ECLI:NL:RBDHA:2026:3628

ECLI:NL:RBDHA:2026:3628

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 23-02-2026
Datum publicatie 24-02-2026
Zaaknummer NL26.6559
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Arnhem

Samenvatting

Bewaring, gronden van bewaring, ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 februari 2026 in de zaak tussen

[eiser], v-nummer: [nummer], eiser

de minister van Asiel en Migratie,

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.6559

(gemachtigde: mr. A. Agayev),

en

(gemachtigde: mr. R.L.F. Zandbelt).

Procesverloop

Bij besluit van 2 februari 2026 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.

De rechtbank heeft het beroep op 17 februari 2026, met behulp van een beeldverbinding, op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Kunnen de gronden de maatregel van bewaring dragen?

1. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de maatregel nodig is, omdat een concreet aanknopingspunt bestaat voor een overdracht als bedoeld in de Dublinverordening en een significant risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. De minister heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, tweede, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000), als zware gronden vermeld dat eiser:3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;

en als lichte gronden vermeld dat eiser:4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.

Eiser heeft alle gronden betwist. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zware grond 3b terecht tegenworpen, omdat deze feitelijk juist is. Zoals de minister terecht stelt, heeft eiser tijdens het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling verklaard op dat moment twee weken in Nederland te verblijven. Ook heeft eiser tijdens dit gehoor verklaard zich niet direct bij de korpschef te hebben gemeld toen hij Nederland binnenkwam. Dat eiser – zoals hij aanvoert – voorafgaand aan de inbewaringstelling in strafrechtelijke detentie verbleef, maakt dit niet anders.

Ook is lichte grond 4c feitelijk juist, en heeft de minister bij de lichte grond 4c voldoende gemotiveerd waarom hieruit een risico op onttrekking aan het toezicht op vreemdelingen voortvloeit. Uit vaste rechtspraak volgt dat slechts sprake is van een vaste woon- of verblijfplaats als de vreemdeling op een gesteld adres is ingeschreven in de basisregistratie personen (BRP). Eiser staat niet ingeschreven in de BRP. Dat eiser voorafgaand aan de inbewaringstelling in strafrechtelijke detentie verbleef, maakt dit oordeel niet anders. Voor zover eiser daarmee heeft beoogd te betogen dat zijn verblijfplaats ten tijde van de inbewaringstelling hierdoor wel bekend was, slaagt dit betoog niet. De strafrechtelijke detentie is immers voor de inbewaringstelling beëindigd. De minister heeft hierbij overtuigend gemotiveerd dat, nu eiser geen vaste woon- of verblijfplaats heeft, het aannemelijk is dat hij zich zal onttrekken aan het toezicht op vreemdelingen.

De zware grond 3b en de lichte grond 4c zijn voldoende om de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vw 2000, te kunnen dragen. Wat eiser verder heeft aangevoerd kan daar niet aan afdoen en behoeft daarom geen bespreking.

Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?

2. Los van de door eiser aangevoerde grond, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens verder geen grond om te komen tot het oordeel dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaand aan het opheffen daarvan onrechtmatig is geweest.

Conclusie en gevolgen

3. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.S. Gaastra, in aanwezigheid van mr. J.M. van Kouwen, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. J.M. van Kouwen

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand