[naam], eiser,
V-nummer: [nummer],
(gemachtigde: mr. H.A. Koning),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister.
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 9 januari 2026 niet in behandeling genomen, omdat Zwitserland verantwoordelijk is voor de aanvraag.
De rechtbank heeft met toepassing van artikel 8:54 van de Awb bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft.
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk. Dit betekent dat het besluit tot het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag niet inhoudelijk wordt beoordeeld. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Heeft eiser procesbelang?
3. De rechtbank beantwoordt ambtshalve de vraag of eiser procesbelang heeft bij het beroep. De minister heeft op 13 februari 2026 meegedeeld dat eiser op 11 februari 2026 met onbekende bestemming (MOB) is vertrokken. Op 13 februari 2026 heeft de rechtbank de gemachtigde van eiser gevraagd of hij nog contact met hem heeft. Op 17 februari 2026 heeft de gemachtigde van eiser meegedeeld dat hij er, gelet op de door de minister overgelegde informatie, vanuit gaat dat eiser over zelfstandige woonruimte beschikt. De gemachtigde geeft aan niet te weten waar eiser is en sinds het opstellen van het beroepschrift geen contact meer te hebben met eiser.
Uit vaste rechtspraak volgt dat, als de vreemdeling met onbekende bestemming vertrekt zonder aan de minister te laten weten waar hij verblijft, de vreemdeling nog belang heeft bij zijn beroep als uit recente informatie van zijn gemachtigde van na de MOB-melding blijkt dat deze nog contact onderhoudt met die vreemdeling over de procedure. Dit is alleen anders als er andere concrete aanknopingspunten zijn dat een vreemdeling geen prijs meer stelt op bescherming in Nederland of dat hij anderszins geen actueel en reƫel belang meer heeft. Daarbij moet er, in het licht van het fundamentele belang van recht op toegang tot de rechter en het bieden van doeltreffende en effectieve rechtsbescherming, voorzichtig omgegaan worden met het niet-ontvankelijk verklaren van een beroep op basis van een MOB-melding.
Gezien de hiervoor genoemde omstandigheden en gezien de informatie van de gemachtigde van eiser neemt de rechtbank aan dat eiser met onbekende bestemming is vertrokken en dat hij geen prijs meer stelt op de door hem aanvankelijk gezochte bescherming in Nederland. Ook is niet gebleken dat eiser zich na de MOB-melding weer heeft gemeld bij het COa. Eiser heeft daarom geen rechtens te beschermen belang meer bij een beoordeling van de rechtmatigheid van het bestreden besluit.
Conclusie en gevolgen
4. Het beroep is niet-ontvankelijk. De rechtbank beoordeelt de zaak niet inhoudelijk. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Sibma, rechter, in aanwezigheid van mr. M.A. Postma, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.