RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] alias [alias] , V-nummer: [v-nummer] , eiser
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.7966
(gemachtigde: mr. V.M. Oliana),
en
(gemachtigde: mr. B. Pattiata).
Procesverloop
1. Bij besluit van 3 februari 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 19 februari 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen M. Momand. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
2. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de nationale veiligheid de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. Verweerder heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, eerste, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;3e. in verband met zijn aanvraag om toelating onjuiste of tegenstrijdige gegevens heeft verstrekt over zijn identiteit, nationaliteit of de reis naar Nederland of een andere lidstaat;3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4b. meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend die niet tot verlening van een verblijfsvergunning hebben geleid;4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
3. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en heeft daartegen een aantal beroepsgronden aangevoerd. Hierbij is geen beroep gedaan op de uitspraak van de hoogste bestuursrechter van 12 februari 2025.
4. De rechtbank overweegt als volgt.
5. Ter uitvoering van de Dublinverordening is eiser op 22 januari 2026 door Duitsland overdragen aan Nederland. Eiser heeft dezelfde dag zijn vierde asielaanvraag ingediend en is in bewaring gesteld op grond van 59b, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Vw. Op 2 februari 2026 heeft verweerder de asielaanvraag niet-ontvankelijk verklaard, omdat eiser geen relevante nieuwe elementen of bevindingen had aangevoerd. Op 3 februari 2026 is eiser voorafgaand aan het bestreden besluit door verweerder gehoord. Daarbij heeft eiser onder andere aangegeven dat hij vreest voor de rebellengroep M23 en dat zijn broer problemen heeft gehad. Verweerder heeft vervolgens de vrijheidsontnemende maatregel van 22 januari 2026 opgeheven en het bestreden besluit opgelegd.
6. Op 12 februari 2025 heeft de hoogste bestuursrechter, voornoemde uitspraak gedaan over de gevolgen van het arrest van het Hof van Justitie van 4 september 2025, Adrar, voor de nationale rechter (de bewaringsrechter) die de rechtmatigheid van de bewaring van een vreemdeling met het oog op diens uitzetting moet toetsen. De Afdeling gaat in deze uitspraak in op de gevolgen van het arrest, voor zover het Hof daarin heeft bepaald dat de bewaringsrechter op grond van artikel 5 van de Terugkeerrichtlijn - zo nodig ambtshalve - verplicht is om na te gaan of het beginsel van non-refoulement zich tegen die uitzetting verzet.
7. Uit rechtsoverweging 10 van deze uitspraak volgt dat de bewaringsrechter ambtshalve moet toetsen of verweerder bij het opleggen van de maatregel van bewaring heeft beoordeeld of het beginsel van non-refoulement zich verzet tegen de uitzetting van de vreemdeling. Als de minister zijn standpunt dat het beginsel van non-refoulement zich niet tegen de uitzetting van een vreemdeling verzet, in de maatregel van bewaring niet of niet deugdelijk heeft gemotiveerd, moet de rechtbank het beroep tegen de maatregel van bewaring gegrond verklaren en de bewaring opheffen.
8. De rechtbank constateert verweerder in het bestreden besluit zich niet op het standpunt heeft gesteld dat er geen zwaarwegende en op feiten berustende gronden bestaan om aan te nemen dat eiser in het land van bestemming een reëel risico zal lopen op de door artikel 4 en artikel 19, tweede lid, van het EU Handvest verboden behandelingen, laat staan dit standpunt zou hebben gemotiveerd. Ter zitting heeft verweerder erop gewezen dat hij in de beschikking van 2 februari 2026 op de herhaalde asielaanvraag deze beoordeling nog wel heeft gemaakt en dat hetgeen eiser heeft aangevoerd in het gehoor voorafgaand aan het bestreden besluit geen nieuwe elementen bevat en dus dat eiser een dergelijk risico niet loopt.
9. De rechtbank is dat met verweerder eens. Daar komt bij dat eiser zich in deze procedure ook niet heeft beroepen op het beginsel van non-refoulement.
10. Hoewel er dus geen enkele aanleiding is om aan te nemen dat er zwaarwegende en op feiten berustende gronden bestaan om aan te nemen dat eiser in het land van bestemming een reëel risico zal lopen op de door artikel 4 en artikel 19, tweede lid, van het EU Handvest verboden behandelingen, had het besluit er wel blijk van moeten geven dat verweerder bij het opleggen van de maatregel deze beoordeling heeft gemaakt. Dit gebrek kan niet worden geheeld door achteraf ter zitting alsnog deze beoordeling te maken. Dat zou wellicht anders zijn geweest als het besluit wel een overweging bevat die impliceert dat de beoordeling heeft plaatsgevonden, maar dat deze niet concreet in het besluit is opgenomen. Het bestreden besluit bevat echter geen overweging waarin deze beoordeling met een toelichting achteraf ter zitting alsnog gelezen kan worden. Dit heeft verweerder ook erkend.
11. Ter zitting heeft verweerder wel betoogd dat deze uitspraak van de hoogste bestuursrechter dateert van na het bestreden besluit en dat hij niet kon weten dat hij deze beoordeling in het bestreden besluit moest opnemen. Dit betoog slaagt niet. De uitspraak van de hoogste bestuursrechter is namelijk een verduidelijking van de verplichtingen die volgen uit het hierboven aangehaalde arrest Adrar van 4 september 2025 en het eveneens al langer bestaande artikel 5 van de Terugkeerrichtlijn. Tenslotte overweegt de rechtbank dat zij geen ruimte ziet in de uitspraak van de hoogste bestuursrechter om een belangenafweging te maken.
12. Het beroep is daarom gegrond en de maatregel van bewaring is vanaf het moment van het opleggen daarvan onrechtmatig. De overige gronden behoeven geen bespreking meer. De rechtbank beveelt de opheffing van de maatregel van bewaring met ingang van vandaag.
13. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien zij de opheffing van de maatregel van bewaring beveelt aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 21 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vrijheidsontnemende maatregel van 21 x € 120,- (verblijf detentiecentrum) = € 2.520,-.
14. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- beveelt de opheffing van de maatregel van bewaring met ingang van vandaag;
- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van een schadevergoeding aan eiser tot een bedrag van € 2.520,-, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.I.H. Kerstens-Fockens, rechter, in aanwezigheid van mr. J.R. Froma, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.