ECLI:NL:RBDHA:2026:3626

ECLI:NL:RBDHA:2026:3626

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 19-02-2026
Datum publicatie 24-02-2026
Zaaknummer NL25.29729 en NL25.29731
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Haarlem

Samenvatting

In deze verwijzingsuitspraak komt de rechtbank tot het oordeel dat aanleiding bestaat prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie. Deze vragen gaan over de uitleg van het arrest QY en de reikwijdte van de daarin genoemde verplichting van lidstaten om bij het beoordelen van een verzoek om internationale bescherming (in Nederland: asiel) ‘ten volle’ rekening te houden met een eerdere inwilligende beslissing op een dergelijk verzoek van dezelfde persoon door de autoriteiten van een andere lidstaat en de elementen die die beslissing ondersteunen. Daarnaast stelt de rechtbank prejudiciële vragen over de verenigbaarheid van het uitvaardigen van een terugkeerbesluit naar het land van herkomst aan een vreemdeling die in een andere lidstaat internationale bescherming geniet met die beschermde status.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

[eiser] , eiser, V-nummer: [v-nummer 1] , en

Zittingsplaats Haarlem Bestuursrecht

zaaknummers: NL25.29729 en NL25.29731 verwijzing

verwijzingsuitspraak van de meervoudige kamer van 19 februari 2026 in de zaken tussen

[eiseres] , eiseres V-nummer: [v-nummer 2] ,

mede namens hun minderjarige kinderen:

[kind 1] , [kind 2],

samen te noemen: eisers (gemachtigde: mr. J.G. Wiebes),

en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder (gemachtigde: mr. E.C. Pietermaat).

Procesverloop

Verweerder heeft de asielaanvragen van eisers in de afzonderlijke besluiten van 4 juli 2025 afgewezen als kennelijk ongegrond. Daarnaast heeft verweerder aan eisers een terugkeerbesluit en inreisverbod uitgevaardigd. Eisers hebben daartegen beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 september 2025. Nadat het onderzoek ter zitting was gesloten, is het onderzoek heropend en doorverwezen naar een behandeling door de meervoudige kamer.

De meervoudige kamer heeft het beroep op 27 november 2025 op zitting behandeld. Aan de zitting hebben eisers, de gemachtigde van eisers, de gemachtigde van verweerder en

J.O. Adan als tolk deelgenomen.

Overwegingen

Inleiding en leeswijzer

1. In deze verwijzingsuitspraak komt de rechtbank tot het oordeel dat aanleiding bestaat prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie.1 Deze vragen gaan over de uitleg van het arrest QY2en de reikwijdte van de daarin genoemde verplichting van lidstaten om bij het beoordelen van een verzoek om internationale bescherming (in Nederland: asiel) ‘ten volle’ rekening te houden met een eerdere inwilligende beslissing op een dergelijk verzoek van dezelfde persoon door de autoriteiten van een andere lidstaat en de elementen die die beslissing ondersteunen. Daarnaast stelt de rechtbank prejudiciële vragen over de verenigbaarheid van het uitvaardigen van een terugkeerbesluit naar het land van herkomst aan een vreemdeling die in een andere lidstaat internationale bescherming geniet met die beschermde status.

De rechtbank zal eerst kort de feiten in de zaak uiteenzetten (onder 2) en ingaan op de redenen van de afwijzingen van de asielaanvragen (onder 3). Dan volgt een uiteenzetting van de standpunten van beide partijen (onder 4 en 5). Tot slot licht de rechtbank toe waarom zij aanleiding ziet om prejudiciële vragen te stellen en gaat zij in op de inhoud van deze vragen (onder 6 en volgende). De relevante regelgeving heeft de rechtbank opgenomen in een bijlage, die onderdeel uitmaakt van deze uitspraak.

De feiten in deze zaak

2. Eiser is geboren op [datum 1] 1994 en heeft de Somalische nationaliteit. Eiser heeft eerst in Griekenland om internationale bescherming verzocht en hem is op

21 november 2019 een vluchtelingenstatus toegekend door de Griekse autoriteiten. Zijn Griekse verblijfsvergunning was geldig tot 25 november 2022. Eiseres is geboren op

[datum 2] 1999 en heeft de Somalische nationaliteit. Eiseres heeft ook eerst in Griekenland om internationale bescherming verzocht en aan haar is op 7 mei 2020 een subsidiaire beschermingsstatus verleend door de Griekse autorieten. Haar verblijfsvergunning was geldig tot 21 mei 2021. Eisers hebben elkaar in Griekenland leren kennen en zijn daar op [datum 3] 2021 gehuwd.

Eisers hebben in Nederland asiel aangevraagd op 19 september 2021. Zij hebben beiden aan hun aanvragen ten grondslag gelegd dat zij uit Zuid-Somalië afkomstig zijn en dat zij daar, afzonderlijk van elkaar, problemen hebben gehad met de militante en politieke groep Al-Shabaab. Zij kunnen ook niet naar Griekenland terugkeren omdat zij daar volgens de interne vaststelling van verweerder een ernstig gevaar zouden lopen om te worden onderworpen aan een onmenselijke of vernederende behandeling in de zin van artikel 4 van het Handvest.3

1. Hof van Justitie van de Europese Unie.

2 Arrest QY tegen Bundesrepublik Deutschland van het Hof van Justitie van 18 juni 2024, C-753/22, ECLI:EU:C:2024:524.

3 Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.

Waarom de asielaanvragen zijn afgewezen

3. In de besluiten van 4 juli 2025 heeft verweerder de asielaanvragen afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Verweerder vindt de Zuid-Somalische herkomst die eisers stellen te hebben niet geloofwaardig. Uit een taalanalyse van verweerder is gebleken dat zij een variant van het Somalisch spreken die hoort bij het noorden van Somalië. Omdat verweerder twijfels had over de identiteit, nationaliteit en herkomst van eisers heeft hij onderzoek gedaan naar de beslissingen van de Griekse autoriteiten over eisers en de asieldossiers van eisers opgevraagd. Volgens verweerder blijkt hieruit dat de Griekse autoriteiten geen onderzoek hebben gedaan naar de identiteit, nationaliteit en herkomst van eisers en kon verweerder op basis van eigen onderzoek afwijken van de beslissingen van de Griekse autoriteiten. Omdat de door eisers gestelde identiteit, nationaliteit en herkomst niet geloofwaardig zijn, beoordeelt verweerder – onder verwijzing naar vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling)4– de geloofwaardigheid van de gestelde problemen van eisers met Al-Shabaab in Somalië niet.

Aan eisers zijn verder terugkeerbesluiten uitgevaardigd waarin staat dat zij onmiddellijk moeten vertrekken naar Somalië. Aanvankelijk waren aan verzoekers ook inreisverboden voor de duur van twee jaar uitgevaardigd, maar deze zijn op de zitting van 27 november 2025 ingetrokken.

In het verweerschrift van 10 september 2025 heeft verweerder aangegeven dat hij ten onrechte het standpunt heeft ingenomen dat de gestelde identiteit en nationaliteit niet geloofwaardig zijn, omdat de taalanalyses daar niets over zeggen. Dat maakt zijns inziens de conclusie van de besluiten echter niet anders omdat de ongeloofwaardige herkomst van eisers blijft staan.

Standpunten van partijen

4. Eisers hebben – kort weergegeven – tegen de besluiten van verweerder aangevoerd dat verweerder onvoldoende rekening heeft gehouden met de Griekse asieldossiers. Volgens het arrest QY had verweerder ‘ten volle’ rekening moeten houden met de beslissing van de Griekse autoriteiten om eisers internationale bescherming te verlenen en de elementen die daaraan ten grondslag zijn gelegd. Verweerder had daarbij rekening moeten houden met de personalia die door de Griekse autoriteiten wel zijn gevolgd. Verweerder heeft ten onrechte geen rekening gehouden met de gestelde problemen in Somalië die in Griekenland geloofwaardig en zwaarwegend zijn bevonden en uiteindelijk hebben geleid tot een internationale beschermingsstatus. Daarnaast verzet de status die hen in Griekenland is verstrekt – en het daaruit voortvloeiende rechtmatig verblijf aldaar – zich tegen het opleggen van een terugkeerbesluit. Op de zitting van 27 november 2025 hebben eisers aan hun al kenbaar gemaakte vrees bij terugkeer toegevoegd, dat zij vrezen dat hun dochter, die ten tijde van de aanvragen in Nederland nog niet was geboren, in Somalië het risico loopt om onder dwang besneden te worden.

5. Verweerder heeft zich – kort weergegeven – op het volgende standpunt gesteld. Verweerder stelt dat hij bij zijn beoordeling de Griekse asieldossiers heeft betrokken,

4 Uitspraak van 17 april 2012 (ECLI:NL:RVS:2012:BW4349).

overeenkomstig het arrest QY. Uit dat arrest blijkt dat als er in een andere lidstaat internationale bescherming is verleend, de lidstaat waar het nieuwe asielverzoek is ingediend het verzoek om internationale bescherming opnieuw individueel, volledig en naar de actuele stand van zaken mag onderzoeken. Verweerder heeft dat in dit geval ook gedaan. In de bestreden besluiten is gemotiveerd waarom hij de in de Griekse procedure aangenomen herkomst van eisers niet volgt. De inhoudelijke beoordeling van de door eisers gestelde problemen in Somalië door de Griekse autoriteiten hoefde hij niet te betrekken.

Gelet op de in de bestreden besluiten aangehaalde rechtspraak van de Afdeling, kon het betrekken daarvan immers niet tot een ander oordeel leiden. Omdat verweerder eisers asielrelaas ongeloofwaardig mocht vinden heeft hij het standpunt kunnen innemen dat gedwongen terugkeer naar Somalië niet in strijd is met het beginsel van non-refoulement. Daarnaast heeft verweerder ook terugkeerbesluiten mogen uitvaardigen tegen eisers.

Daarvoor is volgens verweerder geen overleg met de Griekse autoriteiten vereist. Artikel 6, tweede lid, van richtlijn 2008/115 is niet van toepassing, omdat artikel 4 van het Handvest eraan in de wegstaat om eisers op te dragen terug te keren naar Griekenland. Daarom mocht verweerder op grond van artikel 6, eerste lid, van richtlijn 2008/115 terugkeerbesluiten uitvaardigen met een vertrekplicht naar Somalië.

De prejudiciële vragen en relevantie

Achtergrond

6. In het arrest QY heeft het Hof van Justitie geoordeeld over de situatie waarin een persoon een internationale beschermingsstatus heeft gekregen in een lidstaat (erkennende lidstaat), hij alsnog een verzoek om internationale bescherming in een tweede lidstaat indient en dat verzoek niet niet-ontvankelijk kan worden verklaard op grond van artikel 33, lid 2, onder a van richtlijn 2013/32 omdat de voorzienbare levensomstandigheden van die verzoeker als persoon die deze bescherming geniet in de erkennende lidstaat, hem zouden blootstellen aan een ernstig risico op onmenselijke of vernederende behandeling in de zin van artikel 4 van het Handvest.

Uit het arrest volgt dat de autoriteiten van de lidstaat waar het nieuwe asielverzoek wordt gedaan (de bevoegde lidstaat) niet verplicht zijn om de vluchtelingenstatus te erkennen op de enkele grond dat die status hem eerder bij beslissing van een andere lidstaat is verleend. De autoriteiten van de bevoegde lidstaat mogen het asielverzoek opnieuw beoordelen en toetsen aan de voorwaarden voor toekenning van de vluchtelingenstatus. Daarbij moet sprake zijn van een individueel, volledig en actueel onderzoek aan de hand van richtlijn 2011/95 en de in artikel 10 van richtlijn 2013/32 neergelegde vereisten. Ook moeten deze autoriteiten ten volle rekening houden met de eerdere beslissing van de erkennende lidstaat om de vluchtelingenstatus toe te kennen en met de elementen die deze beslissing ondersteunen. Daarbij heeft het Hof van Justitie gewezen op het beginsel van wederzijds vertrouwen, volgens hetwelk – behalve in uitzonderlijke omstandigheden – moet worden aangenomen dat de behandeling van personen die om internationale bescherming verzoeken in elke lidstaat in overeenstemming is met de vereisten van het recht van de Unie.

Gelet op het beginsel van loyale samenwerking moeten de autoriteiten van de bevoegde lidstaat bovendien zo spoedig mogelijk beginnen met het uitwisselen van informatie met de autoriteiten van de erkennende lidstaat. De autoriteiten van de bevoegde lidstaat moeten de autoriteiten van de erkennende lidstaat in kennis stellen van het nieuwe verzoek, zijn standpunt over het nieuwe verzoek meedelen en verzoeken om binnen een

redelijke termijn de informatie mee te delen waarover zij beschikt en die tot de toekenning van deze status heeft geleid.

In navolging van dit arrest heeft de Afdeling op 2 juli 2025 uitspraak gedaan.5 De zaak die daaraan ten grondslag lag ging over personen die in Nederland om internationale bescherming hadden gevraagd, terwijl zij al internationale bescherming van de Griekse autoriteiten hadden gekregen. Verweerder kon de aanvragen niet niet-ontvankelijk verklaren om de in het arrest QY genoemde reden en had opnieuw onderzoek gedaan naar de vraag of internationale bescherming moest worden verleend. Zijn conclusie was dat dat niet het geval was. Hij had geen contact opgenomen met de Griekse autoriteiten.

De Afdeling heeft uit het arrest van het Hof afgeleid dat verweerder het onderzoek of internationale bescherming moet worden verleend opnieuw mocht verrichten, maar dat hij daarbij zo spoedig mogelijk had moeten beginnen met het uitwisselen van informatie met Griekenland en vervolgens de ingewonnen informatie kenbaar in zijn beslissingen had moeten betrekken. Verder heeft de Afdeling overwogen dat alleen de Griekse autoriteiten de door hen verleende vluchtelingenstatus kunnen intrekken of beëindigen. Verweerder kan die status dus niet intrekken, maar zal de uitkomst van haar beoordeling wel met de Griekse autoriteiten moeten delen. Het is vervolgens aan de Griekse autoriteiten om te bepalen of zij de aan betrokkenen toegekende vluchtelingenstatus intrekken op grond van artikel 14 van richtlijn 2011/95. Hiervoor heeft de Afdeling verwezen naar het arrest Hamm van het Hof van Justitie van 18 juni 2024.6

In een uitspraak van de Afdeling van 3 juli 20257 heeft de Afdeling in een vergelijkbare zaak en onder verwijzing naar de hierboven genoemde uitspraak van

2 juli 2025 geoordeeld dat de vraag of verweerder een terugkeerbesluit kan uitvaardigen, niet kan worden beantwoord zolang onduidelijk is of de Griekse autoriteiten de door hen verleende vluchtelingenstatus intrekken. De Afdeling heeft daarbij ook verwezen naar een tweede uitspraak van 2 juli 20258, waarin de Afdeling heeft geoordeeld dat de vraag of een door Griekenland toegekende vluchtelingenstatus in de weg staat aan het nemen van een terugkeerbesluit, niet voorlag omdat het eerst aan de Griekse autoriteiten was om te bepalen of zij de verleende vluchtelingenstatus intrekken.

Ten aanzien van de eerste prejudiciële vraag

7. In de zaken die nu bij de rechtbank voorliggen heeft verweerder contact gezocht met de Griekse autoriteiten op 18 november 2024. De Griekse autoriteiten hebben op

8 januari 2025 de beslissingen ten aanzien van eisers en de daaraan ten grondslag liggende dossiers opgestuurd. Verweerder heeft deze dossiers kenbaar betrokken bij de besluitvorming in die zin dat hij heeft gemotiveerd waarom hij niet uitgaat van de door de Griekse autoriteiten geloofwaardig geachte herkomst van eisers. Verweerder stelt dat uit de bestudering van de volledige dossiers van eisers blijkt dat de Griekse autoriteiten geen herkomstonderzoek hebben uitgevoerd, en dat verweerder daarom geen nader onderzoek hoeft te doen naar de asielmotieven van eisers. Daarmee heeft verweerder zijns inziens de beslissingen van de Griekse autoriteiten ‘ten volle’ betrokken. Zoals hierboven uiteengezet onder 3, had een verdergaande beoordeling immers geen toegevoegde waarde onder de

5 ECLI:NL:RVS:2025:2865.

6 Generalstaatsanwaltschaft Hamm, ECLI:EU:C:2024:521, punten 68-70.

7 ECLI:NL:RVS:2025:2936.

8 ECLI:NL:RVS:2025:2866.

huidige stand van het recht. De rechtbank wijst in dit verband op vaste jurisprudentie van de Afdeling9 waaruit volgt dat asielmotieven slechts betekenis hebben tegen de achtergrond van een geloofwaardige identiteit, nationaliteit en herkomst van een asielzoeker. Verweerder hoeft daarom in de Nederlandse asielprocedure naar voren gebrachte asielmotieven niet te beoordelen als hij al tot de conclusie komt dat eisers identiteit, nationaliteit en/of herkomst niet geloofwaardig zijn. Verweerder mag in een dergelijk geval het standpunt innemen dat het asielrelaas als geheel ongeloofwaardig is. Eisers betwisten het standpunt van verweerder dat hiermee de Griekse beslissingen ten volle zijn betrokken.

De rechtbank staat voor de vraag wat de inhoud is van het begrip ‘ten volle’ rekening houden, zoals bedoeld in het arrest QY. Meer in het bijzonder ziet de rechtbank zich voor de vraag gesteld of het verenigbaar is met de uitgangspunten van het gemeenschappelijk Europees asielstelsel als verweerder in de beslissingen op de nieuwe asielverzoeken van eisers enkel ingaat op het feit dat de erkennende lidstaat geen herkomstonderzoek door middel van een taalanalyse heeft verricht, zonder zich uit te laten over de geloofwaardigheidsbeoordeling door de erkennende lidstaat. De Griekse autoriteiten hebben in de besluiten van eisers uitgebreid gemotiveerd waarom aan hen een vluchtelingenstatus en subsidiaire beschermingsstatus moest worden verleend. De rechtbank vraagt zich af of verweerder hierop in de besluiten van eisers gemotiveerd had moeten ingaan alvorens te concluderen dat geen sprake is van een risico op refoulement, ook als verweerder de herkomst van eisers niet geloofwaardig acht. De artikelen 10, leden 2 en 3, en artikel 11, tweede lid, van richtlijn 2013/32 en artikel 4, eerste en tweede lid van richtlijn 2011/95 en de door het Hof daaraan gegeven uitleg in QY lijken geen aanknopingspunten te bieden voor de uitleg van verweerder. Als de overige elementen, zoals de geloofwaardigheidsbeoordeling door de erkennende lidstaat, ook moeten worden betrokken, vraagt de rechtbank zich af of de autoriteiten van de bevoegde lidstaat dat kenbaar in zijn beslissing moeten betrekken, zodat de rechtbank dat kan toetsen.

Ten aanzien van de tweede prejudiciële vraag

8. Verweerder heeft in het voorliggende geschil de aanvragen kennelijk ongegrond verklaard zoals bedoeld in artikel 31, tweede lid, van richtlijn 2013/32 en op die grond aan eisers terugkeerbesluiten opgelegd met de onmiddellijke plicht om naar Somalië terug te keren zoals bedoeld in artikel 7, vierde lid, van richtlijn 2008/115. Verweerder heeft hierover het standpunt ingenomen dat, omdat de herkomst van eisers niet geloofwaardig is, de asielmotieven niet inhoudelijk hoeven te worden beoordeeld en er dus vanuit gegaan mag worden dat geen sprake is van een risico op refoulement. Verweerder heeft geen contact opgenomen met de Griekse autoriteiten over zijn beslissingen op de verzoeken om internationale bescherming. Het is hem dus niet bekend of de Griekse autoriteiten in reactie op zijn beslissingen procedures in gang (zouden) hebben gezet tot intrekking van de door hen verleende vluchtelingenstatus en subsidiaire beschermingsstatus.

De rechtbank gaat er daarom vanuit dat de door Griekenland verleende beschermingsstatus van eisers nog altijd van kracht is. Daarvan uitgaande hebben eisers dus rechtmatig verblijf in een lidstaat, waardoor zij op grond van artikel 6, tweede lid, van richtlijn 2008/115 moeten worden opgedragen om zich onmiddellijk naar die lidstaat te begeven. Tegelijkertijd kan van eisers niet worden verlangd dat zij terugkeren naar

9 zie bijvoorbeeld de uitspraak van 24 december 2015, ECLI:NL:RVS:2015:4061 en de uitspraak van 30 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2265.

Griekenland omdat zij dan als statushouders in een situatie terechtkomen waarin niet kan worden uitgesloten dat de levensomstandigheden in strijd zijn met artikel 4 van het Handvest. Verweerder heeft zich daarom op het standpunt gesteld dat artikel 6, tweede lid, van richtlijn 2008/115 niet van toepassing is.

Het Verwaltungsgericht Stuttgart heeft al eerder vragen gesteld die zien op een vergelijkbare situatie in de verwijzingsbeslissing van 3 mei 2023 (Zaak C-288/23, El Baheer). De rechtbank wijst in dit verband op de vierde vraag in die prejudiciële verwijzing. Kort gezegd vroeg de verwijzende rechter in die zaak of het beginsel van non-refoulement eraan in de weg staat dat een lidstaat een terugkeerbesluit oplegt terwijl de betreffende persoon nog internationale bescherming geniet in een andere lidstaat. Deze vragen werden ingetrokken voordat het Hof aan de beantwoording daarvan is toegekomen. De rechtbank ziet zich, gelet op het voorgaande, in de zaken van eisers voor dezelfde vraag gesteld. De rechtbank wijst er in dit verband ook op dat de Afdeling in de hierboven genoemde uitspraken van 2 en 3 juli 2025 geen oordeel heeft gegeven over de vraag of verweerder in dit soort situaties een terugkeerbesluit kan opleggen. Voor de motivering van deze prejudiciële vraag verwijst de rechtbank in de eerste plaats naar de motivering van de verwijzingsbeslissing van het Verwaltungsgericht Stuttgart10. Daarin is overwogen dat in de situatie waarin de bevoegde lidstaat bij de beoordeling van het asielverzoek tot de conclusie komt dat de verzoeker geen beschermingsstatus kan worden toegekend, maar die lidstaat op grond van het beginsel van non-refoulement geen terugkeerbesluit zou mogen afgeven omdat hem in een andere lidstaat een vluchtelingenstatus is verleend en de verzoeker vanwege de omstandigheden in de andere lidstaat niet naar die lidstaat zou kunnen terugkeren, er dan een ‘intermediaire status’ ontstaat. Het Verwaltungsgericht Stuttgart overweegt dat dit in strijd is met zowel het doel van richtlijn 2008/115 als de bewoordingen van artikel 6 van richtlijn 2008/115. Uit richtlijn 2008/115 volgt evenwel niet dat verweerder gehouden is om in die situatie alsnog een verblijfsrecht toe te kennen.

Daarbij acht de rechtbank verder relevant dat – zoals onder 7.1 al is besproken – de Afdeling in haar uitspraak van 2 juli 2025 uit het arrest Hamm heeft afgeleid dat verweerder geen vluchtelingenstatus kan intrekken die door een andere lidstaat is verleend.

In de voorliggende zaak heeft verweerder zich op de zitting van 27 november 2025 echter op het standpunt gesteld dat het arrest Hamm op een andere procedure en ander feitencomplex ziet, namelijk op een uitleveringsprocedure. In die beoordeling was door de Duitse autoriteiten niet meegenomen dat aan de desbetreffende persoon een vluchtelingenstatus in een andere lidstaat was toegekend. In het geval van eisers stelt verweerder dat juist wel een volledig en ex nunc onderzoek is gedaan naar hun asielaanvragen, waarbij in de beslissingen rekening is gehouden met de in de andere lidstaat toegekende beschermingsstatus in lijn met het arrest QY. Het standpunt van verweerder is dat als hij een nieuwe beoordeling mag verrichten, dat ook impliceert dat hij een terugkeerbesluit mag opleggen als blijkt dat eisers niet in aanmerking komen voor internationale bescherming omdat hun herkomst niet wordt geloofd. Volgens verweerder staat de eerder toegekende status in Griekenland er dus niet in de weg om op grond van artikel 6, eerste lid, van richtlijn 2008/115 een terugkeerbesluit aan eisers op te leggen.

De rechtbank ziet daarom aanleiding om de vierde prejudiciële vraag van het Verwaltungsgericht Stuttgart aan te vullen. Zij wil graag dat het Hof bij de beantwoording

10 Overwegingen 23 tot en met 26.

van de vraag de omstandigheid betrekt dat de toegekende beschermingsstatus in de erkennende lidstaat niet is ingetrokken.

Ten aanzien van de derde en vierde prejudiciële vraag

9. Voor de derde en vierde prejudiciële vraag verwijst de rechtbank in de eerste plaats naar de vijfde vraag van de onder 9.2 genoemde verwijzingsbeslissing van het Verwaltungsgericht Stuttgart. Daarin vraagt dit gerecht of, voor het geval het beginsel van non-refoulement zich onder de genoemde omstandigheden verzet tegen een terugkeerbesluit naar het land van herkomst van de verzoeker, er moet worden nagegaan of dit reeds bij de vaststelling van het terugkeerbesluit op grond van artikel 6, tweede lid, tweede volzin van richtlijn 2008/115 gelezen in samenhang met lid 1 van dat artikel, dient te worden onderzocht. Dit heeft als gevolg dat er geen terugkeerbesluit kan worden uitgevaardigd of dat het terugkeerbesluit wel moet worden uitgevaardigd en de verwijdering op grond van artikel 9, lid 1 onder a) van die richtlijn moet worden uitgesteld. Het Verwaltungsgericht Stuttgart heeft in de verwijzingsuitspraak erop gewezen dat de rechtspraak van het Hof op dit punt tegenstrijdig is. Aan de ene kant heeft het Hof in het arrest Medicinale cannabis11 geoordeeld dat wanneer er zwaarwegende en gegronde redenen zijn om aan te nemen dat een illegaal verblijvende derdelander in geval van terugkeer naar een derde land wordt blootgesteld aan een reëel risico op onmenselijke of vernederende behandelingen in de zin van artikel 4 van het Handvest, tegen die persoon geen terugkeerbesluit kan worden uitgevaardigd zolang dat risico blijft bestaan. Aan de andere kant heeft het Hof in het arrest Westerwaldkreis12 geoordeeld dat de omstandigheid dat illegaal verblijvende derdelanders niet kunnen worden verwijderd, omdat het beginsel van non-refoulement zich daartegen verzet, niet rechtvaardigt dat in een dergelijke omstandigheid geen terugkeerbesluit wordt vastgesteld, maar dat uit artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a van richtlijn 2008/115 enkel volgt dat de verwijdering ter uitvoering van dat terugkeerbesluit wordt uitgesteld.

Ook de Afdeling vraagt zich in de verwijzingsuitspraak van 27 augustus 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:4046) af hoe het arrest Westerwaldkreis moet worden geïnterpreteerd, maar dan in het licht van de recentere arresten AA13 en Ararat14. De Afdeling heeft in die uitspraak prejudiciële vragen gesteld over de verenigbaarheid met richtlijn 2008/115 van terugkeerbesluiten opgelegd aan personen die geen recht hebben op verblijf maar ook niet kunnen worden uitgezet omdat dat in strijd zou zijn met het non-refoulementbeginsel. De daar opgeworpen vragen over het kunnen opleggen van een terugkeerbesluit in het licht van de arresten Westerwaldkreis, AA en Ararat zijn volgens de rechtbank ook relevant voor de hier voorliggende situatie.

Mede gelet op wat de rechtbank hiervoor heeft overwogen ziet de rechtbank zich in deze zaak ook voor deze vragen gesteld. Net als bij de tweede vraag ziet de rechtbank aanleiding om de derde vraag aan te vullen zodat de vraag naar intrekking van de status door de erkennende lidstaat kan worden betrokken bij beantwoording.

In aanvulling op het voorgaande wijst de rechtbank op de prejudiciële vraag van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Roermond, van 12 maart 2025, bij het Hof ingeschreven

11 Zie onder meer het arrest Medicinale cannabis van 22 november 2022, C-69/21, EU:C:2022:913, punt 58.

12 Zie het arrest van 3 juni 2021, Westerwaldkreis, C-546/19, EU:C:2021:432, punten 57-59.

13 Arrest van 6 juli 2023, ECLI:EU:C:2023:540.

14 Arrest van 17 oktober 2024, ECLI:EU:C:2024:892.

onder zaak C-202/25 (Tadmur). Daarin wordt de vraag opgeworpen of, als het beginsel van non-refoulement zich verzet tegen verwijdering, schriftelijk moet worden bevestigd dat de verwijdering van de derdelander wordt uitgesteld. De rechtbank acht de beantwoording van de vraag van zittingsplaats Roermond daarom ook van belang voor dit geschil en heeft de prejudiciële vraag van het Verwaltungsgericht Stuttgart aangevuld.

De rechtbank ziet ook mogelijke gelijkenissen tussen de feiten in de zaken die bij de Afdeling een rol speelden en de feiten in de hier voorliggende zaken. Ook hier dreigen eisers in een ‘limbo’ situatie terecht te komen waarbij zij geen recht hebben om in Nederland te verblijven, niet naar Griekenland terug kunnen en ook niet mogen worden uitgezet naar hun land van herkomst zolang de hen toegekende internationale beschermingsstatus niet is ingetrokken. De rechtbank geeft het Hof daarom in overweging om de hier gestelde vragen gezamenlijk te behandelen met de vragen gesteld door de Afdeling op 27 augustus 2025.

De prejudiciële vragen

10. Om die reden verzoekt de rechtbank het Hof van Justitie om bij wijze van prejudiciële beslissing uitspraak te doen op de volgende vragen:

Moeten, in het geval dat een lidstaat geen gebruik kan maken van de mogelijkheid om een verzoek om internationale bescherming van een verzoeker aan wie een andere lidstaat (de erkennende lidstaat) reeds een dergelijke bescherming heeft verleend, niet-ontvankelijk te verklaren (op grond van artikel 33 lid 2 onder a richtlijn 2013/32) omdat die verzoeker een risico loopt dat hij in de erkennende lidstaat wordt onderworpen aan een onmenselijke of vernederende behandeling in de zin van artikel 4 van het Handvest, bij het onderzoek naar het verzoek om internationale bescherming waarbij de lidstaat ten volle rekening moet houden met de beslissing van de erkennende lidstaat om de vluchtelingenstatus of subsidiaire bescherming te verlenen en met de elementen die deze beslissing ondersteunen, de artikelen 10, leden 2 en 3, en artikel 11, tweede lid van richtlijn 2013/32 en artikel 4, eerste en tweede lid van richtlijn 2011/95, gelezen in samenhang met de uitleg van die bepalingen in het arrest QY (ECLI:EU:C:2024:524), aldus worden uitgelegd dat zij eraan in de weg staan dat de lidstaat in de beslissing tot afwijzing van het verzoek om internationale bescherming volstaat met de enkele verwijzing naar de uitkomst van een herkomstonderzoek (zoals een taalanalyse), als de erkennende lidstaat dat onderzoek niet heeft gedaan?

Verzet het beginsel van non-refoulement (artikel 18, artikel 19, lid 2, van het Handvest, artikel 5 van richtlijn 2008/115, artikel 21, lid 1, van richtlijn 2011/95) zich tegen een terugkeerbesluit naar het land van herkomst van de verzoeker krachtens artikel 6, lid 2, tweede volzin, van richtlijn 2008/115, gelezen in samenhang met lid 1 van dat artikel, indien de verzoeker in een andere lidstaat de vluchtelingenstatus of subsidiaire beschermingsstatus is toegekend, maar de lidstaat waar hij thans verblijft en een asielverzoek heeft ingediend bij een onderzoek zonder dat de uitkomst reeds op voorhand vaststaat, tot de conclusie komt dat aan de verzoeker geen beschermingsstatus kan worden verleend en de beschermingsstatus in de erkennende lidstaat niet is ingetrokken?

Indien het antwoord op vraag 2 ontkennend is, moet dan reeds bij de vaststelling van het terugkeerbesluit krachtens artikel 6, lid 2, tweede volzin, van richtlijn 2008/115, gelezen in samenhang met lid 1 van dat artikel, worden onderzocht of het beginsel van non-

refoulement (artikel 18, artikel 19, lid 2, van het Handvest, artikel 5 van richtlijn 2008/115, artikel 21, lid 1, van richtlijn 2011/95) van toepassing is, met als gevolg dat er geen terugkeerbesluit kan worden uitgevaardigd?

Of moet noodzakelijkerwijs een terugkeerbesluit krachtens artikel 6, lid 2, tweede volzin, van richtlijn 2008/115, gelezen in samenhang met lid 1 van dat artikel, worden uitgevaardigd en moet de verwijdering vervolgens op grond van artikel 9, lid 1, onder a), van richtlijn 2008/115 worden uitgesteld tot het moment dat de erkennende lidstaat de vluchtelingenstatus of subsidiaire beschermingsstatus heeft ingetrokken en de lidstaat hiervan op de hoogte heeft gesteld? En geldt daarbij de verplichting om gelijktijdig met het nemen van een terugkeerbesluit, schriftelijk te bevestigen dat de verwijdering van die derdelander wordt uitgesteld, indien deze in strijd is met het beginsel van non-refoulement (prejudiciële vraag van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Roermond, van 12 maart 2025, bij het Hof ingeschreven onder zaak C-202/25)?

4. Moeten de artikelen 1, 4 en 7 van het EU Handvest, en de artikelen 5, 6, 9 en 14 van richtlijn 2008/115/EG, gelezen in samenhang met de uitleg van die bepalingen in de arresten AA, ECLI:EU:C:2023:540, en Ararat, ECLI:EU:C:2024:892, aldus worden uitgelegd dat deze zich ertegen verzetten dat een terugkeerbesluit wordt uitgevaardigd indien daarin onmiddellijk de verwijdering voor onbepaalde tijd wordt uitgesteld vanwege het risico op schending van het non-refoulementbeginsel (prejudiciële vraag van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 27 augustus 2025, bij het Hof ingeschreven onder zaak C-569/25)?

Conclusie

11. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het Hof van Justitie verzoeken om bij wijze van prejudiciële beslissing als bedoeld in artikel 267 van het VWEU15uitspraak te doen over de genoemde vragen en elke verdere beslissing aanhouden.

12. De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan tot de einduitspraak op het beroep. Dat laatste betekent ook dat zij over de proceskosten nu nog geen beslissing neemt.

15 Verdrag betreffende de Werking van de Europese Unie.

Beslissing

De rechtbank:

- verzoekt het Hof van Justitie bij wijze van prejudiciële beslissing uitspraak te doen op de volgende vragen:

Of moet noodzakelijkerwijs een terugkeerbesluit krachtens artikel 6, lid 2, tweede volzin, van richtlijn 2008/115, gelezen in samenhang met lid 1 van dat artikel, worden uitgevaardigd en moet de verwijdering vervolgens op grond van artikel 9, lid 1, onder a), van richtlijn 2008/115 worden uitgesteld tot het moment dat de erkennende lidstaat de vluchtelingenstatus of subsidiaire beschermingsstatus heeft ingetrokken en de lidstaat hiervan op de hoogte heeft gesteld? En geldt daarbij de verplichting om gelijktijdig met het nemen van een terugkeerbesluit, schriftelijk te bevestigen dat de verwijdering van die derdelander wordt uitgesteld, indien deze in strijd is met het beginsel van non-refoulement

(prejudiciële vraag van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Roermond, van 12 maart 2025, bij het Hof ingeschreven onder zaak C-202/25)?

4. Moeten de artikelen 1, 4 en 7 van het EU Handvest, en de artikelen 5, 6, 9 en 14 van richtlijn 2008/115/EG, gelezen in samenhang met de uitleg van die bepalingen in de arresten AA, ECLI:EU:C:2023:540, en Ararat, ECLI:EU:C:2024:892, aldus worden uitgelegd dat deze zich ertegen verzetten dat een terugkeerbesluit wordt uitgevaardigd indien daarin onmiddellijk de verwijdering voor onbepaalde tijd wordt uitgesteld vanwege het risico op schending van het non-refoulementbeginsel (prejudiciële vraag van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 27 augustus 2025, bij het Hof ingeschreven onder zaak C-569/25)?

- schorst de behandeling van de beroepen tot het Hof van Justitie uitspraak heeft gedaan en houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.A.J. van Beek, voorzitter, en mr. W.B. Klaus en mr. B.V.A. Corstens, leden, in aanwezigheid van mr. A. Molenkamp - Lopar, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 19 februari 2026.

griffier voorzitter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Tegen deze tussenuitspraak staat nog geen hoger beroep open. Tegen deze tussenuitspraak kan hoger beroep worden ingesteld tegelijkertijd met hoger beroep tegen de (eventuele) einduitspraak in deze zaak.

BIJLAGE

Toepasselijk Unierecht

Artikel 14 – Waarborgen in afwachting van terugkeer
Artikel 14 – Intrekking, beëindiging of weigering tot verlening van de vluchtelingenstatus

Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: “Handvest”),

Artikel 1 – De menselijke waardigheid

De menselijke waardigheid is onschendbaar. Zij moet worden geëerbiedigd en beschermd.

Artikel 4 – Het verbod van folteringen en van onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen

Niemand mag worden onderworpen aan folteringen of aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen.

Artikel 7 – Eerbiediging van het privé-leven en het familie- en gezinsleven.

Eenieder heeft recht op eerbiediging van zijn privé-leven, zijn familie- en gezinsleven, zijn woning en zijn communicatie.

Artikel 18 - Het recht op asiel

Het recht op asiel is gegarandeerd met inachtneming van de voorschriften van het Verdrag van Genève van 28 juli 1951 en het Protocol van 31 januari 1967 betreffende de status van vluchtelingen, en overeenkomstig het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap

Artikel 19 – Bescherming bij verwijdering, uitzetting en uitlevering

[…]

2. Niemand mag worden verwijderd of uitgezet naar dan wel uitgeleverd aan een staat waarin een ernstig risico bestaat dat hij aan de doodstraf, aan folteringen of aan andere onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen wordt onderworpen.

Richtlijn 2008/115/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 over gemeenschappelijke normen en procedures in de lidstaten voor de terugkeer van onderdanen van derde landen die illegaal op hun grondgebied verblijven (hierna: „richtlijn 2008/115”) Terugkeerrichtlijn

Artikel 2 – Werkingssfeer

1. Deze richtlijn is van toepassing op illegaal op het grondgebied van een lidstaat verblijvende onderdanen van derde landen.

[…]

Artikel 5 - Non-refoulement, belang van het kind, familie- en gezinsleven en gezondheidstoestand

Bij de tenuitvoerlegging van deze richtlijn houden de lidstaten rekening met:

a) het belang van het kind;

b) het familie- en gezinsleven;

c) de gezondheidstoestand van de betrokken onderdaan van een derde land, en eerbiedigen zij het beginsel van non-refoulement.

Artikel 6 – Terugkeerbesluit

4. De lidstaten kunnen te allen tijde in schrijnende gevallen, om humanitaire of om andere redenen beslissen een onderdaan van een derde land die illegaal op hun grondgebied verblijft een zelfstandige verblijfsvergunning of een andere vorm van toestemming tot verblijf te geven. In dat geval wordt geen terugkeerbesluit uitgevaardigd. Indien al een terugkeerbesluit is uitgevaardigd, wordt het ingetrokken of opgeschort voor de duur van de geldigheid van de verblijfsvergunning of andere vorm van toestemming tot legaal verblijf.

[…]

Artikel 9 – Uitstel van verwijdering

1. De lidstaten stellen de verwijdering uit:

dringende medische zorg wordt verstrekt en essentiële behandeling van ziekte wordt uitgevoerd;

minderjarigen krijgen toegang tot het basisonderwijs, afhankelijk van de duur van hun verblijf;

er wordt rekening gehouden met de speciale behoeften van kwetsbare personen.

De in lid 1 bedoelde personen ontvangen van de lidstaten schriftelijk de bevestiging, overeenkomstig de nationale wetgeving, dat de termijn voor vrijwillig vertrek overeenkomstig artikel 7, lid 2, is verlengd, of dat het terugkeerbesluit voorlopig niet zal worden uitgevoerd.

Richtlijn 2011/95/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 inzake normen voor de erkenning van onderdanen van derde landen of staatlozen als personen die internationale bescherming genieten, voor een uniforme status voor vluchtelingen of voor personen die in aanmerking komen voor subsidiaire bescherming, en voor de inhoud van de verleende bescherming (hierna: „richtlijn 2011/95”) Kwalificatierichtlijn

Artikel 3 – Gunstiger normen

De lidstaten kunnen ter bepaling van wie als vluchteling of als voor subsidiaire bescherming in aanmerking komend persoon wordt erkend en ter bepaling van de inhoud van de internationale bescherming, gunstiger normen vaststellen of handhaven indien die met deze richtlijn verenigbaar zijn.”

Artikel 4 – Beoordeling van feiten en omstandigheden

[…]”

Artikel 11 - Beëindiging

1. Een onderdaan van een derde land of staatloze houdt op vluchteling te zijn wanneer hij: […]

e) omdat de omstandigheden in verband waarmee hij als vluchteling werd erkend, hebben opgehouden te bestaan, […] niet langer kan weigeren zich onder de bescherming te stellen van het land van zijn nationaliteit; of

[…]

2. Bij de toepassing van de punten e) en f) van lid 1, gaan de lidstaten na of de verandering van de omstandigheden een voldoende ingrijpend en niet-voorbijgaand karakter heeft om de gegronde vrees van de vluchteling voor vervolging weg te nemen.

[…]

Artikel 21 - Bescherming tegen refoulement

1. De lidstaten eerbiedigen het beginsel van non-refoulement met inachtneming van hun internationale verplichtingen.

Richtlijn 2013/32/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende gemeenschappelijke procedures voor de toekenning en intrekking van de internationale bescherming (herschikking) (Procedurerichtlijn)

Artikel 10 – Vereisten voor de behandeling van verzoeken

[…]

2. Bij de behandeling van verzoeken om internationale bescherming gaat de beslissingsautoriteit eerst na of de verzoekers als vluchteling kunnen worden aangemerkt en zo niet, of zij voor subsidiaire bescherming in aanmerking komen.

3. De lidstaten zien erop toe dat de beslissingen van de beslissingsautoriteit over verzoeken om internationale bescherming zijn gebaseerd op een deugdelijk onderzoek. Daartoe zorgen de lidstaten ervoor dat:

[…]

Artikel 11 – Vereisten voor een beslissing van de beslissingsautoriteit

[…]

2. De lidstaten zorgen er tevens voor dat beslissingen waarbij verzoeken worden afgewezen wat de vluchtelingenstatus en/of de subsidiairebeschermingsstatus betreft, in feite en in rechte worden gemotiveerd en dat schriftelijk informatie wordt verstrekt over de wijze waarop een negatieve beslissing kan worden aangevochten.

[…]

Artikel 33 – Niet-ontvankelijk verzoeken

2. De lidstaten kunnen een verzoek om internationale bescherming alleen als niet-ontvankelijk beschouwen wanneer:

Toepasselijk nationaal recht Vreemdelingenwet (Vw) Artikel 30b, eerste lid –

Artikel 62 –

1. Een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 kan worden afgewezen als kennelijk ongegrond in de zin van artikel 32, tweede lid, van de Procedurerichtlijn, indien:

c. de vreemdeling Onze Minister heeft misleid door omtrent zijn identiteit of nationaliteit valse informatie of documenten te verstrekken of door relevante informatie of documenten die een negatieve invloed op de beslissing hadden kunnen hebben, achter te houden;

[…]

Artikel 31 –

b. de aanvraag van de vreemdeling tot het verlenen van een verblijfsvergunning of tot het verlengen van de geldigheidsduur van een verblijfsvergunning is afgewezen als kennelijk ongegrond of wegens het verstrekken van onjuiste of onvolledige gegevens; of

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?