RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 februari 2026 in de zaak tussen
[eiser], v-nummer: [nummer], eiser
de minister van Asiel en Migratie.
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.7168
(gemachtigde: mr. J. van Appia),
en
Procesverloop
1. De minister heeft op 22 december 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
De rechtbank heeft deze maatregel van bewaring eerder getoetst. Op het eerste beroep heeft zij beslist met haar uitspraak van 5 januari 2026.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.
De rechtbank heeft het vooronderzoek op 16 februari 2026 gesloten en bepaald dat de zaak niet op een zitting zal worden behandeld.
Beoordeling door de rechtbank
Toetsingskader
2. Als de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw 2000 dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, dan verklaart zij het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
3. Uit de uitspraak van 5 januari 2026 volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom beoordeelt de rechtbank nu alleen of maatregel van bewaring sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek (30 december 2025) rechtmatig is.
Bestaat zicht op uitzetting naar Marokko?
4. Eiser voert aan dat geen zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn naar Marokko bestaat. Eiser is al lange tijd bekend bij de minister en toch heeft de minister hem niet kunnen uitzetten. Hiertoe betoogt eiser dat inmiddels bijna twee maanden zijn verstreken sinds de minister een laissez-passer (lp) heeft aangevraagd en er geen zicht bestaat op het verkrijgen van een lp. Weliswaar blijkt uit de voortgangsrapportage van 9 februari 2026 dat er maandelijks wordt gerappelleerd, maar daaruit blijkt niet waarom nog geen lp is afgegeven en evenmin hoe lang op het onderzoek van de Marokkaanse autoriteiten moet worden gewacht. De minister kan daarom volgens eiser niet volstaan met maandelijks te rappelleren.
Deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank stelt voorop dat zicht op uitzetting naar Marokko in het algemeen niet ontbreekt. Maar ook in de situatie van eiser is de rechtbank van oordeel dat zicht op uitzetting naar Marokko bestaat. De op 5 januari 2026 voor eiser ingediende lp-aanvraag is nog in behandeling bij de Marokkaanse autoriteiten. Dat er na zes weken nog geen (positieve) reactie van de Marokkaanse autoriteiten op de lp-aanvraag is ontvangen, betekent niet dat nu in eisers geval het zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn ontbreekt. Met een lp-traject bij de Marokkaanse autoriteiten gaat in het algemeen de nodige tijd (meerdere maanden) gemoeid, te meer als een vreemdeling, zoals in dit geval eiser, geen enkel document over zijn identiteit en nationaliteit overlegt. Aan de Marokkaanse autoriteiten mag daarom enige tijd worden gegund om de afgifte van een lp in orde te maken en om te bepalen welke stappen daarvoor nodig zijn. De rechtbank wijst er in dit verband op dat op eiser de verplichting rust om volledig en actief mee te werken aan zijn uitzetting en lp-traject. Niet is gebleken dat eiser dat voldoende doet.
Bovendien hebben de Marokkaanse autoriteiten niet te kennen gegeven dat zij voor eiser geen lp zullen verstreken. Dat (nog) geen presentatie is gepland, doet niet af aan het zicht op uitzetting. Er zijn door eiser verder geen concrete aanknopingspunten aannemelijk gemaakt die erop wijzen dat het lp-traject op niets zal uitlopen en dat er voor hem geen lp zal worden afgegeven.
Werkt de minister voldoende voortvarend aan de uitzetting van eiser?
5. Eiser voert verder aan dat de minister onvoldoende voortvarend aan de uitzetting werkt. De minister weet sinds de aanvang van de maatregel van bewaring dat eiser afkomstig is uit Marokko.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Uit de voortgangsrapportage van 9 februari 2026 volgt dat de minister sinds het sluiten van het vooronderzoek in het vorige beroep van eiser twee keer bij de Marokkaanse autoriteiten heeft gerappelleerd over de voortgang van de aanvraag om een laissez-passer (op 8 januari 2026 en 29 januari 2026) en één keer een vertrekgesprek met eiser heeft gevoerd (op 21 januari 2026). De minister werkt dan ook voldoende voortvarend aan de uitzetting van eiser. De rechtbank merkt ten overvloede op dat het, zoals onder 4.1 is overwogen, aan de Marokkaanse autoriteiten is om te bepalen of er voor de afgifte van een laissez-passer in het geval van eiser een presentatie nodig is.
Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?
6. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor het voortduren van deze maatregel niet is voldaan.
Conclusie en gevolgen
7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de maatregel van bewaring in stand blijft. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. De minister hoeft de proceskosten van eiser niet te vergoeden.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.S. Gaastra, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Rashid, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.