RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 februari 2026 in de zaak tussen
[eiser] , v-nummer: [nummer] , eiser
de minister van Asiel en Migratie
Samenvatting
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.60290
(gemachtigde: mr. M. Stoetzer-van Esch),
en
(gemachtigde: mr. D. Post).
1. Wanneer de minister niet binnen de wettelijke termijn beslist op een aanvraag kan een betrokkene daartegen in beroep gaan. Een betrokkene kan ook, als de rechtbank al eerder een beroep wegens het niet tijdig beslissen gegrond heeft verklaard en die uitspraak nog niet tot een besluit heeft geleid, opnieuw een beroep indienen en de rechtbank verzoeken om de minister op te dragen een besluit te nemen. Deze uitspraak gaat over zo’n opvolgend beroep. Dat beroep is ingediend omdat de minister niet tijdig heeft beslist op de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld welk dwangsombedrag zij bij gegrondverklaring van zo’n beroep moet opleggen en welke proceskostenvergoeding passend is.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat zij na gegrondverklaring van een opvolgend beroep wegens het niet tijdig beslissen op een asielaanvraag voortaan dezelfde rechterlijke dwangsom zal opleggen als bij een eerste beroep wegens het niet tijdig beslissen. Dit betekent dat de rechtbank de dwangsom vaststelt op € 100 per dag, met een maximum van € 15.000. De rechtbank ziet niet langer aanleiding om in dit type zaken een hogere dwangsom van € 250 per dag, met een maximum van € 37.500 toe te kennen, omdat niet is gebleken van een weigerachtige houding van de minister en daarom geen zwaardere financiële prikkel gerechtvaardigd is. Daarnaast zal de rechtbank voortaan, na gegrondverklaring van een opvolgend beroep wegens het niet tijdig beslissen op een asielaanvraag, in beginsel bij de vaststelling van de proceskostenvergoeding wegingsfactor 0,25 hanteren. De rechtbank is al eerder tot dit oordeel gekomen in het geval van een gegrond opvolgend beroep wegens het niet tijdig beslissen op een aanvraag om gezinshereniging bij een houder van een asielvergunning.
De rechtbank zal hierna eerst het procesverloop uiteenzetten (2). Vervolgens zal de rechtbank beoordelen of, en concluderen dat, het beroep ontvankelijk en gegrond is (3) en bepalen binnen welke termijn de minister alsnog een besluit moet nemen (4). Daarna gaat de rechtbank in op de vraag welke rechterlijke dwangsom zij voortaan zal opleggen na een gegrond opvolgend beroep wegens het niet tijdig beslissen op een asielaanvraag (5). Onder 6 stelt de rechtbank de hoogte vast van de proceskostenvergoeding, zowel in algemene zin als in de zaak van eiser. Tot slot geeft de rechtbank een conclusie (7).
Procesverloop
2. Eiser heeft op 13 oktober 2023 een aanvraag ingediend tot verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Omdat de minister niet binnen de daarvoor geldende termijn op deze aanvraag heeft beslist, heeft eiser op 9 februari 2025 beroep ingesteld. Bij uitspraak van 1 mei 2025 heeft deze rechtbank en zittingsplaats dit beroep gegrond verklaard en de minister opgedragen binnen acht weken na verzending van die uitspraak met de algemene asielprocedure aan te vangen en binnen acht weken na die aanvang een besluit op de aanvraag bekend te maken.
Omdat de minister niet alsnog binnen de in de uitspraak gestelde termijn een besluit heeft genomen, heeft eiser opnieuw beroep ingesteld tegen het uitblijven van een besluit. De minister heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 11 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
Is het beroep ontvankelijk en gegrond?
3. Het beroep is ontvankelijk en gegrond. De minister heeft namelijk niet binnen de bij uitspraak van 1 mei 2025 opgelegde termijn een besluit op de aanvraag bekendgemaakt. Het (opvolgende) beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit op de asielaanvraag is vervolgens op 9 december 2025 ingediend. Voor dit beroep is niet vereist dat de minister opnieuw in gebreke wordt gesteld.
Welke beslistermijn legt de rechtbank aan de minister op?
4. De bestuursrechter kan een termijn stellen voor het nemen van het besluit of het verrichten van een andere handeling.
Wanneer niet tijdig is beslist op een asielaanvraag acht de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) een termijn van zestien weken passend, het zogenoemde 8+8-wekenmodel. Wanneer de rechtbank een opvolgend beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit gegrond verklaart, legt de rechtbank een kortere nadere termijn op dan zij bij een eerste beroep zou doen. Daar komt nog bij dat in deze zaak de maximale termijn van 21 maanden uit artikel 31, vijfde lid, van de Procedurerichtlijn is verstreken en dat vormt een extra reden om een kortere termijn op te leggen. In dat geval halveert de rechtbank de op te leggen termijn van het 8+8-wekenmodel. De rechtbank legt dan een termijn van acht weken op voor het horen en beslissen op een asielaanvraag. In de situatie dat al gehoord is over de asielmotieven, zoals hier, legt de rechtbank een termijn op van vier weken. Bijzondere omstandigheden kunnen voor de rechtbank aanleiding zijn om van dit uitgangspunt af te wijken door de minister een andere termijn te geven. De rechtbank neemt zulke omstandigheden onder andere aan in de situatie dat de minister een voornemen heeft uitgebracht of concrete aanwijzingen bestaan voor dat voornemen. Zulke omstandigheden zijn hier niet aan de orde. Daarom draagt de rechtbank de minister op om binnen vier weken na de dag van verzending van deze uitspraak een besluit op de aanvraag bekend te maken.
Welke dwangsom legt de rechtbank aan de minister op?
Eerdere MK-uitspraak van 1 december 2025
5. Volgens het beleid van het landelijk Overleg Vakinhoud Bestuursrecht (LOVB) wordt in de regel de dwangsom bepaald op € 100 per dag, met een maximum van € 15.000. Als een sterke prikkel nodig is (hetzij vanwege gebleken weigerachtigheid van het bestuursorgaan, hetzij vanwege het grote belang), wordt de dwangsom bepaald op € 250 per dag, met een maximum van € 37.500. Tot op heden was het uitgangspunt van deze zittingsplaats om de rechterlijke dwangsom, bij een gegrond opvolgend beroep wegens het niet tijdig beslissen op een asielaanvraag, vast te stellen op € 250 per dag, met een maximum van € 37.500.
In de uitspraak van 1 december 2025 heeft deze rechtbank en zittingsplaats geoordeeld dat de omstandigheid dat de minister geen uitvoering geeft aan de uitspraak van de rechtbank op een eerder beroep wegens niet tijdig beslissen op een nareisaanvraag niet betekent dat sprake is van weigerachtigheid als bedoeld in het LOVB-beleid. Dat heeft de rechtbank afgeleid uit het in die uitspraak weergegeven cijfermateriaal over het aantal nareisaanvragen, ingebrekestellingen en beroepen niet tijdig in de afgelopen jaren, de als gevolg daarvan uitgekeerde dwangsommen en de door de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) genomen maatregelen om achterstanden terug te dringen en het door de minister bij de afdoening van nareisaanvragen gehanteerde fifo-uitgangspunt. De rechtbank ziet geen aanleiding om voor wat betreft een opvolgend beroep wegens het niet tijdig beslissen op een asielaanvraag tot een ander oordeel te komen. Dat licht de rechtbank hierna toe.
De jaarcijfers van de IND laten zien dat het aantal asielaanvragen vanaf 2021 onverminderd hoog is. In 2021 zijn in totaal 24.690 eerste asielaanvragen ingediend. Dat aantal steeg in 2022 tot 35.540 en in 2023 tot 38.380. In 2024 bedroeg dat aantal 32.180 eerste asielaanvragen en in 2025 zijn 24.070 eerste asielaanvragen ingediend. Uit de cijfers blijkt ook dat het percentage asielaanvragen waarop de minister binnen de wettelijke termijn een besluit neemt tot en met 2025 is afgenomen.
Zoals volgt uit de uitspraak van 1 december 2025, hebben de achterstanden die zijn ontstaan de afgelopen jaren ertoe geleid dat het aantal bij de IND ingediende ingebrekestellingen, evenals het aantal bij de rechtbank ingestelde beroepen wegens niet tijdig beslissen, substantieel is toegenomen. De IND ontving in 2021 4.390 ingebrekestellingen. Dat waren er in 2022 19.830. In 2023 ontving de IND ongeveer 10.000 ingebrekestellingen meer (28.670). Het aantal ingebrekestellingen steeg in 2024 tot 29.840 en steeg in 2025 verder door tot 37.500.
Het aantal bij rechtbanken ingediende beroepen niet tijdig beslissen in vreemdelingenzaken nam in 2022 sterk toe, van ongeveer 1.100 in 2021 naar 9.900 in 2022. In 2023 zijn 25.000 beroepen niet tijdig beslissen ingediend, terwijl dit aantal in 2024 steeg tot ruim 50.000. Volgens informatie van de IND zijn in ieder geval tot juni 2025 meer dan 6.000 beroepen niet tijdig beslissen per maand ingediend. Dit komt overeen met het beeld van deze zittingsplaats over de aantallen: zowel in asiel- als nareiszaken blijven de aantallen beroepen wegens niet tijdig beslissen stijgen.
Wat betreft de hoogte van uitgekeerde dwangsommen volgt uit de uitspraak van 1 december 2025 dat in die zaken (logischerwijs) een vergelijkbare stijgende lijn is te zien. In 2022 heeft de IND € 3,4 miljoen uitgekeerd aan dwangsommen. In 2023 was dit een totaal bedrag van € 11,3 miljoen en in 2024 is dat toegenomen tot € 36,8 miljoen. Uit recente cijfers van de IND blijkt dat dit bedrag in 2025 is verdubbeld: het totaalbedrag aan dwangsommen bedroeg € 79 miljoen.
Welke maatregelen heeft de IND genomen?
Uit algemene informatie blijkt dat de IND in verband met de toename van het aantal asielaanvragen, net als bij nareisaanvragen, de behandelcapaciteit heeft uitgebreid.
Het aantal IND-medewerkers is gestegen van 3.788 fulltime equivalenten (fte) in 2018 tot 4.969 fte in 2021, 5.393 in 2022, 6.039 in 2023 en 6.438 in 2024. Daarnaast waren in 2024 ook medewerkers van het Europees Agentschap voor Asiel (EUAA) op Nederlands grondgebied aanwezig. Van januari 2024 tot en met juni 2024 hebben EUAA-medewerkers gesprekken gevoerd met 1.592 aanvragers, allen Syriërs.
Daarnaast heeft de IND geëxperimenteerd met verschillende methoden om de asielprocedure efficiënter te maken, bijvoorbeeld door een schriftelijk interview in te voeren of het nemen van positieve beslissingen uit te besteden aan externe partners. Ook heeft de IND ter versterking van de uitvoering verschillende initiatieven ingezet om de sturing op de doorlooptijden van asielprocedures te verbeteren, zoals een sneller afhandelingsproces voor kansloze herhaalde aanvragen en het instellen van ‘knopendoorhakteams’ bij complexe zaken. De IND is in 2023 gestart met het project Bespoediging Afdoening Asiel (BAA). In dit project zet de IND projectmatig in op het efficiënt afhandelen van asielaanvragen van nationaliteiten die (ingevolge het gevoerde landgebonden beleid) kansrijk zijn en daardoor versneld afgehandeld kunnen worden. Daarnaast is ook met prioriteit gekeken naar aanvragen van asielzoekers in spoor 4 met nationaliteiten waarvoor juist een laag inwilligingspercentage geldt, in het bijzonder Algerijnse en Moldavische aanvragers.
De achterstand in de behandeling van zaken blijft echter groeien en is in de eerste elf maanden van 2023 gestegen van 31.340 naar 44.030 asielaanvragen. In februari 2025 is dit aantal opgelopen tot 50.970.
Is sprake van weigerachtigheid?
De rechtbank leidt uit het hiervoor weergegeven cijfermateriaal en de genoemde maatregelen af dat geen sprake is van weigerachtigheid. De minister heeft ingezet op het terugdringen en wegwerken van de ontstane achterstanden bij de behandeling van asielaanvragen. Dat dit niet is gelukt, en de voorraden zijn opgelopen, kan niet aan onwil worden toegeschreven. De minister heeft als reactie op toegenomen achterstanden de behandelcapaciteit vergroot. Zoals volgt uit de uitspraak van 1 december 2025 loopt de minister hierbij tegen grenzen aan, wegens krapte op de arbeidsmarkt en omdat nieuwe medewerkers moeten worden opgeleid door ervaren beslismedewerkers, die vervolgens vanwege hun begeleiding tijdelijk minder toekomen aan hun besliswerk. Daarnaast zijn maatregelen genomen om de asielprocedure efficiënter te maken. Dat van een hogere dwangsom een effectieve prikkel uitgaat, is niet gebleken. De enkele omstandigheid dat de minister geen uitvoering geeft aan de uitspraak van de rechtbank op een eerder beroep wegens niet tijdig beslissen, acht de rechtbank in het licht van het voorgaande onvoldoende voor het oordeel dat sprake is van weigerachtigheid. Gelet hierop is een sterkere prikkel in de vorm van een hogere dwangsom niet effectief. Daarom ziet de rechtbank aanleiding om de dwangsom bij een opvolgend beroep wegens het niet tijdig beslissen op een asielaanvraag voortaan te bepalen op hetzelfde bedrag als bij een eerste beroep, namelijk
€ 100 per dag, met een maximum van € 15.000. De rechtbank merkt op dat dit uitgangspunt niet uitsluit dat zij, als bijzondere omstandigheden daarom vragen, in individuele gevallen een hoger dwangsombedrag kan toekennen, waarin het LOVB-beleid ook voorziet. In dit geval ziet de rechtbank in de individuele omstandigheden daartoe geen aanleiding. De rechtbank wijst er in dit verband ook op dat een afwijkende, hogere dwangsom veel eerder uitzondering dan regel moet zijn.
Proceskostenveroordeling
6. Het beroep is gegrond. Gelet op de gegrondverklaring van het beroep komt eiser in aanmerking voor vergoeding van zijn proceskosten. De minister moet deze vergoeding voldoen. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) wordt bij de berekening van een vergoeding voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand een wegingsfactor toegepast, afhankelijk van het gewicht van de zaak. Het Bpb onderscheidt in dit verband vijf categorieën: zeer lichte zaken (wegingsfactor 0,25), lichte zaken (0,5), gemiddelde zaken (1), zware zaken (1,5) en zeer zware zaken (2). Uit de nota van toelichting bij het Bpb volgt dat het gewicht van de zaak wordt bepaald door het belang en de complexiteit van de zaak. Wat betreft de complexiteit staat in de nota van toelichting dat de proceskostenvergoeding evenredig dient te zijn met de prestatie van de rechtsbijstandverlener. Bij de berekening van de vergoeding dient te worden uitgegaan van de omvang van de werkzaamheden die redelijkerwijs nodig zijn om het besluit (in dit geval het niet tijdig nemen van een besluit) of de uitspraak met succes aan te vechten en niet van de feitelijke tijd die de rechtsbijstandverlener aan de zaak besteedt. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, behoort de behandeling van een zaak in de bezwaar- en beroepsprocedure in beginsel tot de categorie gemiddeld, tenzij er duidelijke redenen zijn hiervan af te wijken. Verder volgt uit vaste rechtspraak van de Afdeling en de andere hoogste bestuursrechters dat in beginsel wegingsfactor 0,5 wordt toegepast als het beroep is gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit.
De rechtbank is van oordeel dat het belang van het indienen van een opvolgend beroep wegens het niet tijdig beslissen op een asielaanvraag beperkt is. Niet gebleken is dat het indienen van een beroep vanwege niet tijdig beslissen de behandelingsduur van de asielprocedure verkort.
De rechtbank overweegt dat het belang bij een tijdige beslissing in beginsel geringer is dan het belang bij het aanvechten van een inhoudelijk besluit van de minister. Daarnaast is de omvang van de werkzaamheden bij een beroep wegens het niet tijdig nemen van een besluit, veelal geringer dan bij een inhoudelijk beroep tegen een wel genomen besluit. Dit is verdisconteerd in de genoemde rechtspraak van de Afdeling waaruit volgt dat in beginsel wordt uitgegaan van een wegingsfactor 0,5. De omvang van de werkzaamheden die redelijkerwijs nodig zijn voor een opvolgend beroep wegens niet tijdig beslissen is echter nog beperkter dan voor een eerste beroep. Bij het eerste beroep moet worden vastgesteld dat de beslistermijn is overschreden, waarbij moet worden onderzocht wanneer de aanvraag is ingediend, wat de van toepassing zijnde beslistermijn is, of deze eventueel rechtsgeldig is verlengd en of sprake is van een periode van opschorting van de termijn. In het vreemdelingenrecht zijn dit aspecten waarover discussie kan ontstaan en aangenomen moet worden dat een advocaat dit onderzoekt voordat hij een beroep wegens het niet tijdig beslissen indient. Voor een opvolgend beroep hoeft de gemachtigde dit niet opnieuw te onderzoeken. Uit de overwegingen en het dictum van de eerdere uitspraak kan op eenvoudige wijze worden afgeleid binnen welke termijn de minister een besluit moet nemen en, bij gebreke daarvan, dat een opvolgend beroep wegens niet tijdig beslissen kan worden ingediend. Behalve het invullen en indienen van een beroepsformulier, wat een vrij eenvoudige handeling is, zijn in het kader van het beroep ook geen andere werkzaamheden vereist. Anders dan bij een eerste beroep wegens niet tijdig beslissen, is het indienen van een ingebrekestelling niet noodzakelijk om een rechtsgeldig opvolgend beroep in te stellen. Dit scheelt ook een handeling. Verder is het niet nodig om bij een beroep niet tijdig beslissen aanvullende gronden in te dienen en deze vraagt deze zittingsplaats ook niet op. Artikel 3.1, vierde lid, van het Procesreglement bestuursrecht rechtbanken staat het namelijk toe dat als beroepsgrond wordt volstaan met de stelling dat het besluit te laat is genomen, wat al blijkt uit het beroepschrift. Ook dient de minister in opvolgende beroepen wegens niet tijdig beslissen op een asielaanvraag vaak geen verweerschrift in, zodat de gemachtigde niet hoeft te reageren op een verweerschrift en, als dat verweerschrift er wel is, vraagt de rechtbank de gemachtigde ook niet om een reactie. Verder hoeft een gemachtigde niet om een rechterlijke dwangsom te verzoeken, want de rechtbank is op grond van artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb verplicht om aan een gegrond beroep wegens het niet tijdig beslissen een rechterlijke dwangsom te verbinden. Ook kan een verzoek om toekenning van een bestuurlijke dwangsom achterwege blijven, omdat deze in vreemdelingenzaken is afgeschaft. Tot slot merkt de rechtbank op dat een gemachtigde voor het indienen van een beroep vanwege niet tijdig beslissen een zogeheten licht advies toevoeging (LAT) kan ontvangen. Als een proceskostenvergoeding wordt toegekend, moet de advocaat deze vergoeding achteraf laten muteren met de toegekende toevoeging. Aan een LAT wordt een waarde toegekend van twee punten voor het geven van een eenvoudig rechtskundig advies. Gelet op het met ingang van 1 februari 2026 geldende basisbedrag per punt van € 143,04, komt dit neer op een vergoeding van € 286,08. De rechtbank is van oordeel dat het toekennen van een wegingsfactor 0,25, wat neerkomt op een bedrag aan proceskosten van € 233,50, beter aansluit bij de LAT.
De rechtbank zal daarom in toekomstige zaken, betreffende een gegrond opvolgend beroep wegens het niet tijdig beslissen op een asielaanvraag, zoals zij al doet bij een gegrond opvolgend beroep wegens het niet tijdig beslissen op een nareisaanvraag, bij de vaststelling van een proceskostenvergoeding de wegingsfactor 0,25 hanteren.
In het onderhavige geval acht de rechtbank echter, gelet op de voorliggende principiële rechtsvragen, toepassing van een hogere wegingsfactor op zijn plaats, te weten 0,5.
Conclusie en gevolgen
7. Het beroep is gegrond. Dat betekent dat eiser gelijk krijgt en de minister de onder 4.1 genoemde termijn krijgt om alsnog een besluit te nemen en de onder 5.5 genoemde dwangsom wordt opgelegd.
Omdat het beroep gegrond is, moet de minister een vergoeding voor de proceskosten betalen. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Bpb vast op € 934 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor de zitting, met een waarde per punt van € 934 met een wegingsfactor 0,5).
Beslissing
De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. I.A.M. van Boetzelaer-Gulyas, rechter, in aanwezigheid van mr. R. Barzilay, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.