ECLI:NL:RBDHA:2026:3653

ECLI:NL:RBDHA:2026:3653

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 24-02-2026
Datum publicatie 24-02-2026
Zaaknummer 26.8338
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Samenvatting

Bewaring. Non-refoulement. Motivering. De minister heeft het beginsel van non-refoulement niet uitdrukkelijk beoordeeld in de maatregel van bewaring. De rechtbank is van oordeel dat deze beoordeling ook niet ligt besloten in de bewoordingen van de motivering. Gelet op de uitspraak van de Afdeling van 12 september 2026 kan de rechtbank niet anders dan het beroep gegrond verklaren en de opheffing van de bewaring en onmiddellijke vrijlating te gelasten.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], V-nummer: [nummer], eiser

de minister van Asiel en Migratie,

Zittingsplaats ’s-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.8338

(gemachtigde: mr. R. Deniz),

en

(gemachtigde: mr. I.A.G. Lodders).

Procesverloop

Bij besluit van 5 februari 2026 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.

De rechtbank heeft het beroep op 23 februari 2026 op zitting behandeld. Eiser heeft afstand gedaan van zijn recht om ter zitting te worden gehoord. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser stelt van Algerijnse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 2000.

Het beginsel van non-refoulement

2. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) heeft in de uitspraak van 12 februari 2026 overwogen dat het voldoen aan het vereiste voor een rechtmatige bewaring dat er zicht op uitzetting bestaat, naar nationaal recht een kwestie van openbare orde is. Om die reden rust op de bewaringsrechter de verplichting om ambtshalve aan dat vereiste te toetsen.Als de minister zijn standpunt in de maatregel van bewaring dat het beginsel van non-refoulement zich niet tegen de uitzetting van een vreemdeling verzet, niet of niet deugdelijk heeft gemotiveerd, moet de rechtbank het beroep tegen de maatregel van bewaring gegrond verklaren en de bewaring opheffen. Omdat zicht op uitzetting een onder punt 77 van het arrest van het Hof van 8 november 2022, C, B en X, ECLI:EU:C:2022:858, bedoelde algemene en abstracte regel is, vereist voor de rechtmatigheid van een maatregel van bewaring, moet een vreemdeling volgens punt 79 van dat arrest onmiddellijk worden vrijgelaten.

3. De rechtbank leidt uit deze uitspraak af dat ook als niet uitdrukkelijk in de maatregel is gemotiveerd dat er geen zwaarwegende en op feiten berustende gronden bestaan om aan te nemen dat betrokkene in het land van bestemming een reëel risico zal lopen op de door artikel 4 en artikel 19, tweede lid, van het EU Handvest verboden behandelingen, op grond van de bewoordingen van de motivering, waarin wordt verwezen naar het gehoor, kan worden aangenomen dat deze beoordeling hierin besloten ligt en op deze wijze voldoende kenbaar is. Uit deze uitspraak volgt dat in dat geval de minister in de maatregel van bewaring heeft geconcludeerd dat de betrokkene in bewaring kan worden gesteld, gelet op de feiten en omstandigheden, de informatie van de Dienst Terugkeer en Vertrek en het gehoor voorafgaand aan de bewaring.

4. De minister erkent tijdens de zitting dat in de onderhavige maatregel niet uitdrukkelijk is gemotiveerd dat er geen zwaarwegende en op feiten berustende gronden bestaan om aan te nemen dat eiser in het land van bestemming een reëel risico zal lopen op de door artikel 4 en artikel 19, tweede lid, van het EU Handvest verboden behandelingen. De minister stelt zich echter op het standpunt dat uit de bewoordingen van de motivering kan worden aangenomen dat deze beoordeling hierin ligt besloten en op deze wijze voldoende kenbaar is. De minister verwijst hiervoor naar de volgende passages op pagina 3 en 4 van de maatregel:

Wil niet terugkeren:

Betrokkene heeft verklaard tijdens het gehoor in het midden te laten of hij vrijwillig wenst terug te keren. Hij wenst hier verder niets over te verklaren. Door hier niet duidelijk over te willen verklaren en het feit dat hij geen handelingen ondernomen om vrijwillige en zelfstandige terugkeer mogelijk te maken. Gelet hierop is het aannemelijk dat er een risico bestaat dat betrokkene zich aan het toezicht zal onttrekken.

Bewaring noodzakelijk voor terugkeer:

Betrokkene heeft verklaard tijdens het gehoor op 05-02-2026 dat hij liever niet terug wil keren naar Algerije, maar wel zijn medewerking zal verlenen aan uitzetting. Aangenomen kan worden dat hij aldus niet zelfstandig en vrijwillig zal terugkeren en dat de maatregel van bewaring noodzakelijk is om zijn vertrek te effectueren/bewerkstelligen. Gelet hierop is het aannemelijk dat er een risico bestaat dat betrokkene zich aan het toezicht zal onttrekken.

5. Verder verwijst de minister naar de vraag en het antwoord op pagina 7 van het proces-verbaal van gehoor.

6. De rechtbank is van oordeel dat de minister zijn standpunt dat het beginsel van non-refoulement zich niet tegen de uitzetting van een vreemdeling verzet, in de maatregel van bewaring niet uitdrukkelijk heeft gemotiveerd. De rechtbank is verder van oordeel dat ook niet op grond van de bewoordingen van de motivering kan worden aangenomen dat de beoordeling van het beginsel van non-refoulement hierin ligt besloten en op deze wijze voldoende kenbaar is. In de passages van de maatregel van bewaring waarnaar de minister ter zitting heeft verwezen, bespreekt de minister immers enkel en alleen de beoordeling van het onttrekkingsrisico. Het is ook in dít verband dat in de bewuste passage wordt verwezen naar het gehoor. Dat in het gehoor is gevraagd naar zwaarwegende en op feiten berustende gronden op basis waarvan kan worden aangenomen dat eiser in het land van bestemming een reëel risico zal lopen op de door artikel 4 en artikel 19, tweede lid, van het EU Handvest verboden behandelingen, betekent daarom niet dat het resultaat van het onderzoek naar een mogelijke schending van beginsel van non-refoulement bij terugkeer ook afdoende blijkt uit de motivering van het besluit tot bewaring. Uit voornoemde passages kan niet worden afgeleid dat de minister het beginsel van non-refoulement heeft beoordeeld in de maatregel. Ook op grond van de overige bewoordingen van de motivering van de maatregel van bewaring kan de rechtbank niet aannemen dat de beoordeling van het beginsel van non-refoulement daarin ligt besloten en voldoende kenbaar is.

7. Gezien wat hiervoor is overwogen en wat de Afdeling heeft overwogen in rechtsoverweging 10 van de eerdergenoemde uitspraak, kan de rechtbank niet anders dan het beroep tegen de maatregel van bewaring gegrond verklaren, de opheffing van de bewaring te bevelen en de onmiddellijke vrijlating van eiser te gelasten.

8. Het beroep is gegrond en de maatregel van bewaring is vanaf het moment van opleggen daarvan onrechtmatig. Daarom is een verdere beoordeling van de (maatregel van) bewaring niet nodig.

9. Op grond van artikel 106 van de Vw 2000 kan de rechtbank indien zij de opheffing van de maatregel van bewaring beveelt aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 20 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vrijheidsontnemende maatregel van 1 x € 160,- (verblijf politiecel) en 19 x € 120,- (verblijf detentiecentrum) = € 2.440,-.

10. De rechtbank beveelt de opheffing van de maatregel van bewaring met ingang van 24 februari 2026.

11. De rechtbank veroordeelt de minister in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,00 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1). Omdat aan eiser een toevoeging is verleend, moet de minister de proceskostenvergoeding betalen aan de rechtsbijstandverlener.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- beveelt de opheffing van de maatregel van bewaring met ingang van 24 februari 2026 en gelast de onmiddellijke vrijlating van eiser;

- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van een schadevergoeding aan eiser tot een bedrag van € 2.440,-, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;

- veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868,00.

Deze uitspraak is gedaan door mr. F.M.E. Schulmer, rechter, in aanwezigheid van H.J. Renders, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. F.M.E. Schulmer

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?