RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , eiser,
de minister van Asiel en Migratie, verweerder,
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.8369
V-nummer: [V-nummer] ,
(gemachtigde: mr. R.W. Koevoets),
en
(gemachtigde: mr. S.H.F. Pols).
Procesverloop
Verweerder heeft op 20 oktober 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Eiser heeft hierop gereageerd.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft en het onderzoek op 23 februari 2026 gesloten.
Overwegingen
1. Eiser stelt te zijn geboren op [datum] 1995 en de Marokkaanse nationaliteit te hebben.
2. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Daarom staat nu alleen ter beoordeling of de maatregel van bewaring rechtmatig is vanaf het moment van het sluiten van het onderzoek in het laatste beroep op 21 januari 2026.
4. Eiser stelt dat geen sprake is van zicht op uitzetting en dat verweerder onvoldoende voortvarend handelt. Er is evident geen zicht op uitzetting naar Marokko, sinds de Marokkaanse autoriteiten hebben meegedeeld eiser niet als onderdaan te erkennen. Voor zover verweerder nu stelt dat sprake is van zicht op uitzetting naar Algerije, meent eiser dat het aanvullend terugkeerbesluit van 29 december 2025 niet rechtsgeldig aan hem is uitgereikt. Er is enkel melding gemaakt van het aanvullend terugkeerbesluit tijdens een vertrekgesprek op 13 februari 2026. Niet is gebleken dat eiser voorafgaand aan het opleggen van het terugkeerbesluit is gehoord. Dit besluit kan dan ook niet als basis dienen voor een voortduring van de maatregel van bewaring. Daarnaast stelt eiser dat er onvoldoende aanknopingspunten zijn om te denken dat hij afkomstig zou zijn uit Algerije. Ook is niet gebleken van een lp-aanvraag bij de Algerijnse autoriteiten en heeft verweerder geen nader onderzoek gedaan naar eisers connectie met Algerije. Dit maakt dan ook dat onvoldoende voortvarend gehandeld wordt.
5. Zoals ook in de uitspraak van 22 januari 2026 is overwogen, blijkt uit de voortgangsrapportage dat op 5 januari 2026 een lp-aanvraag is verzonden aan de Algerijnse vertegenwoordiging. Verweerder heeft daaraan voorafgaand op 29 december 2025 een aanvullend terugkeerbesluit genomen waarin Algerije wordt genoemd als land van terugkeer. Uit dit besluit blijkt dat eiser omtrent dit besluit in de gelegenheid is gesteld om zijn zienswijze kenbaar te maken middels een gehoor. Dat eiser niet is gehoord wordt dan ook niet gevolgd. In het aanvullend besluit staat verder dat eiser mondeling over dit besluit is geïnformeerd en dat een afschrift van het besluit onmiddellijk aan hem is uitgereikt. De rechtbank wijst daarbij ook op het proces-verbaal van bevindingen van 29 december 2025, waaruit blijkt dat het aanvullend terugkeerbesluit is opgelegd aan eiser middels een beëdigde tolk. Eiser wordt dan ook niet gevolgd in zijn stelling dat hij pas tijdens het vertrekgesprek op 13 februari 2026 op de hoogte is geraakt van dit besluit.
6. De rechtbank volgt eiser niet in zijn standpunt dat er geen aanknopingspunten zijn om zicht op uitzetting naar Algerije aan te nemen. Zoals tijdens het vertrekgesprek op 24 december 2025 met eiser is besproken zouden uit zijn sociale media aanwijzingen blijken dat hij uit Algerije komt. Eiser heeft verder niets aangevoerd waaruit zou volgen dat het zicht op uitzetting naar Algerije in zijn algemeenheid ontbreekt.
7. De rechtbank is verder van oordeel dat verweerder vooralsnog voldoende voortvarend werkt aan de uitzetting van eiser door in de te beoordelen periode een vertrekgesprek met eiser te voeren en schriftelijk te rappelleren over de lp-aanvraag.
8. Ook de ambtshalve toetsing leidt niet tot het oordeel dat de maatregel van bewaring op enig moment in de te beoordelen periode onrechtmatig was.
9. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan op 24 februari 2026 door mr. E.F. Bethlehem, rechter, in aanwezigheid van mr. J. de Winter, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.