RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [nummer] , eiser, en
de minister van Asiel en Migratie, de minister
Samenvatting
Zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.13312
[eiseres] , V-nummer: [nummer] , eiseres,
(hierna samen: eisers)
(gemachtigde: mr. A.H. Hekman),
en
(gemachtigde: mr. A. Bondarev).
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) bij [naam] (referente) ten behoeve van eisers voor het doel ‘Verblijf als familie- of gezinslid’. Eisers zijn het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister de door hem verrichte belangenafweging onvoldoende heeft gemotiveerd. Eisers krijgen dus gelijk en het beroep is gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiser is geboren op [geboortedag] 1974 en heeft de Iraakse nationaliteit. Hij is de echtgenoot van eiseres, die is geboren op [geboortedag] 1976. Eisers zijn de ouders van referente en verblijven samen in Irak. Referente is geboren op [geboortedag] 2003. Aan referente is op 27 juni 2022 een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd verleend. Referente wil eisers laten nareizen.
Op 29 juli 2022 heeft referente een aanvraag ingediend ten behoeve van eisers voor een mvv op grond van artikel 8 van het EVRM.
In het besluit van 14 juli 2023 heeft de minister de aanvraag afgewezen, omdat de familierechtelijke relatie niet aannemelijk is gemaakt. Ook is volgens de minister niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van familie- of gezinsleven in de zin van artikel 8 van het EVRM. De belangenafweging valt in het nadeel van eisers en referente uit. De afwijzing van de aanvraag is volgens de minister niet in strijd met artikel 8 van het EVRM.
In het bestreden besluit heeft de minister de afwijzing van de aanvraag gehandhaafd en het bezwaar ongegrond verklaard. De minister vindt dat in bezwaar alsnog de familierechtelijke relatie is aangetoond, zodat die relatie wordt aangenomen. Ook wordt aangenomen dat tussen referente en eisers sprake is van gezinsleven in de zin van artikel 8 van het EVRM. De minister neemt aan dat referente voldoet aan de voorwaarden van het jongvolwassenenbeleid. De daaropvolgende belangenafweging valt echter in het nadeel van eisers en referente uit. Volgens de minister is de afwijzing van de aanvraag daarom niet in strijd met artikel 8 van het EVRM.
Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Eisers zijn wegens betalingsonmacht vrijgesteld van de verplichting om griffierecht te betalen.
De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 14 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eisers, referente en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
3. De rechtbank stelt voorop dat niet in geschil is dat sprake is van beschermenswaardig familie- en gezinsleven tussen eisers en referente als bedoeld in artikel 8 van het EVRM. Tussen partijen is alleen de belangenafweging in het kader van artikel 8 van het EVRM in geschil.
4. De rechtbank moet de belangenafweging in het kader van artikel 8 van het EVRM toetsen en neemt daarbij als uitgangspunt wat de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) heeft geoordeeld in de uitspraak van 4 december 2024. Hieruit volgt dat moet worden beoordeeld of de minister alle relevante feiten en omstandigheden in zijn belangenafweging heeft betrokken. De rechtbank toetst dit zonder terughoudendheid (volle toetsing). Als dit het geval is, moet de rechtbank toetsen of de minister zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat die afweging heeft geresulteerd in een 'fair balance'. Daarbij zijn relevant het belang van eisers (bij de uitoefening van het gezinsleven met referente in Nederland) en het Nederlands algemeen belang dat is gediend bij het uitvoeren van een restrictief toelatingsbeleid. De rechtbank toetst met enige terughoudendheid welk gewicht de minister aan de verschillende elementen in de belangenafweging heeft toegekend.
5. Op de zitting hebben eisers aangevoerd dat er geen grond of rechtvaardiging bestaat om zwaar gewicht toe te kennen aan het restrictief toelatingsbeleid dat de minister hanteert.
6. De rechtbank komt tot het oordeel dat de minister de belangen van de Nederlandse overheid en het gewicht dat daaraan moet worden toegekend niet op een inzichtelijke manier heeft gemotiveerd.
Op pagina 4 van het bestreden besluit heeft de minister vooropgesteld dat het belang van de Nederlandse overheid is het beschermen van het economisch welzijn, de openbare orde en de volksgezondheid van het land.
Vanaf pagina 8 van het bestreden besluit beoordeelt de minister de belangen van de Nederlandse overheid. Allereerst gaat de minister in op het restrictief toelatingsbeleid. Onder het kopje ‘Restrictief toelatingsbeleid’ heeft de minister opgenomen dat Nederland een restrictief toelatingsbeleid heeft en dat dit zwaar in het nadeel van eisers weegt. Vervolgens legt de minister onder dit kopje uit dat de wetgever heeft besloten welke gezinsleden onder het nareisbeleid vallen en dat eisers hier niet onder vallen. Verder legt de minister uit dat de belangen van de Nederlandse overheid worden beschermd door een restrictief toelatingsbeleid. Het restrictief toelatingsbeleid wordt volgens de minister gehanteerd om bijvoorbeeld de openbare orde, het economisch belang en de volksgezondheid te beschermen.
Vervolgens gaat de minister in op de economische belangen. Onder het kopje ‘Economische belangen’ heeft de minister opgenomen dat de economische belangen van Nederland groot zijn en dat dit zwaar in het nadeel van eisers weegt. De minister legt onder dit kopje uit dat het economisch belang niet alleen gaat over het al dan niet hebben van eigen inkomen, maar ook over de bescherming van de arbeidsmarkt en over door de overheid betaalde voorzieningen zoals onderwijs, gezondheidszorg en infrastructuur. De minister overweegt in dit kader - kort gezegd - over het al dan niet hebben van eigen inkomen, dat referente onvoldoende middelen van bestaan heeft en een uitkering ontvangt. Verder overweegt de minister dat eisers zullen moeten inburgeren om toe te kunnen treden tot de arbeidsmarkt, dat eisers naar verwachting een eigen woning willen aanvragen (terwijl er krapte is op de woningmarkt) en dat eisers een beroep zullen doen op door algemene middelen gefinancierde faciliteiten zoals een uitkering, toeslagen en gezondheidszorg.
Vervolgens gaat de minister in op de openbare orde. Onder het kopje ‘Openbare orde’ heeft de minister geconcludeerd dat eisers geen gevaar zijn voor de openbare orde en dat dit niet in het nadeel van eisers weegt.
De rechtbank stelt vast dat de minister in het bestreden besluit niet ingaat op de volksgezondheid.
Dan komt de minister tot zijn conclusie. Onder het kopje ‘Conclusie: Het belang van de Nederlandse staat weegt zwaarder dan uw persoonlijk belang’ heeft de minister opgenomen dat het restrictief toelatingsbeleid en het economisch belang in eisers nadeel wegen en dat daar veel gewicht aan toekomt.
De rechtbank stelt vast dat de minister in het bestreden besluit het restrictief toelatingsbeleid ziet als onderdeel van het algemeen belang van de Nederlandse overheid. Onder het restrictief toelatingsbeleid schaart de minister de onderdelen openbare orde, volksgezondheid en het economisch belang. Onder het onderdeel economisch belang schaart de minister de elementen inkomen, arbeidsmarkt en door de overheid betaalde en schaarse voorzieningen. De rechtbank geeft hieronder deze uiteenzetting van de minister van het belang van de Nederlandse overheid schematisch weer.
De rechtbank is van oordeel dat de minister in het bestreden besluit niet inzichtelijk heeft gemaakt en deugdelijk heeft gemotiveerd waarom aan het restrictief toelatingsbeleid én het economisch belang, als onderdeel van dit beleid, beide afzonderlijk een zwaar gewicht in het nadeel van eisers is toegekend. De minister heeft niet kenbaar in ogenschouw genomen dat in zijn uiteenzetting van het belang van de Nederlandse overheid het economisch belang onderdeel is van het restrictief toelatingsbeleid. De minister heeft vervolgens alleen de elementen die van belang zijn in het kader van het economisch belang in het nadeel van eisers gewogen. Over de openbare orde heeft de minister gesteld dat dit niet in het nadeel weegt. Over de volksgezondheid heeft de minister niets gezegd. De minister heeft geen andere belangen genoemd en in het nadeel gewogen die, los van het economisch belang, onderdeel zijn van het restrictief toelatingsbeleid. Gelet hierop is niet begrijpelijk dat de minister aan het restrictief toelatingsbeleid afzonderlijk, los van de economische belangen die onderdeel zijn van dit beleid, zwaar gewicht in het nadeel van eisers heeft toegekend. Voor zover de minister heeft bedoeld dat het niet onder het nareisbeleid vallen als onderdeel van het restrictief toelatingsbeleid zwaar in het nadeel van eisers moet wegen, dan is dat niet zonder meer begrijpelijk. Zonder nadere toelichting valt niet in te zien wat maakt dat eisers, bij wie wel gezinsleven wordt aangenomen omdat referente valt onder het jongvolwassenenbeleid en bij wie daarom een belangenafweging moet worden gemaakt, alvast met 1-0 achter komen te staan in die belangenafweging door zwaar in hun nadeel te wegen dat Nederland een restrictief toelatingsbeleid hanteert.
De rechtbank is bekend met de uitspraak van de Afdeling van 4 maart 2024, waarin de Afdeling heeft geoordeeld dat de staatssecretaris terecht klaagt over het oordeel van de rechtbank dat het restrictief toelatingsbeleid geen op zichzelf staand belang is naast het belang van de Nederlandse economie. Maar anders dan in die uitspraak heeft de minister in deze zaak het economisch belang niet beperkt opgevat door alleen te kijken naar het inkomen. In deze zaak heeft de minister bij de beoordeling van het economisch belang juist ook gekeken naar de arbeidsmarkt en schaarse middelen; de elementen die de Afdeling in die uitspraak noemt die vallen onder het economisch welzijn in bredere zin. De rechtbank is van oordeel dat de minister in deze zaak niet begrijpelijk het restrictief toelatingsbeleid als een op zichzelf staand belang zwaar in het nadeel van eisers heeft gewogen.
Dit betekent dat de door de minister verrichte belangenafweging op het punt van het belang van de Nederlandse overheid niet deugdelijk is gemotiveerd en het bestreden besluit niet in stand kan blijven. Voor de gevolgen daarvan wijst de rechtbank op rechtsoverweging 8.
7. In het licht van de finale geschilbeslechting ziet de rechtbank aanleiding ook in te gaan op wat is aangevoerd over de betekenis van het tijdsverloop door toedoen van de minister in de belangenafweging. Eisers voeren aan dat de minister de noodgedwongen scheiding tussen eisers en referente en de groei in zelfstandigheid bij referente in redelijkheid niet in het nadeel van eisers heeft mogen wegen.
De rechtbank stelt vast dat referente op 27 juli 2022 een aanvraag om gezinshereniging heeft ingediend en dat de minister op 26 februari 2025, twee en een half jaar later, het bestreden besluit heeft genomen. Uit rechtspraak van de Afdeling volgt dat het onvermijdelijk is dat een jongvolwassen referent na het indienen van een gezinsherenigingsaanvraag ouder en zelfstandiger wordt en dat dit met zich brengt dat de minister daaraan in de belangenafweging in beginsel slechts beperkt gewicht mag toekennen in het nadeel van betrokkenen. In het bestreden besluit heeft de minister de aard en intensiteit van het gezinsleven tussen eisers en referente als gevolg van het zelfstandiger worden door het tijdsverloop niet zwaar in het nadeel van eisers, maar wel in het nadeel, meegewogen. Hieruit blijkt naar het oordeel van de rechtbank niet dat de minister zich rekenschap heeft gegeven van voornoemde rechtspraak van de Afdeling waaruit volgt dat er slechts beperkt gewicht in het nadeel van eisers mag worden toegekend.
Dit betekent dat de belangenafweging ook op het punt van het tijdsverloop niet deugdelijk is gemotiveerd.
Conclusie en gevolgen
8. Het beroep is gegrond en dat betekent dat eisers gelijk krijgen. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten of zelf een beslissing te nemen. Omdat de minister de belangenafweging opnieuw moet verrichten, vindt de rechtbank een zogenoemde bestuurlijke lus geen doelmatige en efficiënte manier om de zaak af te doen. Het bestreden besluit zal worden vernietigd en de minister zal de belangenafweging opnieuw moeten uitvoeren en motiveren met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank geeft de minister hiervoor zes weken.
De rechtbank wijst erop dat eisers wegens betalingsonmacht zijn vrijgesteld van het betalen van griffierecht, zodat de minister niet op grond van artikel 8:74 van de Algemene wet bestuursrecht griffierecht hoeft te vergoeden.
Omdat het beroep gegrond is, moet de minister een vergoeding voor de gemaakte proceskosten betalen. De vergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. De bijstand door een gemachtigde levert 2 punten op (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter de zitting, met een waarde per punt van € 934,) en een wegingsfactor 1. Toegekend wordt € 1.868,.
Beslissing
De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.P. Bos, rechter, in aanwezigheid van mr. M.A.L. Verbruggen, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 13 februari 2026
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.