eisers zijn daarop gelijk de stad ontvlucht. Eiser heeft weinig informatie met eiseres gedeeld. Bij terugkeer naar Colombia vrezen zij te worden vermoord door ELN-leden. Zij stellen bovendien dat de ELN tentakels heeft in heel Latijns-Amerika. Daarom vrezen zij ook voor de ELN als ze naar Chili moeten terugkeren.
Wat staat er in de bestreden besluiten?
4. Verweerder heeft de asielaanvragen van eisers niet ontvankelijk verklaard en aan beiden een terugkeerbesluit opgelegd. Volgens verweerder kan Chili als veilig derde land gelden voor eisers. Verweerder neemt aan dat eisers een band hebben met Chili. Eiseres heeft ruim negen jaar in Chili verbleven. Zij heeft een permanente verblijfsvergunning in Chili en eiser heeft in het verleden enkele maanden bij haar verbleven. Hoewel eiseres haar verblijfsvergunning verliest wanneer zij langer dan twee jaar niet in Chili is, hoeft zij alleen maar een nieuwe aanvraag in te dienen. Verweerder stelt dat zij daarom een zodanige band hebben met Chili dat redelijkerwijs verwacht mag worden dat zij daar naartoe gaan. Voorts is het aannemelijk dat eisers tot Chili worden toegelaten. Personen met de Colombiaanse nationaliteit kunnen Chili visumvrij inreizen. Ten slotte volgt uit informatiebronnen, verdragen en een nationaal refoulementverbod dat Chili in het algemeen als veilig derde land kan worden beschouwd. Enige obstakels bij de procedure om vluchtelingenstatus te krijgen maken dat niet anders omdat zij regulier verblijf kunnen krijgen. Het is verder niet aannemelijk dat eisers door de ELN gevonden kunnen worden in Chili.
Heeft verweerder ten onrechte geconcludeerd dat Chili een veilig derde land is voor eisers?
5. Eisers voeren aan dat Chili voor hen ten onrechte is aangemerkt als veilig derde land. Zij zijn van mening dat zij in Chili geen toegang hebben tot een effectieve asielprocedure. Eisers verwijzen onder andere naar landeninformatie over nieuwe Chileense wetgeving die de volgende restrictie aan aanvragen om vluchtelingenstatus stelt: “Alleen zij die rechtstreeks aankomen vanuit het gebied waar hun leven of vrijheid wordt bedreigd, hebben recht op de vluchtelingenstatus overeenkomstig de leden 1 en 2. Zij die rechtstreeks aankomen op een reis met tussenstops, worden geacht rechtstreeks te zijn aangekomen, mits hun verblijf in een derde land niet langer dan zestig dagen heeft geduurd. In bepaalde gevallen kan de ondersecretaris van Binnenlandse Zaken deze termijn verlengen.”.
Verweerder stelt zich in de bestreden besluiten hierover op het standpunt dat eisers geen vluchtelingenstatus hoeven aan te vragen omdat zij in aanmerking komen voor verblijf op reguliere gronden. Dat Chili niet verantwoordelijk is voor asielaanvragen van eisers omdat zij meer dan zestig dagen in een ander land hebben verbleven, doet daar dus niet aan af.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd dat Chili als veilig derde land voor eisers geldt. Daarbij staat voorop dat op grond van artikel 3.106a, eerste lid, aanhef en onder e van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000) een vereiste voor de niet-ontvankelijk verklaring is dat de mogelijkheid voor eisers bestaat om in het derde land om de vluchtelingenstatus te verzoeken en, indien zij als vluchteling worden erkend, bescherming te ontvangen overeenkomstig het Vluchtelingenverdrag. Het standpunt in de bestreden besluiten dat eisers geen vluchtelingenstatus hoeven aan te vragen omdat zij verblijf op andere gronden kunnen krijgen gaat daaraan voorbij. De rechtbank verwijst hierbij ook naar de volgende passage van het in de bestreden besluiten genoemde IB 2021/8 van verweerder:
“a. De vreemdeling heeft zelf een reguliere verblijfsvergunning in het derde land; Dit is ‘an sich’ niet voldoende. Deze verblijfsstatus zou betrokkene immers kunnen kwijtraken en dan moet er bij wijze van terugvaloptie een deugdelijke asielprocedure zijn die kan voorkomen dat refoulement en uitzetting naar het land van herkomst plaatsvindt. Op basis van de landeninformatie van TOELT wordt de beoordeling gemaakt of het derde land een deugdelijke asielprocedure kent. Dit is dus ook relevant indien de vreemdeling een verblijfsvergunning regulier heeft.”
De rechtbank stelt verder vast dat verweerder de inhoud van de door eisers genoemde Chileense wetgeving in de besluitvorming noch desgevraagd ter zitting heeft betwist. Deze wetgeving brengt naar het oordeel van de rechtbank met zich mee dat aannemelijk is dat eisers geen mogelijkheid zullen hebben om een verzoek om vluchtelingenstatus inhoudelijk te laten beoordelen dan wel bescherming (tegen refoulement) te ontvangen overeenkomstig het Vluchtelingenverdrag. Uit de dossiers blijkt immers dat eiser en eiseres al sinds 13 oktober 2023 in Nederland zijn. Verweerder heeft geen redenen gegeven waarom eisers in weerwil van deze wetgeving de vereiste bescherming toch kunnen krijgen in Chili.
Ter zitting heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat slechts vereist is dat eisers in Chili de mogelijkheid moeten hebben om een asielvergunning aan te vragen en dat de procedure daarvoor in lijn moet zijn met het Vluchtelingenverdrag. Volgens verweerder is het niet nodig om aannemelijk te maken dat eisers in hun concrete geval ook daadwerkelijk een vluchtelingenstatus zullen krijgen. Naar het oordeel van de rechtbank is, mede gelet op wat zij heeft overwogen onder 5.2, de enkele theoretische mogelijkheid om vluchtelingenstatus aan te vragen in lijn met het Vluchtelingenverdrag onvoldoende om te voldoen aan de voorwaarde van artikel 3.106a, eerste lid, aanhef en onder e van het Vb 2000. Dit staat namelijk op gespannen voet met de grond voor niet-ontvankelijkverklaring, waarbij bescherming op grond van het Vluchtelingenverdrag in Nederland niet nodig is omdat die kan worden verkregen in een derde land. Daarbij hoort dus ook bij, zoals verweerder zelf in IB 2021/8 ook aangeeft, de daadwerkelijke mogelijkheid om beschermd te worden tegen refoulement.
Het standpunt van verweerder over het voldoen aan de voorwaarden van artikel 3.106a, eerste lid, aanhef en onder e van het Vb 2000 is dus onvoldoende gemotiveerd. De beroepsgrond slaagt.
Conclusie en gevolgen
6. Het beroep is gegrond. Verweerder heeft de aanvragen ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard. De overige beroepsgronden behoeven geen bespreking meer. De rechtbank vernietigt de bestreden besluiten.
De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht dat verweerder nieuwe besluiten moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van vier weken.
Omdat het beroep gegrond is krijgen eisers een vergoeding van hun proceskosten. Gemachtigde van eisers heeft twee gelijkluidende beroepschriften ingediend. De rechtbank stelt de proceskosten van eisers met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht daarom vast op € 934,- (1 punt voor het indienen van de beroepschriften, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de bestreden besluiten;
- draagt verweerder op binnen vier weken na de dag van verzending van deze uitspraak nieuwe besluiten te nemen op de aanvragen met inachtneming van deze uitspraak;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eisers tot een bedrag van € 934,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B.V.A. Corstens, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Jongmans, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.