ECLI:NL:RBDHA:2026:3649

ECLI:NL:RBDHA:2026:3649

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 13-02-2026
Datum publicatie 24-02-2026
Zaaknummer NL25.62235
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Rotterdam

Samenvatting

Dublin. Duitsland, interstatelijk vertrouwensbeginsel, artikel 18, eerste lid, aanhef en onder d, van de Dublinverordening, opvolgende aanvraag, indirect refoulement, medische omstandigheden, C.K., artikel 17 van de Dublinverordening, ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

Zittingsplaats Rotterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: NL25.62235

(gemachtigde: mr. M.C.W. van der Zanden),

en

(gemachtigde: mr. J.O. Isibor).

Procesverloop

Bij besluit van 17 december 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd (asielaanvraag) niet in behandeling genomen op de grond dat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.

Eiser heeft op 18 december 2025 tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Daarnaast heeft hij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening (NL25.62236) te treffen.

De rechtbank heeft het beroep, samen met het verzoek om een voorlopige voorziening, op

4 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, A. Alsobani als tolk en de gemachtigde van verweerder.

Overwegingen

Inleiding

Eiser heeft de Iraakse nationaliteit en is geboren op 20 maart 1979. Hij heeft zijn asielaanvraag in Nederland op 10 augustus 2025 ingediend.

Op 10 oktober 2025 heeft Nederland aan Duitsland verzocht om eiser terug te nemen op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder b, van Verordening (EU) nr. 604/2013 (Dublinverordening). Duitsland heeft dit terugnameverzoek op 14 oktober 2025 aanvaard op grond van artikel 18, eerste lid onder d, van de Dublinverordening.

Het bestreden besluit

2. Met het bestreden besluit heeft verweerder de asielaanvraag van eiser met toepassing van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) niet in behandeling genomen, omdat Duitsland op grond van de Dublinverordening verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij overdracht aan Duitsland een reëel risico loopt op een met artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (Handvest) strijdige behandeling. Ook heeft eiser volgens verweerder geen andere redenen aannemelijk gemaakt die aanleiding geven om zijn asielaanvraag in Nederland in behandeling te nemen.

Beroepsgronden

3. Eiser verzoekt om de zienswijze als herhaald en ingelast te beschouwen. Daarnaast voert eiser aan dat het bestreden besluit onzorgvuldig is voorbereid en onvoldoende gemotiveerd is. De belangen van eiser zijn zodanig beschadigd dat de beschikking vernietigd dient te worden. Ook stelt eiser dat in zijn geval niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uit kan worden gegaan ten aanzien van Duitsland en dat hij vreest voor een behandeling in strijd met artikel 4 van het Handvest. Verweerder dient nader onderzoek te doen naar het risico dat eiser loopt om verstoken te blijven van reguliere opvang en de daarvoor noodzakelijke medische zorg en toegang tot de (herhaalde) asielprocedure. Eiser is namelijk psychisch ernstig ziek en heeft een uitzettingsbevel van Duitsland ontvangen. Ook heeft Duitsland de claim op grond van artikel 18, eerste lid, onder d, geaccepteerd. Dit impliceert dat eiser in Duitsland uitgeprocedeerd is en ook niet de noodzakelijke juridische bijstand, opvang en medische zorg zal krijgen. Verweerder had voor het bestreden besluit te maken garanties moeten vragen aan de Duitse autoriteiten. Eiser zal naar Irak terug moeten keren zonder dat er een actuele beoordeling zal worden gedaan of dit kan zonder ernstige schade. Eiser is in Duitsland al verstoken geweest van opvang en kampt met psychische problemen. Ter onderbouwing verwijst eiser naar een bericht van gezondheidscentrum Weimar en door de GZA arts uitgeschreven medicijnvoorschriften. Verweerder heeft ten onrechte geen BMA onderzoek laten doen. Bij overdracht zal de medische toestand van eiser ernstig verslechteren, onder andere door zijn vrees voor indirect refoulement. Ten slotte had verweerder gebruik moeten maken van artikel 17 van de Dublinverordening, het getuigt van onevenredige hardheid om eiser aan Duitsland over te dragen.

Beoordeling door de rechtbank

4. De rechtbank toetst het bestreden besluit aan de hand van de beroepsgronden die eiser daartegen heeft aangevoerd.

Verwijzing naar de zienswijze

5. Naar het oordeel van de rechtbank is verweerder in het bestreden besluit gemotiveerd op de zienswijze ingegaan. Voor zover eiser enkel verwijst naar zijn zienswijze zonder toe te lichten op welke punten het bestreden besluit volgens hem onjuist of onvolledig is en waarom, kan dit niet leiden tot vernietiging van het bestreden besluit. De rechtbank zal zich dan ook beperken tot de bespreking van de gronden die in beroep zijn aangevoerd.

Interstatelijk vertrouwensbeginsel 6.1. De rechtbank stelt voorop dat bij de toepassing van de Dublinverordening het uitgangspunt is dat verweerder mag uitgaan van het vermoeden dat lidstaten bij de behandeling van asielzoekers hun internationale verplichtingen zullen nakomen (het interstatelijk vertrouwensbeginsel). De Afdeling heeft in onder meer de uitspraken van 25 januari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:292, 6 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1902, 14 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:588 en 8 oktober 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4770, geoordeeld dat verweerder ten aanzien van Duitsland van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag uitgaan.

Het vorenstaande betekent dat verweerder in beginsel mag uitgaan van het vermoeden dat Duitsland zijn internationale verplichtingen tegenover eiser zal nakomen en dat eiser bij overdracht aan Duitsland geen risico loopt op een met artikel 4 van het Handvest strijdige behandeling. Dit vermoeden is weerlegbaar. Het is aan eiser om met concrete aanwijzingen aannemelijk te maken dat hij bij overdracht aan Duitsland, als gevolg van het niet nakomen van internationale verplichtingen door de Duitse autoriteiten, een reëel risico loopt op een met artikel 4 van het Handvest strijdige behandeling. Daarvoor kan hij objectieve (landen)informatie over de werking van het asiel- en opvangsysteem in Duitsland overleggen of verklaringen afleggen over zijn eigen ervaringen ten aanzien van het asiel- en opvangsysteem in Duitsland. Niet elke tekortkoming in het asiel- en opvangsysteem van de verantwoordelijke lidstaat levert een schending van artikel 4 van het Handvest. Daarvan is pas sprake als die tekortkomingen structureel zijn en een bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid bereiken (zie punten 91-93 van het arrest Jawo van het Hof van Justitie (het Hof) van 19 maart 2019, ECLI:EU:C:2019:218). Maar ook als er niet ernstig hoeft te worden gevreesd voor systeemfouten in het asiel- en opvangsysteem in de verantwoordelijk lidstaat, geldt dat een vreemdeling slechts kan worden overgedragen als die overdracht geen reëel risico op schending van artikel 4 van het Handvest met zich brengt (zie punt 87 van het arrest Jawo).

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich terecht en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt gesteld dat eiser niet met landeninformatie aannemelijk heeft gemaakt dat hij na overdracht aan Duitsland, als gevolg van het niet nakomen van internationale verplichtingen door de Duitse autoriteiten op het gebied van opvang, zorg, of rechtsbijstand een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 4 van het Handvest. Op grond van artikelen 31 en 32 van de Dublinverordening kan een uitwisseling van algemene en (indien eiser hiervoor toestemming geeft) medische gegevens van eiser plaatsvinden tussen Nederland en Duitsland, waardoor de autoriteiten van Duitsland voor de overdracht over eventuele bijzondere (medische) behoeften van eiser worden geïnformeerd. Eiser heeft niet met landeninformatie aannemelijk gemaakt dat de Duitse autoriteiten na overdracht van de vreemdeling onvoldoende doen met de algemene en medische gegevens die zij op grond van artikelen 31 en 32 van de Dublinverordening verstrekt krijgen van de overdragende lidstaat.

Verweerder heeft zich naar het oordeel van de rechtbank ook terecht en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt gesteld dat eiser ook met zijn verklaringen over wat hij zelf in Duitsland heeft meegemaakt, niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij na overdracht aan Duitsland, als gevolg van het niet nakomen van internationale verplichtingen door de Duitse autoriteiten, een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 4 van het Handvest. Eiser heeft in de beroepsgronden weliswaar aangevoerd dat hij in Duitsland van opvang verstoken is geweest, maar dit is onvoldoende om aan te nemen dat eiser na overdracht aan Duitsland een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met voormelde bepalingen. De ervaringen van eiser gaan over de wijze waarop hij bij eerste aankomst in Duitsland is behandeld en niet over de situatie dat hij als Dublinclaimant aan Duitsland zal worden overgedragen (vgl. de Afdelingsuitspraak van 29 juli 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1645, en het arrest van het Hof van 29 februari 2024, ECLI:EU:C:2024:195, punt 64). Over dit laatste kan eiser ook niet verklaren, nu hij niet eerder als Dublinclaimant is overgedragen aan Duitsland. De Duitse autoriteiten hebben met het uitdrukkelijke claimakkoord gegarandeerd dat het verzoek van eiser om internationale bescherming zal worden behandeld. Eiser heeft niet met landeninformatie aannemelijk gemaakt dat Dublinclaimanten, die gereguleerd worden overgedragen aan de Duitse autoriteiten, na overdracht aan Duitsland een reëel risico lopen om in eenzelfde situatie terecht te komen als eiser eerder in Duitsland heeft meegemaakt. Verweerder was niet gehouden om nader onderzoek te doen.

Duitsland heeft het terugnameverzoek geaccepteerd op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder d, van de Dublinverordening, hetgeen betekent dat de asielaanvraag van eiser in Duitsland is afgewezen. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat zijn opvolgende aanvraag in Duitsland zal worden behandeld in een procedure waar minder rechten aan verbonden zijn dan hem volgens EU-richtlijnen en verdragen toekomen. Daarnaast is de enkele stelling dat eiser een uitzettingsbevel heeft ontvangen onvoldoende, nu eiser ook geen document heeft overgelegd om zijn betoog te onderbouwen. De rechtbank kan daarom niet toetsen wat het uitzettingsbevel precies inhoudt en of daaruit daadwerkelijk volgt dat eiser een bevel tot uitzetting heeft gehad. Verder heeft Duitsland met het claimakkoord gegarandeerd eisers asielaanvraag in behandeling te nemen met inachtneming van de internationale verplichtingen. Als eiser vindt dat Duitsland zijn verplichtingen niet nakomt, ligt het op zijn weg om daarover in Duitsland te klagen bij de autoriteiten of de daartoe geëigende instanties. Dat dit voor hem niet mogelijk, uiterst moeilijk of bij voorbaat zinloos is, is niet aannemelijk gemaakt. Ook is niet gebleken dat de autoriteiten van Duitsland hem niet zouden kunnen of willen helpen. Dat aan de Duitse autoriteiten ten onrechte geen garanties zijn gevraagd, volgt de rechtbank daarom ook niet.

Voor zover eiser ook stelt dat hij bij overdracht aan Duitsland een reëel risico loopt op indirect refoulement, overweegt de rechtbank als volgt. Nog daargelaten dat de Afdeling in de uitspraak van 12 juni 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2359, in navolging van het arrest van het Hof van 30 november 2023, ECLI:EU:C:2023:934, heeft geoordeeld dat binnen de kaders van een Dublinprocedure niet beoordeeld kan worden of een vreemdeling bij overdracht aan de verantwoordelijke lidstaat een reëel risico loopt op indirect refoulement, overweegt de rechtbank dat er in het geval van eiser geen grond bestaat voor het oordeel dat hij bij overdracht aan Duitsland een reëel risico loopt op indirect refoulement. Als de opvolgende asielaanvraag van eiser in Duitsland zal worden afgewezen, geldt dat hij dit kan aanvechten bij de Duitse rechter. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat de Duitse rechter hem niet zal beschermen tegen refoulement.

7. De beroepsgronden slagen niet.

Medische omstandigheden

Voor zover eiser een beroep doet op het arrest van het Hof van 16 februari 2017, C.K., ECLI:EU:C:2017:127, volgt uit dit arrest dat wanneer een asielzoeker objectieve gegevens overlegt die de bijzondere ernst van zijn gezondheidstoestand en ook de aanzienlijke en onomkeerbare gevolgen aantonen waartoe een overdracht zelf zou kunnen leiden, verweerder bij het nemen van het overdrachtsbesluit moet beoordelen wat het risico is dat die gevolgen zich voordoen.

Eiser heeft medische stukken overlegd, een vertaalde verklaring van Gesundheitszentrum Weimar van 28 maart 2025 en een herhaalrecept voor amitriptylin van Apotheek Heythuysen. Hieruit blijkt dat eiser van 2018 tot en met 2025 een psychiatrische behandeling heeft gehad vanwege een ernstige depressieve aandoening. Hij vertoonde symptomen van een posttraumatische stressstoornis. De geestelijke gezondheid van eiser is verslechterd na de afwijzing van zijn asielaanvraag in Duitsland. Eiser leidt een teruggetrokken leven, heeft last van een slaapstoornis en een gevoel van zinloosheid en levensmoeheid. De onzekerheid van zijn situatie leidt tot destabilisatie. Er is een behandeling met antidepressivum gestart.

Anders dan eiser meent, stelt verweerder zich terecht op het standpunt dat uit de medische klachten van eiser- samengevat in 8.2.- niet volgt dat er aanwijzingen zijn dat een overdracht aan Duitsland voor een ernstige verslechtering van de gezondheidstoestand van eiser zou leiden. Uit de medische informatie blijkt niet dat eiser in Nederland wordt behandeld of een behandeling nodig heeft bij een arts of specialist voor zijn psychische klachten. Ook blijkt uit deze informatie niet dat de voorgenomen overdracht aan Duitsland onomkeerbare negatieve gevolgen zal hebben voor de gezondheidstoestand van eiser. Eiser heeft ook geen andere geen medische stukken overgelegd waaruit blijkt dat de voorgenomen overdracht voor een aanzienlijke en onomkeerbare achteruitgang van zijn gezondheid zal zorgen. Eiser heeft dus geen objectieve gegevens overlegd waarin verweerder aanleiding had behoren te zien om een BMA-advies op te vragen. De stelling van eiser dat er in de Dublinprocedure niet aan objectieve medische gegevens gekomen kan worden, vanwege wachttijden en weigeringen om afspraken te maken, volgt de rechtbank niet. Op grond van de Opvangrichtlijn, in de Nederlandse wet geïmplementeerd in artikel 10, tweede lid van de Vw, heeft eiser namelijk recht op de verlening van medische noodzakelijke zorg. Eiser heeft ook geen documenten overlegd van pogingen om afspraken te maken, om op een wachtlijst te komen, of van andere documenten die dit standpunt onderbouwen.

Het beroep van eiser op artikel 17 van de Dublinverordening slaagt ook niet. Uit de medische stukken volgt namelijk niet dat sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden die maken dat de voorgenomen overdracht aan Duitsland van onevenredige hardheid getuigt. Verweerder mag er op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel van uitgaan dat Duitsland dezelfde medische verzorgingsmogelijkheden heeft als Nederland. Eiser is van 2018 tot en met 2025 ook voor zijn psychische klachten behandeld in Duitsland. Verweerder stelt zich terecht op het standpunt dat niet is gebleken dat Nederland het meest aangewezen land is voor de behandeling van de klachten van eiser.

9. De beroepsgronden slagen niet.

Conclusie en gevolgen

10. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat bestreden besluit in stand blijft. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond

Deze uitspraak is gedaan door mr. L.E.M. Wilbers-Taselaar, rechter, in aanwezigheid van mr. J. Dommerholt, griffier.

De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. L.E.M. Wilbers-Taselaar

Griffier

  • mr. J. Dommerholt

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?