ECLI:NL:RBDHA:2026:3618

ECLI:NL:RBDHA:2026:3618

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 23-02-2026
Datum publicatie 24-02-2026
Zaaknummer NL25.36565
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Middelburg

Samenvatting

‘derdelander Oekraïne’, terugkeerbesluit, artikel 3 van het EVRM, Turkmenistan, afbreuk aan het beginsel van non-refoulement, beroep gegrond.”

Uitspraak

[eiser] , eiser,

V-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. E.R. Weegenaar)

en

de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. R.E. Thijssen).

Inleiding

Verweerder heeft ten aanzien van eiser op 25 juli 2025 een terugkeerbesluit (het bestreden besluit) genomen en daarin bepaald dat hij moet terugkeren naar het land waarvan hij de nationaliteit heeft. Ook moet hij Nederland, het grondgebied van de EU, EER en Zwitserland binnen vier weken verlaten.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen dit besluit.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft het voornemen geuit om uitspraak te doen zonder een zitting te houden. Hierop hebben partijen niet binnen de gegeven termijn gereageerd. De rechtbank doet uitspraak buiten zitting op grond van artikel 8:57, eerste lid, van de Awb.

Beoordeling door de rechtbank

1. Eiser is geboren op [geboortedag] 1997 en heeft de Turkmeense nationaliteit.

2. Ten tijde van de inval in Oekraïne door Rusland op 24 februari 2022 verbleef eiser rechtmatig in Oekraïne op basis van een tijdelijke verblijfsvergunning. Na zijn vlucht naar Nederland vanwege deze inval heeft hij tijdelijke bescherming gekregen op grond van de facultatieve bepaling van de RTB als een zogenoemde ‘derdelander Oekraïne’. Omdat er onduidelijkheid ontstond over de vraag of de tijdelijke bescherming van de ‘derdelanders Oekraïne’ eerder beëindigd mag worden dan die van ontheemden met de Oekraïense nationaliteit, heeft verweerder de gevolgen van de beëindiging van het recht op tijdelijke bescherming bevroren. Deze bevriezingsmaatregel is per 4 september 2025 gestopt.

3. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit. Hij voert aan dat verweerder zijn tijdelijke bescherming niet mag beëindigen. Volgens eiser kan hij niet terugkeren naar zijn land van herkomst noch naar Oekraïne omdat hij daar een reëel risico op ernstige schade loopt zoals bedoeld in artikel 3 van het EVRM. Het terugkeerbesluit is dan ook in strijd hiermee genomen.

De rechtbank oordeelt als volgt.

4. In het arrest van 19 december 2024, ECLI:EU:C:2024:1038, in de zaak Kaduna en Abkez en de daarop gevolgde einduitspraken (ECLI:NL:RVS:2025:1827, ECLI:NL:RVS:2025:1829 en ECLI:NL:RVS:2025:1836 en ECLI:NL:RBAMS:2025:4843) is geoordeeld dat de tijdelijke bescherming van ‘derdelanders Oekraïne’ eerder dan die van Oekraïners mag worden beëindigd, zij het niet vóór 4 maart 2024. Met het bestreden besluit is de tijdelijke bescherming van eiser na die datum beëindigd. Niet is gebleken dat eiser op dat moment of sindsdien in het bezit is geweest van een verblijfsvergunning. Dat eiser na het uitbrengen van het terugkeerbesluit, op 1 oktober 2025 een herhaalde asielaanvraag heeft ingediend, maakt het voorgaande niet anders. Dit geldt evenmin voor het feit dat eiser naderhand een reguliere aanvraag heeft ingediend en het hem is toegestaan deze aanvraag in Nederland af te wachten. Dit schort slechts de tenuitvoerlegging van het geldende terugkeerbesluit op. Gelet op de ex tunc toetsing van het onderhavige beroep, doen deze hiervoor genoemde ingediende aanvragen niet af aan de rechtmatigheid van het reeds opgelegde terugkeerbesluit. Het bestreden besluit vermeldt dat eiser binnen vier weken na 4 september 2025 moet terugkeren naar Turkmenistan. Daarmee voldoet het bestreden besluit aan de vereisten van de Richtlijn 2008/115/EG (Terugkeerrichtlijn).

5. De rechtbank volgt eiser echter in zijn stelling dat hij bij terugkeer naar Turkmenistan een reëel risico loopt op ernstige schade zoals bedoeld in artikel 3 van het EVRM. Uit het dossier blijkt dat eiser de Turkmeense nationaliteit heeft en dat hij lange tijd in het buitenland heeft verbleven. De rechtbank stelt vast dat een ambtsbericht over Turkmenistan ontbreekt. Uit de informatie die bekend is bij de rechtbank, volgt dat in Turkmenistan een gesloten en repressief regime aan de macht is, dat haar onderdanen niet graag naar het buitenland ziet vertrekken. Het is in dat verband onvoldoende duidelijk hoe de Turkmeense autoriteiten reageren op de terugkeer van onderdanen die langere tijd zonder hun toestemming in het buitenland hebben verbleven. De rechtbank verwijst in dit verband naar de uitspraak van de Afdeling van 11 maart 2020 en de uitspraken van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem van 12 november 2025 en deze zittingsplaats van 4 februari 2026, Hieruit volgt dat in het geval van eiser terugkeer naar Turkmenistan doet vermoeden dat afbreuk aan het beginsel van non-refoulement kan worden gedaan. Gelet hierop lag het op de weg van verweerder om nader onderzoek te doen. Verweerder heeft dit echter niet gedaan.

6. Dit leidt tot de conclusie dat het beroep gegrond moet worden verklaard. Het bestreden besluit van 25 juli 2025 wordt vernietigd.

7. Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. De proceskosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 934 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 934 en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

Deze uitspraak is gedaan op 23 februari 2026 door mr. M.L. Weerkamp, rechter, in aanwezigheid van mr. P. Lukanika, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

Deze uitspraak is bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. M.L. Weerkamp

Griffier

  • mr. P. Lukanika

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?